Ik schrijf zeer moeilijk en iedere bladzijde staat vol krabbels en verbeteringen. Als de definitieve redactie van mijn boek getypt is, vind en verbeter ik gewoonlijk nog een paar honderd wendingen of woorden, die beter of juister konden zijn. Men moet juist weten wat men moet zeggen, maar men moet ook juist weten hoe men het moet zeggen. Van twee nuances is er maar éne de juiste, en als ze alle twee juist zijn, is er maar éne de mooiste. Die moet men kiezen. Gewoonlijk is het de kortste.
Willem Elsschot (1882-1960).
Vlaams auteur over het schrijven van goede teksten (1942).
Nu, dat er nog altijd zoveel mensen roken, is één ding. Het is bijzonder erg, maar wat mij veel meer zorgen baart, is dat de voeding van onze jeugd dramatisch aan het verslechteren is. We eten absoluut niet veiliger en gezonder dan ooit. Heel wat tieners eten elke dag junkfood en zitten, net zoals in Amerika, de hele avond met chips en cola voor de televisie. Daar moeten we echt dringend iets aan doen. Obesitas wordt een groot probleem. [...] Obesitas wordt een groter probleem dan aids.
Hugo Vanermen.
Hartchirurg,
in 'Knack'.
De groei van de wereldbevolking komt tot 2050 voor 96 procent voor rekening van de ontwikkelingslanden. In 1950 telde de wereld nog maar 2,5 miljard mensen. Anno 2004 telt de wereld naar schatting 6,4 miljard mensen. Daar komen er de komende 45 jaar nog eens 2,5 miljard bij, zodat het totale aantal ongeveer 8,9 miljard zal zijn. Zo zal de bevolking in de vijftig minst ontwikkelde landen tot 2050 naar verwachting toenemen tot 1,7 miljard. Dat is een groei van 228 procent.
Rapport van het Bevolkingsfonds
van de Verenigde Naties.
Eindelijk is er een glimp van licht doorgebroken en ik ben er bijna van overtuigd dat soorten (het is als het bekennen van een moord) niet onveranderlijk zijn. De Hemel behoede me voor de onzin van Lamarck over 'een tendens tot vooruitgang' of over 'adaptaties die voortspruiten uit de langzaam werkende wil van organismen', enz. – maar de fundamentele conclusies waar ik toe kom, verschillen niet sterk van de zijne – hoewel de mechanismen van verandering totaal verschillen. Ik geloof dat ik de simpele manier heb ontdekt (wat een verwaandheid!) waardoor soorten verfijnd raken aangepast aan allerlei omstandigheden.
Charles Darwin (1809-1882).
Brits bioloog,
in een brief aan Joseph Dalton Hooker (in 1844).
Maar reflectie en onderzoek behoren ons ervan te overtuigen dat veel waarvan wij dachten dat het vooral onze inzichten waren, eigenlijk aan onze voorgangers is te danken, en dat hun dwalingen niet van koppige buitenissigheid of krankzinnige wartaal getuigden, maar gewoon hypothesen waren, als zodanig te rechtvaardigen in de tijd toen men ze opperde, maar die bij ruimere ervaring ontoereikend zijn gebleken. Enkel door een toetsing achteraf van hypothesen en de verwerping van wat onjuist is, wordt de waarheid uiteindelijk aan het licht gebracht. Wat wij waarheid noemen, is immers slechts de hypothese die het beste blijkt te werken. Daarom doen we, wanneer we de meningen en gebruiken van onbeschaafdere tijdperken beoordelen, er verstandig aan met welwillendheid hun dwalingen als onvermijdelijke vergissingen in de zoektocht naar de waarheid te beschouwen en tegenover hen de toegeeflijkheid te betrachten die wij wellicht ook zelf nodig zullen hebben: cum excusatione itaque veteres audiendi sunt.
James George Frazer (1854-1941).
Brits antropoloog.
Wat is onkruid? Een plant waarvan de verdiensten nog niet zijn ontdekt.
Ralph Waldo Emerson (1803-1882).
Amerikaans wijsgeer.
Hij lijdt aan diabetes en spreekt over zijn ziekte, alsof hij eigenaar is van een suikerplantage.
Fritz Francken (1893-1969).
Vlaams schrijver, pseudoniem van Frederik Clijmans.
Drinken zonder dorst en vrijen in alle seizoenen is alles wat ons van de overige dieren onderscheidt.
Pierre Augustin de Beaumarchais (1732-1799).
Frans schrijver.
Wilde dieren doden nooit voor de sport. De mens is de enige.
James Anthony Froude (1818-1894).
Brits historicus.
Wreedheid jegens dieren is een van de meest kenmerkende zonden van een gemeen en onedel volk.
Alexander von Humboldt (1769-1859).
Duits natuuronderzoeker.
We zijn zoogdieren die last hebben van overontwikkelde hersenen. Die hebben ons immers met een zelfbewustzijn opgezadeld. Omdat we zo uniek zijn, zouden we kunnen denken dat ons leven wel eens een bijzondere bedoeling zou kunnen hebben. Een brilslang denkt daar nooit over na. Ze volgt gewoon haar instinct. Het enige doel dat ik kan zien, is dat we gezond en lang willen leven zodat we onze genen kunnen doorgeven aan het nageslacht.
Peter Terrin (° 1968).
Vlaams schrijver.
De eigenlijke verdienste van een Copernicus of een Darwin was niet de ontdekking van een ware theorie, maar van een vruchtbaar nieuw aspect.
Ludwig Wittgenstein (1889-1951).
Weens filosoof.
Zo nu en dan zeggen mensen, dat ze dat en dat niet zouden kunnen beoordelen, ze zouden geen filosofie geleerd hebben. Dit is irritante onzin: want men doet alsof de filosofie een of andere wetenschap is. En men praat erover als, bijvoorbeeld, over geneeskunde. – Men kan echter wel zeggen, dat mensen die nooit een onderzoek van filosofische aard hebben verricht, de meeste wiskundigen bijvoorbeeld, niet met de juiste optische hulpmiddelen voor een dergelijk onderzoek of een dergelijke test zijn uitgerust. Bijna zoals iemand, die niet gewend is in het bos naar bloemen, bessen of kruiden te zoeken, er geen vindt, omdat zijn oog er niet op getraind is en hij niet weet, waar men in het bijzonder naar moet uitkijken. En wie in de filosofie ongeoefend is, gaat zo aan alle plaatsen voorbij waar moeilijkheden onder het gras verborgen liggen, terwijl wie geoefend is, daar blijft staan en voelt dat hier een moeilijkheid zit, hoewel hij haar nog niet ziet. – En geen wonder, als men weet, hoe lang zelfs een geoefende, die wel merkt dat hier een moeilijkheid zal liggen, moet zoeken om haar te vinden. Wanneer iets goed verborgen is, dan is het moeilijk te vinden.
Ludwig Wittgenstein (1889-1951).
Weens filosoof.
Een leraar die tijdens de les op goede, of zelfs verbazingwekkende resultaten kan bogen, is daarom nog geen goede leraar, want het is mogelijk, dat hij zijn leerlingen, terwijl ze onder zijn onmiddellijke invloed staan, tot een voor hen onnatuurlijke hoogte omhoogtrekt, zonder hen echter tot deze hoogte te ontwikkelen, zodat ze direct ineenzinken als de leraar het schoollokaal verlaat. Dat gaat misschien ook voor mij op; ik heb eraan gedacht.
Ludwig Wittgenstein (1889-1951).
Weens filosoof.
Sla munt uit iedere fout.
Ludwig Wittgenstein (1889-1951).
Weens filosoof.
Ik geloof dat de opvoeding van de mensen tegenwoordig erop neerkomt, het vermogen om te lijden te verminderen. Een school geldt tegenwoordig als goed, 'if the children have a good time'. En dat was vroeger niet de maatstaf. En de ouders zouden willen dat de kinderen worden, zoals ze zelf zijn (only more so) en toch laten ze hun een opvoeding ondergaan die totaal verschillend is van de hunne. – Aan het vermogen om te lijden hecht men geen waarde, want lijden moet er niet zijn, dat is eigenlijk verouderd.
Ludwig Wittgenstein (1889-1951).
Weens filosoof.
Dat een opinie wijd verspreid is, garandeert ons nooit dat ze niet absurd is; integendeel, als we rekening houden met de zuivere onnozelheid van de grote menigte, maakt een wijd verspreid geloof meer kans dwaas dan wijs te zijn.
Bertrand Russell (1872-1970).
Brits wiskundige en filosoof.
Ik voel me langs alle zijden ingesloten door een nieuwe sfeer van antisciëntisme... een tendens om wetenschap te vervangen door magie. Dit antisciëntisme lijkt een onderdeel te vormen van een bredere stroming van anti-intellectualisme die zich opdringt als een nieuw wereldbeeld en die bezig is ook de beter opgevoede segmenten van de samenleving in te palmen. Soms voel ik me machteloos tegen deze massabeweging en kan ik alleen maar hopen dat de storm van redeloosheid voorbij zal razen. Maar ik denk dat we het feit onder ogen moeten zien dat vijandigheid tegenover de rede bezig is zich op te werken tot een filosofische machtspositie en dat het onwijs zou zijn de gevaren van deze situatie te onderschatten.
Lewis Thomas (1913-1993).
Amerikaanse schrijver-arts, kort voor zijn dood.
We kunnen niet begrijpen waar de weerstanden tegen het darwinistische wereldbeeld vandaan komen en waarom ze de normale groei van een wetenschappelijke psychologie blijven dwarsbomen, als we niet eerst de oorsprong van het anti-intellectualisme leren kennen.
Lewis Wolpert (° 1929).
Britse embryoloog en wetenschapshistoricus,
in 'The Unnatural Nature of Science' (1992).
Het loutere feit dat zoveel mensen tegenwoordig aan universiteiten studeren, of er aan 'wetenschappelijk onderzoek doen' of er lesgeven, wekt de valse indruk dat de wetenschappelijke manier van denken in onze cultuur gemeengoed is geworden. De waarheid is dat de overgrote meerderheid van mensen die in het bezit zijn van een universitair diploma, en een moeilijk te schatten maar zeker niet verwaarloosbaar percentage van degenen die aan universiteiten lesgeven, er geen vermoeden van hebben wat een wetenschappelijke benadering van de werkelijkheid eigenlijk inhoudt. Wat wij op alle onderwijsniveaus onder de naam van wetenschap aangeboden krijgen, zijn de levenloze producten van het wetenschappelijk denken.
Jan De Laender.
Vlaams psycholoog, in 'Het verdriet van Darwin' (Acco, Leuven, 2004).
Zou het te stoutmoedig zijn te veronderstellen dat in de grote tijdsperiode sinds het ontstaan van de aarde... alle warmbloedige dieren zijn voortgebracht door één levende lijn... die het vermogen bezit zichzelf door haar innerlijke werking te verbeteren en die daardoor talloze verbeteringen heeft geschapen en doorgegeven aan het nageslacht...?
Erasmus Darwin (1731-1802).
Arts en grootvader van Charles Darwin in 1794.
Wij moeten immer voor ogen houden dat het wetenschappelijk denken de beste gids is voor ons handelen; de wetenschappelijke waarheid is geen ideale waarheid die vrij is van gebreken, maar het is de enige waarheid die we als een betrouwbare leidsman kunnen volgen; en niemand kan nog langer ontkennen dat het wetenschappelijk denken meer is dan een nevenproduct van of een voorwaarde tot vooruitgang, het is de menselijke vooruitgang zelf.
William Clifford (1845-1879).
Brits wiskundige en wijsgeer.
Ik heb nog nooit een werk over natuurwetenschappen [bedoeld is 'The Origin of Species' van Charles Darwin; verschenen in 1859] gelezen dat zo'n overrompelende indruk op mij heeft gemaakt. Je werk, zo dunkt me, is in geen enkel opzicht voor verbetering vatbaar... Je kunt erop rekenen dat alle denkende mensen je blijvend dankbaar zullen zijn. En wat de straathonden betreft die zullen blaffen en janken, bedenk dat op zijn minst enkele van je vrienden over het soort vechtlust beschikken (waarvoor je hen vaak en terecht hebt berispt) dat je in dit geval van pas kan komen... Ik ben mijn klauwen en mijn snavel aan het scherpen.
Thomas Huxley (1825-1895).
Brits bioloog en filosoof in een brief aan Charles Darwin.
Ik zou professor Huxley enige uitleg willen vragen – hij zit hier vlakbij en zal me in stukken rijten zodra ik neerzit – over zijn overtuiging dat hij afstamt van een aap. Is het langs de zijde van zijn grootvader of die van zijn grootmoeder dat hij apen in zijn familie heeft?
Samuel Wilberforce (1805-1873).
Bisschop van Oxford.
Als u me de vraag stelt of ik liever een aap als grootvader zou hebben, dan een man die door de natuur begiftigd is met verstand en met het talent om mensen te beïnvloeden, maar die deze gaven misbruikt om een ernstige wetenschappelijke discussie te verlagen tot het niveau van een circus, dan aarzel ik geen moment: ik kies voor de aap.
Thomas Huxley (1825-1895).
Als reactie op Samuel Wilberforce.
Ik ben nog maar halverwege door uw boek geraakt [ bedoeld is 'The Origin of Species' van Charles Darwin ], niet door een gebrek aan goede wil, maar door gebrek aan tijd, want het is – als men het in zijn volle diepte wil begrijpen – het moeilijkste boek dat ik ooit heb gelezen; het zit zo boordevol feiten en gecomprimeerde redeneringen. [...] De logica van je redenering is onaantastbaar, maar het is allesbehalve makkelijk om haar volle betekenis te vatten.
Joseph Dalton Hooker (1817-1911).
Brits plantkundige in 1859.
Hoe langer ik mij in dit werk heb verdiept, hoe meer ik ben gaan geloven dat 'The Origin of Species' een van de moeilijkste boeken is voor al wie het in zijn volle betekenis wil begrijpen.
Thomas Huxley (1825-1895).
Brits bioloog en filosoof.
Wat de theorie van de natuurlijke selectie betreft, zal ik altijd op het standpunt blijven dat ze van u en alleen van u is. Jij had de theorie tot in de fijnste details uitgewerkt, jaren voor er bij mij een vage glimp doorbrak. Mijn artikel zou nooit iemand overtuigd hebben. In het beste geval zou men mijn ideeën beschouwd hebben als een interessante speculatie, terwijl uw boek een revolutie heeft ontketend in de studie van de Natuurlijke Historie en de beste intellecten van onze tijd heeft overtuigd.
Alfred Russel Wallace (1823-1913).
Brits dierkundige,
medeontdekker van de natuurlijke selectie in een brief aan Darwin.
Een individueel organisme, zoals een mens, is biologisch gezien alleen maar een tijdelijk vervoermiddel van DNA, een moleculaire machine waarvan DNA-moleculen zich bedienen om kopieën van zichzelf te maken.
Jan De Laender.
Vlaams psycholoog, in 'Het verdriet van Darwin' (Acco, Leuven, 2004).
Als ik heb geblunderd of als mijn werk onvolmaakt was en vooral als ik met misprijzen werd behandeld... is het mijn grootste troost geweest tot mezelf te zeggen: 'Je hebt zo hard gewerkt als je maar kon en niemand had meer kunnen doen.'
[ ... ]
Ik ben in staat hypothesen te verzinnen en ik beschik over een dosis gezond verstand en oordeelsvermogen, ongeveer in dezelfde mate als waarin een redelijk succesvolle advocaat of arts over zulke gaven moet beschikken, maar ook niet meer dan dat. [...] Alles samen twijfel ik er niet aan dat mijn werk keer op keer meer lof heeft gekregen dan het verdient.
Charles Darwin (1809-1882).
Engels bioloog in zijn autobiografie.
Ik heb altijd volgehouden dat, met uitzondering van echte dwazen, mensen niet zo erg van elkaar verschillen in denkvermogen, wél in werklust en doorzettingsvermogen; en ik geloof nog altijd dat dit verschil buitengewoon belangrijk is.
Charles Darwin (1809-1882).
Engels bioloog.
[Over de professoren anatomie uit zijn tijd]... als kraaien genesteld in hun hoge stoelen, en met krakende stemmen en mateloze eigenwaan dingen afdreunend die ze nooit hebben waargenomen, maar in boeken hebben gelezen en van buiten geleerd... Zo worden in deze scholen voortdurend dingen geleerd die niet waar zijn en dagen gaan verloren met het beantwoorden van dwaze vragen. En de verwarring die ontstaat, is zo groot dat de studenten minder weten dan wat de eerste de beste slager deze geleerde professoren zou kunnen tonen.
Andreas Vesalius (1514-1564).
Vlaams anatoom.
De grote kwaal van deze tijd is dat men dingen voor waarheden wil doen doorgaan die alleen maar zijn voortgekomen uit de fantasie van mensen, die alleen maar steunen op veronderstellingen en oppervlakkig geredeneer, en die in het geheel niet steunen op het getuigenis van onze zintuigen.
William Harvey (1578-1657).
Engels arts en ontdekker van de bloedsomloop in 1628.
Dat de dwazen een onoverwinnelijke meerderheid vormen, ligt vast tot het einde der tijden. De terreur van hun heerschappij wordt alleen maar verzacht door hun gebrek aan consistentie. Om zich goed te voelen in deze troep schapen, moet men in de eerste plaats zelf een schaap zijn.
Albert Einstein (1879-1955).
Duits-Amerikaans fysicus.
Ik geloof dat grote denkers alléén vliegen, zoals arenden, en niet in zwermen zoals de spreeuwen. Natuurlijk is het zo dat arenden zeldzaam zijn en men ze weinig ziet en nog minder hoort, terwijl spreeuwen de hemel vullen met hun geschreeuw en bovendien de aarde besmeuren met hun vuiligheid.
[...]
Ik hou vol dat de mening van de menigte minder waarde heeft dan die van een handvol uitzonderlijken, want het aantal mensen met een verwarde geest is altijd veel groter dan dat van degenen met een helder verstand. Als denken iets was als het sjouwen van een last, zou ik aanvaarden dat vele denkers meer succes moeten hebben dan een handvol... Maar denken lijkt meer op een wedren en één edel renpaard zal honderd brouwerspaarden ter plaatse laten.
Galileo Galilei (1564-1642).
Italiaans natuur- en sterrenkundige.
De biologische werken van Aristoteles zijn een vreemde en vermoeiende mengelmoes van volkspraatjes, slordige waarnemingen, wensdenken en lichtgelovigheid die soms aanzwelt tot echte onnozelheid.
Peter Medawar (1915-1987).
Brits hoogleraar dierkunde. Nobelprijs 1960.
In strijd met de opvatting van Darwin hebben psychologen altijd beklemtoond dat het gedrag van mensen niets te maken kan hebben met genetische programma's. Wij zijn cultuurwezens, wij leren wat wij doen. Het instinctgedrag van insecten of kreeften kan misschien wel berusten op genetische instructies in het zenuwstelsel van zulke dieren. Maar wij zijn mensen. Voor ons gelden heel andere wetten en die zijn niet biologisch van aard. Wij stellen geen instinctgedrag. Wat wij doen, hebben we geleerd. Ons gedrag wordt bepaald door opvoeding, cultuur en sociale leerprocessen.
Dit monumentale misverstand, deze radicale afwijzing van de biologie als basis voor het begrijpen van de mens, heeft de natuurlijke groei van een wetenschappelijke psychologie met meer dan een eeuw vertraagd.
Jan De Laender
Vlaams psycholoog, in 'Het verdriet van Darwin' (Acco, Leuven, 2004).
Als we kijken naar de sociale gewoonten van de thans levende mens en er rekening mee houden dat de meeste wilden polygaam zijn, lijkt het redelijk te veronderstellen dat mensen oorspronkelijk in kleine gemeenschappen leefden en dat elke man zoveel vrouwen had als hij kon onderhouden en bemachtigen en dat hij zijn vrouwen jaloers afschermde van de toenaderingspogingen van alle andere mannen. Of misschien leefde hij alleen met een aantal vrouwen, zoals de gorilla.
Charles Darwin (1809-1882).
Engels bioloog.
Eén ejaculaat bevat voldoende zaadcellen om alle vrouwen in de Verenigde Staten te bevruchten.
Edward Osborne Wilson (° 1929).
Amerikaans bioloog.
Bij alle menselijke gemeenschappen op aarde zijn mannen meer dan vrouwen geneigd te verlangen naar seks met een grote verscheidenheid van partners.
Alfred Kinsey (1894-1956).
Amerikaans zoöloog.
Enquêtes die mannen met vrouwen vergelijken in verschillende culturen, verspreid over heel de wereld, rapporteren keer op keer de volgende bevindingen: mannen zijn meer geïnteresseerd in buitenhuwelijkse seks dan vrouwen; ze zijn meer uit op een verscheidenheid van partners voor de verscheidenheid zelf; de motieven van vrouwen voor buitenhuwelijkse seks zijn vaker ontevredenheid over de bestaande relatie en/of een verlangen naar een nieuwe duurzame relatie; mannen zijn minder selectief in de keuze van een partner voor gelegenheidsseks.
Jared Diamond (° 1937).
Amerikaans bioloog en antropoloog.
De evolutie heeft ervoor gezorgd dat mensen zich voortplanten door in hun brein een geslachtsdrift te programmeren. Wij hebben geen voortplantingsdrift. Het volstond dat wij verlangden naar seks, want tot voor kort creëerde het stellen van seksueel gedrag automatisch voortplantingskansen. Maar enkele decennia geleden hebben mensen doeltreffende anticonceptiva uitgevonden. Onze geslachtsdrift volbrengt zijn oude taak en zorgt ervoor dat wij seksueel gedrag stellen. Maar omdat wij geen echte voortplantingsdrift hebben, willen wij niet dat seks altijd tot reproductie leidt. Daardoor zijn menselijke populaties die vrij en makkelijk kunnen beschikken over nieuwe anticonceptiva, overal op aarde aan het uitsterven. In vrijwel alle westerse landen liggen de geboortecijfers een stuk onder het zogenaamde vervangingspeil – het aantal kinderen per vrouw dat nodig is om de sterfte te compenseren. In rijke landen wordt de bevolking alleen maar op peil gehouden of groeit ze soms nog aan dankzij een toevloed van mensen uit andere delen van de wereld waar het gebruik van anticonceptiva nog niet verspreid is. De oude seksuele programma's die voor reproductie moesten zorgen, zijn door de verandering in ons milieu niet langer aangepast.
Jan De Laender.
Vlaams psycholoog, in 'Het verdriet van Darwin' (Acco, Leuven, 2004).
Ik ben ervan overtuigd dat onze huidige kennis van ons brein zo primitief is – ze bevindt zich ongeveer op het niveau van de humorentheorie zoals ze meer dan 17 eeuwen geleden door Galenus geformuleerd is – dat als we ooit tot een echt begrip van dit orgaan komen, ons zelfbeeld daardoor radicaal zal veranderen. Vele beweringen die nu nog altijd cultureel aanvaardbaar zijn, zullen dan gezien worden als de onzin die ze werkelijk zijn. Mensen die zich thuisvoelen in het domein van de kunst of dat van de humane wetenschap, blijven zichzelf wijsmaken dat, ondanks al de veranderingen die de technologie hun leven heeft doen ondergaan... wetenschap niets te maken heeft met wat hen het meest bezighoudt. Bij de huidige stand van onze wetenschappelijke kennis blijft die overtuiging gedeeltelijk verdedigbaar, maar de wetenschap van morgen zal hun zogenaamde cultuur met één schop van onder hun achterwerk trappen.
Francis Crick (1916-2004).
Medeontdekker van het dubbele schroefmodel van DNA.
Nobelprijs in 1962.
Biologen staan voor een simpele keuze: ze kunnen evolutionair denken of ze kunnen beslissen helemaal niet te denken.
Theodosius Dobzhansky (1900-1975).
Russisch geneticus.
Wat zijn studievoorwerp betreft moet de natuurkundige zich aan strenge beperkingen onderwerpen: hij moet er vrede mee nemen de meest eenvoudige verschijnselen te beschrijven die tot het domein van onze ervaring behoren; het menselijk intellect mist de kracht om complexere verschijnselen te reconstrueren met de subtiele precisie en de logische perfectie die de theoretische natuurkunde van haar beoefenaren eist. Opperste zuiverheid, helderheid en zekerheid kan men slechts bereiken ten koste van onvolledigheid.
Albert Einstein (1879-1955).
Duits-Amerikaans fysicus.
Dieren hebben minder remmingen dan mensen tegenover hun soortgenoten. Chimpansees vechten omdat ze de baas willen zijn of het territorium van anderen willen inpikken. Dieren vechten met de instrumenten die de natuur hun heeft aangereikt: horens, slagtanden, klauwen. Op het moment dat de zwakste van de twee voelt dat hij het onderspit delft, treedt zijn remreflex in werking. Dat bestaat meestal uit een onderdanigheidritueel. Met symbolisch gedrag maakt hij de ander duidelijk dat het voor hem genoeg is geweest en dat hij zich overgeeft. De wolf gaat op zijn rug liggen en spartelt met zijn poten, alsof hij een jong spelend wolfje was. De tijger draait zijn kop om zodat je zijn tanden niet meer ziet en biedt de tegenstander zijn slagader aan. Dan stopt het gevecht. Als er een dode valt, is het bijna altijd per ongeluk. De meeste hogere zoogdieren doden geen soortgenoten.
Mensen hebben nog ingebouwde remreflexen, maar we zijn er in de loop van de evolutie ook kwijtgeraakt. Dat komt ten eerste door de menselijke emoties, waar dieren geen last van hebben: haat, jaloezie, hebzucht, bezitsdrang. Ten tweede door onze woordenschat. We doden soortgenoten omdat we zo agressief kunnen worden door het woord als wapen.
De chimpansees zijn de enige dieren die systematisch soortgenoten doden: ze vormen coalities om de baas te vermoorden en zelf baas te worden of ze moorden de buren uit om hun territorium te kunnen inpikken. Wat een herkenbaar gedrag voor ons. Niet voor niets dat 98,4 procent van ons genetisch materiaal met dat van hen overeenkomt.
Mensen verzoenen zich niet zo vaak omdat we onze emoties niet kunnen verwerken. Omdat we last hebben van wraak, haat, trots. Dat kennen dieren niet. Wij hebben woorden gehad en daarom spreken we niet meer met elkaar, zeggen mensen. Het zijn de woorden die ons zo diep gekwetst hebben, het zijn schrammen op onze ziel. En omdat we een schitterend geheugen voor trauma's hebben. Jaren later kunnen mensen nog letterlijk herhalen wat er gezegd is.
Nog een reden is het gebrek aan een bemiddelaar. Dat heeft de chimpanseegemeenschap wel. De lijm die hun gemeenschap bij elkaar houdt, is het vlooien. Het heeft een kalmerend effect op de dieren. Als twee chimpansees ruzie hebben, is er altijd een vrouwelijke aap die bemiddelt. Die vlooit eerst de twee vijanden en trekt zich dan terug, zodat de vijanden op den duur elkaar vlooien en de strijd is bijgelegd. Dieren verzoenen zich omdat ze in zo'n kleine gemeenschap moeten verder leven. Als ze zich niet verzoenen, kunnen ze niet overleven.
Jef Vermassen.
Vlaams assisenpleiter,
in 'De Standaard',
auteur van 'Moordenaars en hun motieven' (Meulenhoff/Manteau, 2004).
Moord is iets typisch mannelijks omdat mannen anders in elkaar zitten dan vrouwen. Om te beginnen op hormonaal vlak. Als vrouwen doden, zullen ze eerder gif of slaappillen gebruiken. Fysiek geweld schuwen ze. Vrouwen hebben ook niet de behoefte om hun macht te meten, ze lossen conflicten anders op. Een vrouw draagt het leven, geeft het door, staat op geestelijk en emotioneel vlak heel anders tegenover leven en macht. Als de vrouwen baas waren, dan hadden we veel minder oorlogen, daar ben ik voor honderd procent zeker van. De bonobo's bewijzen dat. Bij hen zijn de vrouwtjes aan de macht. In ruil daarvoor krijgt de man de vrije liefde. Het is dan ook een geweldloze maatschappij.
Jef Vermassen.
Vlaams assisenpleiter,
in 'De Standaard',
auteur van 'Moordenaars en hun motieven' (Meulenhoff/Manteau, 2004).
Er zijn voldoende grondstoffen op aarde om in de behoeften van iedereen te voorzien. Maar niet genoeg om de hebzucht van iedereen te bevredigen.
Mohandas Gandhi (1869-1948).
Indisch volksleider.
Het milieu is zeer belangrijk voor de vrede, want als we onze natuurlijke rijkdommen vernielen en de hulpmiddelen schaars worden, gaan we erom vechten.
Wangari Maathai (° 1940).
Biologe en Nobelprijs voor de vrede 2004.
Hoogst nuttig is de geschiedenis van de filosofie, en landen waar zij niet een verplicht leervak op de middelbare scholen en universiteiten is, zijn diep te beklagen. Geen algemeen menselijke dwaling, geen soort van wishful thinking, geen drogreden of dwangneurotisch taalgebruik, die niet in de geschiedenis van de filosofie met duidelijke specimina vertegenwoordigd wordt. En juist dat deze dwalingen en cirkelredeneringen in een of andere vorm voortdurend terugkeren, maakt de geschiedenis van de filosofie, voor wie kritisch leest, zo vruchtbaar. Denkt u een oorspronkelijk idee te hebben? Maakt een politicus u wijs dat hij het geneesmiddel voor alle kwalen bezit, verkondigt een ideoloog dat hij de wereldraadsels heeft opgelost? Tien tegen een dat een ander hem twintig, tweehonderd of tweeduizend jaar voor is geweest.
Willem Frederik Hermans
Nederlands schrijver,
in 'Wittgenstein' (De Bezige Bij, Amsterdam, 1990)
In vergelijking met de middelbare school leert een mens op de universiteit eigenlijk maar erg weinig. Meer aanzien verschaft de academie wel.
Willem Frederik Hermans
Nederlands schrijver,
in 'Wittgenstein' (De Bezige Bij, Amsterdam, 1990)
Dat onze zonen bleek en mager zijn, dat ze een smalle en misvormde borstkas hebben, dat hun zenuwstelsel al te vroeg vermoeid en gedeprimeerd is... wat doet het ertoe, als ze maar het door de routine vastgestelde aantal Griekse en Latijnse verzen tot zich hebben genomen.
Emile Spehl.
Hoogleraar ULB in 1907.
In cauda venenum – het venijn zit in de staart.