Ik leer elke dag om ’s anderendaags te onderwijzen.
Émile Faguet (1847-1916).
Frans hoogleraar poëzie en criticus.
Na het brood, is de opvoeding de eerste behoefte van een volk.
George Jacques Danton (1759-1794).
Frans staatsman.
Drinken zonder dorst en op elk ogenblik de liefde bedrijven, mevrouw, dat is het enige wat ons van de dieren onderscheidt.
Pierre-Augustin Caron de Beaumarchais (1732-1799).
In “Le Mariage de Figaro”.
Plantkunde is de kunst om planten tussen bladen papier te drogen en om ze dan in het Grieks of in het Latijn te beledigen.
Alphonse Karr (1808-1890).
Frans schrijver.
Vier zaken blijven niet lang verborgen: de wetenschap, de dwaasheid, de rijkdom en de armoede.
In “Duizend-en-één-nacht”, verzameling oosterse vertellingen.
Wijze ouders laten toe dat hun kinderen zich eens vergissen. Het is goed dat ze nu en dan eens hun vingers verbranden.
Mahatma Gandhi (1869-1948).
Indisch volksleider.
De ware democratische vooruitgang is niet om de elite op het niveau van de massa te brengen, maar om de massa op het niveau van de elite te brengen.
Gustave Le Bon (1841-1931).
Frans sociaal-psycholoog.
Een evolutionaire benadering kan een nieuwe dimensie toevoegen aan de feministische analyse van het patriarchaat. Feministen interpreteren mannelijke dominantie meestal als een culturele constructie en als doel op zich. Volgens evolutiepsychologen dateren de wortels van het patriarchaat echter van voor het ontstaan van de menselijke soort; mannelijke dominantie is tenslotte wijdverspreid onder zoogdieren. Vanuit evolutionair perspectief moeten we de motor erachter niet zoeken in een mannelijke obsessie met macht, wel in seksuele selectie: het mannelijke verlangen om vrouwtjes en hun seksualiteit te controleren gaat ultiem terug tot het reproductieve belang van vrouwtjes als de meest investerende sekse.
Griet Vandermassen.
Filosofe Universiteit Gent,
in “Darwin voor dames. Over Feminisme en
Evolutietheorie” (Nieuwezijds, Amsterdam. 2005).
Een evolutionair perspectief stelt dat het patriarchaat ultiem draait rond controle over de vrouwelijke seksualiteit en het verklaart waarom dat zo is: omdat vrouwen de meer investerende sekse zijn. De radicaal-feministische observatie dat seksuele controle het hart van het patriarchaat vormt, is dus in essentie juist. Het is echter weinig waarschijnlijk dat mannen verenigd zullen zijn in hun belangen. Ze willen reproductief waardevolle vrouwen controleren, maar ze concurreren ook onderling om vrouwen en om de status en middelen, omdat dat hun helpt de andere sekse aan te trekken. Mannen vormen coalities, maar ze doen dat vooral om sterker te staan in hun competitie met andere mannen. Vrouwen zijn evenmin verenigd in hun belangen met hun seksegenoten: ze strijden onderling om mannen met hoge status en gebruiken daartoe onder meer jeugd en schoonheid, om in te spelen op de geëvolueerde partnervoorkeuren van mannen.
Griet Vandermassen.
Filosofe Universiteit Gent,
in “Darwin voor dames. Over Feminisme en
Evolutietheorie” (Nieuwezijds, Amsterdam. 2005).
De hedendaagse darwinistische theorievorming benadrukt zowel samenwerking als competitie. Evolutie mag ons dan met zelfzuchtige en hebzuchtige trekjes opgezadeld hebben, daarnaast ontwikkelden we ook de capaciteit, en zelfs de noodzaak, om anderen lief te hebben, te respecteren en te helpen. De meesten van ons ervaren automatisch empathie bij het zien van lijden van anderen, zelfs als het om fictieve personages uit een boek of televisieserie gaat. Dat de ultieme wortels van emotie als medeleven en altruïsme liggen in hun bijdrage aan de overleving en voortplanting van onze voorouders, doet niets af aan de realiteit en oprechtheid ervan.
Griet Vandermassen.
Filosofe Universiteit Gent,
in “Darwin voor dames. Over Feminisme en
Evolutietheorie” (Nieuwezijds, Amsterdam. 2005).
Hoe kunnen leraars aan leerlingen vertellen dat ze van apen afstammen en desondanks verwachten dat ze zich niet als apen zullen gedragen?
William Jennings Bryan (1860-1925).
Amerikaans advocaat op het Scopesproces
(Apenproces) van 1925. Creationist.
Een soort is een geheel van organismen waarover deskundige specialisten het eens zijn om ze dezelfde naam te geven.
Theodosius Dobzhansky (1900-1975).
Russisch-Amerikaans geneticus.
Studenten, studentinnen, beste vrienden, steek het goed in je hoofd dat men u vandaag nodig heeft, niet zoals men al te dikwijls zegt als sterk gespecialiseerde technici, maar als mannen en vrouwen die vertrouwd zijn met de wetenschappelijke methode. We hebben geen specialisten nodig die heel hun leven lang een bepaalde taak voortdurend herhalen, maar mannen en vrouwen die voldoende cultuur bezitten en met een voldoende soepele geest om zich aan te passen aan de technieken, zowel technieken van de laboratoria als die van de industrie. Men heeft nood aan mannen en vrouwen die de moed hebben om student te blijven tot aan hun laatste ademtocht, mannen en vrouwen die alle gelegenheden aangrijpen om hun kennis aan te vullen of te verbeteren.
Lucia de Brouckère (1904-1982).
Hoogleraar chemie U.L.B. Toespraak van 1960.
In 1937 de eerste Belgische, vrouwelijke hoogleraar
in de faculteit van de wetenschappen.
We hebben nog niet in het grote boek van de natuur de bladzijden opgegraven, die ons het recht geven te verwachten dat we sporen zullen vinden van de tussenvormen [tussen de apen en de mens] die ons nog ontbreken. Het vaderland van de antropomorfe apen zijn de tropische gebieden van Afrika en de eilanden Borneo en Sumatra. En eigenlijk is het voor deze gebieden nog totaal onbekend of er zoogdieren uit het Plioceen of het post-Plioceen aanwezig zijn.
Op een dag in de toekomst, wanneer we misschien honderden fossielen van “quadrumanen” [mensapen] gevonden zullen hebben, zal de bioloog over dit onderwerp kunnen nadenken. Voor het ogenblik moeten we ons tevreden stellen met een geduldig afwachten en we moeten ons ervan weerhouden om een oordeel over de transformaties [d.i. de evolutie] te laten beïnvloeden door de afwezigheid van bewijzen.
Charles Lyell (1797-1875).
Brits geoloog. Grondlegger van de
geologie en inspirator van Charles Darwin,
in “The geological evidence of the antiquity of man” (1863).
Vraag van de wetenschapsjournalist Joël De Ceulaer: “Die oerknal, is die écht gebeurd? Mogen we dat “een feit” noemen?” Antwoord van de fysicus Simon Singh: “Dat denk ik wel. In de wetenschap weet je nooit iets met honderd procent zekerheid. Maar in sommige zaken kun je voldoende vertrouwen hebben om te zeggen dat ze “een feit” zijn. We weten bijvoorbeeld dat de aarde rond is, dat kunnen we een feit noemen. Idem dito voor evolutie: we hebben voldoende fossiel, anatomisch en genetisch bewijsmateriaal om de evolutietheorie “waar” te noemen. Er zitten weliswaar nog wat hiaten in, een aantal zaken die we niet zo goed begrijpen. Maar de theorie is veel meer dan speculatie. En dat geldt ook voor de oerknaltheorie. Het is een goede, wáre theorie, maar er zitten nog hiaten in.”
Simon Singh (° 1964).
Engels-Indiase fysicus en auteur van
een bestseller over “De oerknal”,
in “Knack”, 26 oktober 2005.
Naar Darwin heeft de giraf een lange staart verworven zodat ze zich kan verdedigen tegen vliegen en andere insecten. Hetzelfde treffen we aan bij onze runderen. En in Zuid-Amerika is de verspreiding en het bestaan van het vee absoluut gebonden aan de middelen waarmee de individuen van de kudde zich tegen insecten kunnen verdedigen.
Tegenover deze veronderstelling hebben we een kapitale tegenbedenking. We ontkennen niet dat de staart van het vee van die dieren het aangegeven nut bezit, maar we beweren dat, als die dieren voortijds staartloos waren, de natuurlijke selectie niet in staat was om een staart te laten groeien. Die staart zou toch maar met een heel kleine snelheid langer geworden zijn, en vanaf het aanvankelijk verschijnen, waarbij hij eventueel door kruisingen zelfs verkleind of verdwenen zou kunnen zijn, zal hij bij alle individuen van een soort, na miljoenen jaren misschien een lengte van één centimeter bereikt hebben. Nu vragen we aan Darwin hoe een staart van één centimeter de runderen zou kunnen beschermen tegen vliegen. Natuurlijk niet. Bijgevolg kan de staart van de runderen zich volgens de principes van Darwin nooit gevormd hebben, want door de natuurlijke selectie worden alleen kleine en langzame veranderingen bewaard, voor zoverre dat ze vanaf hun verschijnen nuttig zijn voor het dier dat ze bezit.
Kanunnik Alphonse Lecomte (1847-1931).
Hoogleraar biologie KU Leuven, creationist,
in “Le Darwinisme et l’origine de l’homme” (Bruxelles. 1873).
De wetenschap produceert kennis, maar het productieproces laat zich niet in kookboekinstructies vangen. Daarvoor is het te onvoorspelbaar. In het verleden dachten wetenschappers dat er wél zo’n recept bestond: de wetenschappelijke methode. Dat was een onfeilbaar instrument weermee de waarheid steeds dichter benaderd kon worden. Het is veelzeggend dat er altijd al verschil van mening is geweest over wat die methode inhield. Het recept had wel ingrediënten die steeds terugkwamen: je moest waarnemingen doen, een theorie bedenken, en experimenten uitvoeren om je theorie te testen. Maar verder overheersten de meningsverschillen. Wat kwam eerst: waarnemingen doen of een theorie bedenken? Hoeveel waarnemingen en experimenten had je nodig om zekerheid te krijgen? En als er een waarneming opdook die niet in de theorie paste, moest je je theorie dan aanpassen of opgeven?
Bert Theunissen.
Nederlands hoogleraar wetenschapsgeschiedenis,
in “Diesels droom en Donders’ bril.
Hoe wetenschap werkt” (Nieuwezijds, Amsterdam. 2004).
Voor een wetenschapper is het cruciaal dat hij diep vanbinnen níét te veel vertrouwen heeft in wat hij bedenkt, omdat de kans dan groot is dat hij blind blijft voor gegevens die zijn theorie zouden kunnen ontkrachten. Geen enkele wetenschapper loopt graag het risico zijn leven te verspillen aan een foute theorie, en daarom zijn we enorm sceptisch over onze eigen ideeën. De meeste ideeën die wetenschappers hebben, zijn immers verkeerd. [Vraag van de interviewer: “Is dat zo?”] Zeker, dat is gewoon een feit: de meeste ideeën die in de loop van de geschiedenis zijn geopperd door wetenschappers, waren en zijn verkeerd. Je moet enorm veel lef hebben om nieuwe ideeën te lanceren. En wie lef heeft, vergist zich vaak. Daarom moet je altijd sceptisch zijn. En je idee testen, natuurlijk. Uiteindelijk zijn het toch de gegevens van je onderzoek die bepalen of een idee juist of fout is. Niet je buikgevoel, niet je hart, niet je esthetisch gevoel… Al die dingen kunnen je wel een bepaalde richting uit sturen, maar het uiteindelijke oordeel over een theorie wordt geveld in experimenten.
Brian Greene (°1963).
Amerikaans hoogleraar fysica,
in “Knack” (9-15 november 2005).
[Vraag van de interviewer: “ Haalt u dan zélf ook troost uit uw werk? Vindt u het leven de moeite waard?”] Iedereen zoekt troost en zin en betekenis op zijn manier, natuurlijk. Een buschauffeur, een kunstenaar, iedereen. Maar als wetenschapper kan ik putten uit een enorm reservoir aan inspiratie om te vinden dat het leven bijzonder wonderlijk is. Al die wetenschappelijke kennis draagt ertoe bij dat ik het leven zeker de moeite waard vind. Doordat ik probeer te begrijpen wat het leven is, ben ik blij dat ik er deel van uitmaak.
Brian Greene (°1963).
Amerikaans hoogleraar fysica,
in “Knack” (9-15 november 2005).
Bij bepaalde reptielen van het Secundair, namelijk bij sommige dinosauriërs, leidde de evolutie tot een vergroting van de schedelholte, dus van de hersenen. Als er niet die grote meteoriet geweest was die tot hun afsterven geleid heeft, zouden die dinosauriërs misschien sociaal en intelligent geworden zijn. En, wie weet, misschien zou deze tekst vroeg of laat geschreven zijn door een reptielachtige bioloog, gericht tot dinosauriërachtige lezers.
Raymond Rasmont.
Belgisch hoogleraar biologie U.L.B.
De opkomst van de moleculaire biologie wordt door wetenschappers en historici vaak aangeduid als een revolutie in de bestudering van de levende natuur. Hoewel deze revolutie niet de kenmerken heeft van een paradigmawisseling in de betekenis die de filosoof Thomas Kuhn daaraan geeft, is het toch onmiskenbaar dat de biologie er op tamelijk radicale wijze door is veranderd. Na Watson en Crick heeft in brede kring het idee postgevat dat DNA het raadsel van het leven vertegenwoordigt. De overtuiging dat het moleculaire niveau de essentiële plaats is voor biologische onderzoekingen wordt erdoor ondersteund. Ook buiten de genetica leidde het moleculaire onderzoek al snel tot opzienbarende uitkomsten, bijvoorbeeld de opheldering van de structuur van de biologisch belangrijke eiwitten myoglobine (1958) en hemoglobine (1959). De theoretische en praktische resultaten van het onderzoek op moleculair niveau hebben belangrijk bijgedragen tot de dominante positie van de moleculaire biologie in de hedendaagse levenswetenschappen. De nieuwe discipline heeft een dermate krachtige stempel gedrukt, dat het zeker voor de buitenwacht soms wel lijkt alsof moleculaire biologie synoniem is met biologie.
Bert Theunissen en R.P.W. Visser.
Nederlandse hoogleraars wetenschapsgeschiedenis,
in “De wetten van het leven. Historische grondslagen
van de biologie 1750-1950” (Ambo, Baarn. 1996).
Het behoort ook aan de natuurkenner te vorsen naar de oorzaken van de gezondheid en van de ziekte, want van de gezondheid en ziekte kan geen spraak zijn bij de levenloze wezens. Het merendeel van hen die zich met de studie van de natuur onledig houden, en diegenen onder de geneesheren welke over hun kunst het meest wijsgerig nadenken, evolueren enerzijds van de studie der natuur tot de studie van de geneeskunde die er de consequente voleinding van is, en anderzijds vatten zij de studie van de geneeskunde aan met de studie van de natuur.
Aristoteles (384-322 v.C.).
Belangrijkste Griekse wijsgeer.
Wie zich op gezag verlaat, gebruikt zijn verstand niet, maar zijn geheugen.
Leonardo da Vinci (1452-1519).
Italiaans schilder, wetenschapper, enz. (“uomo universale”).
Zij die alleen de werken van de Ouden bestuderen en de werken van de natuur verwaarlozen, zijn stiefzonen, geen zonen van de Natuur die de moeder is van alle schrijvers.
Leonardo da Vinci (1452-1519).
Italiaans schilder, wetenschapper, enz. (“uomo universale”).
Het experiment is nooit mis, ons oordeel is het wel.
Leonardo da Vinci (1452-1519).
Italiaans schilder, wetenschapper, enz. (“uomo universale”).
Het verschijnen van “De Humani Corporis Fabrica” van Andreas Vesalius (1515-1564) luidt de nieuwe tijd in de geneeskunde in. Het boek ging traag zijn weg. Het bereikt nochtans zijn bestemming en zou weldra bestudeerd en afgetakeld worden. Omzeggens niemand begreep in den beginne zijn betekenis. Het bracht, hoe vreemd ook, geen enkele nieuwe ontdekking, maar het was één nieuwe ontdekking, van het begin tot het eind, één nieuw inzicht, één nieuw begrip, te weten: het menselijk lichaam is weliswaar naar hetzelfde bouwplan als dat van andere zoogdieren ontworpen, maar het is geen slaafse kopie van het lichaam van apen of honden, doch een zelfstandig organisme, met eigen architectuur en vorm en inhoud. Het bracht een nieuwe boodschap: wat kan het ons schelen hoe Claudios Galenos (129-200 v.C.) of een andere oude arts hebben geschreven; ziehier wat ik, Vesalius Bruxellensis, gevonden en genoteerd heb; het is allemaal zeer merkwaardig wat die oude heren schrijven; ik heb dat ook gelezen, maar ik keek mijn ogen uit mijn kop, en vind het anders; ik kan het niet verhelpen, maar de lijken die ik geopend heb, spreken een andere taal dan ons aller meester Galenos; kijk zoals ik gekeken heb, en zeg mij of ik een leugenaar ben.
Het was meer dan twaalf eeuwen geleden sinds iemand zo roekeloos dorst te schrijven. Eén enkel voorbeeld. Galenos beweert dat de menselijke onderkaak uit twee symmetrische door een gewricht gescheiden helften bestaat. Eeuwenlang hebben zeer verstandige koppen dat geloofd en elkander nagepraat. Vesalius heeft tientallen volwassen bekkenelen [schedels] op de begraafplaatsen opgeraapt en nagekeken: geen enkel vertoont het mediane gewricht of voeg. Het besluit ligt voor de hand: Galenos heeft het mis. Maar men moet het durven te schrijven.
De “Fabrica” huldigt de observatie; zij wijst de weg aan voor nieuwe observaties; ze stelt de wetenschappelijke controle op de ereplaats; ze verwerpt het dogma in de studie van de biologie; ze breekt af met het gezag van eender wie. Eerst nakijken en daarna aanvaarden. De waarheid inzake natuurwetenschap kunnen we maar kennen, wanneer zij op de keper wordt beschouwd en getoetst, terdege en meer dan eens ontdaan van smuk en fantasie.
Leo Elaut (1897-1978).
Vlaams hoogleraar geneeskunde RU Gent,
in “Het medisch denken in de oudheid, de
Middeleeuwen en de renaissance”
(Standaard, Antwerpen. 1952)
Biologisch gesproken is de mens het merkwaardigste roofdier, en eigenlijk het enige dat systematisch zijn eigen soort verslindt.
William James (1842-1910).
Amerikaans filosoof en psycholoog.
Alle bloemen van morgen zitten in de zaden van vandaag.
Chinees spreekwoord.
Als een mens een tijger wenst te doden, heet dat sport. Als een tijger een mens wenst te doden, heet dat wreedheid.
George Bernard Shaw (1856-1950).
Anglo-Iers toneelschrijver en essayist.
De botanicus werkt in zijn proeftuin met de volle overtuiging, dat wanneer het hem ten slotte gelukken mag, … een algemene wet der erfelijkheid te vinden, die terstond ook in het andere rijk van toepassing zal zijn. Hij vleit zich met de hoop dat, zij het ook misschien in een verre toekomst, zijn werk ertoe zal kunnen bijdragen een deel van de sluier op te lichten, die thans nog de wetten der erfelijkheid op antropologisch gebied bedekt. En hoe verleidelijk is het denkbeeld, dat een grondige en consequente toepassing van de wetten der erfelijkheid eenmaal zal blijken de machtigste factor te zijn, tot leniging van zo vele maatschappelijke ellenden!
Hugo de Vries (1848-1935).
Nederlands hoogleraar plantkunde en genetica,
in 1895.
De geleerde, net zoals elke mens en zelfs elk levend organisme, beoefent voortdurend de activiteit van het oplossen van problemen.
Karl Popper (1902-1994).
Oostenrijks-Engels filosoof.
De natuur- en de scheikunde hebben, in de loop der negentiende eeuw, door hun talloze ontdekkingen, de vooruitgang van de overige wetenschappen aanzienlijk bevorderd, en tevens het aanzijn gegeven aan een aantal nieuwe nijverheden, waarvan wij de voortbrengselen thans geen enkelen dag zouden kunnen ontberen. Het is overbodig hierover uit te weiden.
Uit dit kort overzicht blijkt hoe belangrijk de rol der natuurlijke wetenschappen thans geworden is. Voor ons, Vlamingen, wier land overbevolkt is, wier bodem geen andere rijkdommen voortbrengt dan landbouwproducten, is de kennis der natuurlijke wetenschappen wellicht nog belangrijker dan voor andere volkeren.
Het is nodig in de eerste plaats voor de verschillende vakken der natuurwetenschap een voldoende aantal beoefenaren en deskundigen te vormen, en het peil der wetenschap in ons land zo hoog mogelijk te doen stijgen. Daarenboven mag de taal der wetenschap geen andere zijn dan de taal van het volk dat ons omringt, opdat de deskundigen zouden kunnen optreden als verspreiders der wetenschap en de belanghebbenden kunnen voorlichten met de pen en met het woord. Wanneer geleerden en deskundigen gewoon zijn Frans te spreken en in ’t Frans te denken, gevoelen zij zich als het ware buiten hunne sfeer en gaan aan het stotteren wanneer zij aan Vlaamssprekenden kennis moeten meedelen; zij trachten die onaangename gewaarwording te vermijden, en sluiten zich in hun studeerkamer op, onder voorwendsel dat de wetenschap niet dient verspreid te worden. De verspreiding van wetenschappelijke kennis geschiedt aldus in een onhebbelijken vorm of in het geheel niet, ofwel die taak wordt in vele gevallen overgelaten aan onbekwamen, die niets anders ten beste kunnen geven dan hun goede wil. Het verspreiden van wetenschap onder niet-ingewijden dient trouwens beschouwd te worden als een opoffering, die de geleerde zich moet getroosten uit plichtgevoel. Het houden van wetenschappelijke voordrachten, het schrijven van wetenschappelijke artikels en boeken in algemeen verstaanbaren vorm is een uitnemende oefening, die het wetenschappelijk denken bevordert, en ons daarenboven de kunst leert om onze gedachten op een fatsoenlijke wijze uit te drukken.
Julius Mac Leod (1857-1919).
Vlaams hoogleraar plantkunde RU Gent in 1897.
De moeilijkheid is niet om kinderen te maken, maar om ze te voeden.
Thomas Robert Malthus (1766-1834).
Brits econoom.
Onderwijzen is twee keer leren.
Joseph Joubert (1754-1824).
Frans filosoof.
Wie geen verbazing of verrassing meer kan ervaren, is om zo te zeggen dood; zijn ogen zijn uitgedoofd.
Albert Einstein (1879-1955).
Duits-Amerikaans fysicus.
Wie alleen maar militair is, is een slechte militair. Wie alleen maar leraar is, is een slechte leraar. Wie alleen maar industrieel is, is een slechte industrieel. De volledige mens, hij die zijn hele roeping wil vervullen, moet zijn lantaarn laten schijnen op alles wat de eer van de mensheid uitmaakt.
Louis-Hubert Lyautey (1854-1934).
Franse maarschalk.
Ik benadruk de samenhang tussen de mens en de apen, ik vergelijk, ik zoek naar de overeenkomsten tussen menselijk en dierlijk gedrag. Ik ben niet blind voor de verschillen, die zijn behoorlijk groot, maar er zijn al zoveel mensen die zich daarop concentreren, zoals de meeste filosofen en psychologen. Ik doe het andersom. […] Het verschil tussen het genetisch materiaal van de mens enerzijds en dat van de chimpansee en de bonobo anderzijds bedraagt amper 1,5 procent. Terwijl mensen het gevoel hebben dat het 50 procent is!
Frans de Waal.
Nederlands primatoloog,
in “Knack” (23-29 november 2005),
auteur van “De aap in ons” (Uitgeverij Contact).
Ik ben akkoord dat genen zelfzuchtig zijn, want zo planten ze zich voort. Maar het blijft een metafoor. De mens is in se een sociaal wezen. […] Wij zijn sterk op elkaar gericht. Ik hoorde onlangs de resultaten van onderzoek met ratten, waaruit blijkt dat rattenvrouwtjes die alleen moeten leven 40 procent minder lang leven dat diertjes die met vijf samen in een kooi zitten. Zelfs het immuunsysteem van de diertjes staat onder invloed van de sociale context. Het ergste wat je een mens kunt aandoen, is eenzame opsluiting.
Frans de Waal.
Nederlands primatoloog,
in “Knack” (23-29 november 2005),
auteur van “De aap in ons” (Uitgeverij Contact).
De beste dokters zijn: dr. Dieet, dr. Rust en dr. Gelukkig.
Jonathan Swift (1667-1745).
Engels dichter en prozaïst.
Elke ontdekking in de zuivere wetenschap kan ontwrichtend zijn; elke wetenschap moet dikwijls als een mogelijke vijand behandeld worden.
Aldous Leonard Huxley (1894-1963).
Brits romanschrijver en essayist.
De mens verwerft bij zijn geboorte, door de erfelijkheid, een biologische basis die we moeten beschouwen als iets vaststaand en onveranderbaar. Daarin bevindt zich de natuurlijke drang die de menselijke soort karakteriseert. Daarbovenop verwerft de mens tijdens zijn leven een culturele basis die hij overneemt van de samenleving door communicatie en vele andere vormen van invloeden. Het is die culturele basis die met het verloop van de tijd aan verandering onderhevig is en in belangrijke mate de verhouding tussen een individu en de samenleving bepaalt. De moderne antropologie heeft ons door vergelijkend onderzoek van zogenaamd primitieve culturen, geleerd dat het sociaal gedrag van mensen enorm kan verschillen afhankelijk van de heersende culturele patronen en organisatievormen die de samenleving domineren. Het is hierop dat diegenen die het lot van de mens willen verbeteren, zich baseren: mensen zijn niet veroordeeld omwille van hun biologische afstamming tot het uitroeien van elkaar of om een wreed lot te ondergaan.
Albert Einstein (1879-1955).
Duits-Amerikaans fysicus.
Een leerkracht moet in de eerste plaats een opvoeder zijn, dan een leraar van de moedertaal en tenslotte een leraar van een vak.
Camille Huysmans (1871-1968).
Vlaams politicus en gewezen Minister van Onderwijs.
Zolang een onderwijzer minder verdient dat een automonteur zijn we niet goed bezig.
Hugo Schiltz (° 1927).
Vlaams politicus.
Wetenschappelijk zijn er geen argumenten tegen genetisch gewijzigd voedsel. Het verzet is vooral politiek, economisch en sociologisch geïnspireerd. Als het genetisch gewijzigd voedsel, dat hoofdzakelijk uit de VS komt, in Europa wordt gecommercialiseerd, dan wordt dit gezien als een aanslag op onze landbouw. […] De gentechnologie schept nieuwe mogelijkheden om de monoculturen in de grootschalige landbouw af te schaffen. En we moeten veel minder gevaarlijke chemicaliën gebruiken. Maar ik vrees dat de Bayers en BASF’s van deze wereld dat niet zo graag zien gebeuren.
Marc Van Montagu.
Hoogleraar genetica UGent.
Wetenschap moet beginnen met mythen, en met het kritiseren van mythen.
Karl Popper (1902-1994).
Oostenrijks-Engels filosoof.
Leven op aarde is dan misschien duur, maar er is ieder jaar wel een gratis reis rond de zon bij inbegrepen.
Anoniem.
Albert Michelson [1852-1931, Amerikaans fysicus, Nobelprijs natuurkunde 1907] verkondigde in 1894: “De belangrijkste fundamentele natuurkundige wetten en feiten zijn ontdekt, en die staan nu zo onomstotelijk vast dat de kans dat er nog ooit aanvullingen op zullen komen als gevolg van nieuwe ontdekkingen uiterst klein is… Bij ontdekkingen in de toekomst zal het gaan om cijfers zes plaatsen achter de komma.” […] Michelson zou zijn boude bewering in de loop van zijn leven steeds verder onderuitgehaald zien worden. De ontwikkeling van de kwantum- en kernfysica zou de wetenschap binnen een paar decennia doen schudden op haar grondvesten. En daarbij zouden kosmologen hun inzichten betreffende het heelal volledig moeten bijstellen.
Simon Singh (° 1964).
Engels fysicus,
in “De oerknal. De belangrijkste wetenschappelijke
ontdekking ooit” (De Arbeiderspers, Antwerpen. 2005).
In de wetenschap probeer je mensen, op zo’n manier dat iedereen het begrijpt, iets te vertellen wat niemand tevoren wist. Maar in de dichtkunst gebeurt precies het tegenovergestelde.
Paul Dirac (1902-1984).
Brits natuurkundige.
De enige wetenschap is de natuurkunde, de rest is postzegels verzamelen.
Ernest Rutherford (1871-1937).
Brits natuurkundige. Nobelprijs 1908, niet voor
natuurkunde, maar voor scheikunde.
De wetenschapper bestudeert de natuur niet omdat dat nuttig is; hij bestudeert de natuur omdat hij daar behagen in schept, en hij schept daar behagen in omdat de natuur prachtig is. Als de natuur niet prachtig was, zou het niet de moeite waard zijn haar te leren kennen, en als het niet de moeite waard was de natuur te leren kennen, zou het leven niet de moeite waard zijn. Natuurlijk heb ik het hier niet over de schoonheid die de zintuigen streelt, de schoonheid van eigenschappen en uiterlijkheden; het is niet dat ik weinig of geen waardering heb voor zulke schoonheid, verre van, maar deze schoonheid heeft niets van doen met wetenschap; ik doel op de dieper liggende schoonheid die voortspruit uit de harmonieuze ordening der delen, en die voor een zuiver verstand te bevatten is.
Henri Poincaré (1854-1912).
Frans wiskundige, astronoom en natuurfilosoof.