
Aantonen dat beide ogen noodzakelijk zijn voor een goed dieptezicht.
Kleine oogvijs, houten blokje, grote nagel.
Vijs de oogvijs in het houten blokje en zet dit blokje met de vijskant naar je toegekeerd
op tafel (je mag het oog van de vijs niet zien). Neem als afstand ongeveer een armlengte.
Sluit nu één oog en probeer in één beweging de nagel door het oog van de vijs te steken.
Probeer vervolgens hetzelfde met beide ogen geopend.
Het is veel gemakkelijker de nagel door het oog van de vijs te steken met beide ogen
geopend.
In het experiment “Twee ogen = twee ≠ beelden”hebben we aangetoond dat onze ogen
een voorwerp onder een iets verschillende hoek zien. De hersenen maken gebruik van
deze
informatie
om ons een idee te geven van de
afstand
waarop het
voorwerp zich
bevindt. Deze mogelijkheid van dieptezicht ontwikkelt zich reeds vroeg in de kindertijd.
Wanneer wij één oog sluiten krijgen de hersenen deze bijkomende informatie niet, zodat
wij het veel moeilijker hebben om afstanden te schatten.
Bolletje papier, bekertje, partner
Voor dit experiment is je partner de proefpersoon. Ga beiden aan het uiteinde van een
tafel zitten. Zet op een 60 cm van je partner een bekertje en vraag hem één oog te sluiten.
Neem het propje papier tussen duim en wijsvinger en beweeg het ongeveer 50 cm boven
de tafel (en het bekertje) over en weer. Vraag aan je partner “JA”te zeggen wanneer hij
denkt
dat
je het propje boven het
bekertje
houdt. Op dat ogenblik laat je het propje
vallen. Herhaal dit enkele malen terwijl je partner nu eens het ene, dan weer het andere
oog sluit.
Herneem het experiment, maar nu mag je proefpersoon beide ogen open houden.
Je partner heeft een beter dieptezicht met beide ogen geopend.