KERNACHTIGE UITSPRAKEN - REEKS 6
Het blinde
geloof in pseudo-wetenschappen is des te merkwaardiger omdat in onze
hoogtechnologische samenleving wetenschappelijke verklaringen tussen oorzaak en
gevolg in principe voortdurend voorhanden zijn. Het is alsof veel mensen een
tegenwicht nodig hebben en daardoor in sferen van bijgeloof terechtkomen. Het
is verbijsterend wat mensen allemaal voor waar aannemen.
Andreas De Leenheer.
Rector Universiteit Gent.
Volgens een
steekproef kampt 43 procent van de ondervraagde Belgen met gewichtsproblemen.
Overgewicht wordt gemeten aan de hand van de 'Body Mass-index' (BMI: het
lichaamsgewicht gedeeld door het kwadraat van de lichaamslengte). 23 procent
lijdt aan overgewicht (BMI tussen 25 en 30), 20 procent is echt zwaarlijvig
(BMI boven 30). Slechts 24 procent van de ondervraagden is zich bewust van het
gevaar van overgewicht op de gezondheid, terwijl 73 procent van oordeel is dat
hij of zij gezond eet.
Naar aanleiding van een enquête
en geciteerd door Paul Tobback,
hoogleraar voedingstechnologie KU Leuven.
De
cellulaire oorsprong geldt voor alles wat leeft.
Théodore Schwann (1810-1882).
Duits-Belgisch hoogleraar anatomie.
Professor
Hans von Winiwarter heeft het aantal chromosomen in de cellen van de vrouw en
van de man kunnen tellen [
gedaan in 1912... ] .
De vrouw bezit 48 chromosomen en de man 47.
Paul Brien.
Hoogleraar biologie ULB (Brussel),
in 'La Signification biologique de l'Education' (1931).
De
opvoeding schept niets. Zij bevordert de mogelijkheden die in de bevruchte
eicel besloten liggen.
Paul Brien.
Hoogleraar biologie ULB (Brussel),
in 'La Signification biologique de l'Education' (1931).
Door
oefening wordt een orgaan ontwikkeld en wordt het soepeler en krachtiger
gemaakt, maar daardoor wordt het erfelijk patrimonium van het organisme niet
gewijzigd. Een bokser draagt zijn sterk ontwikkelde bicepsspieren niet over aan
zijn kind en dat zal dus ook niet als een bokser geboren worden. Men kent
totnogtoe geen enkel geval van het overerven van de resultaten van oefeningen.
Nu is opvoeding een oefening. Opvoeding kan leiden tot het ontwikkelen en
maximaal bevorderen van de mogelijkheden van de hersenen. Door de opvoeding
worden ze krachtiger en meer wendbaar, maar deze wendbaarheid, deze kracht zal
niet toegenomen zijn bij de nakomelingen. Die zullen van hun voorouders alleen
de mogelijkheid erven om hun kwaliteiten door dezelfde oefening te ontwikkelen.
Paul Brien.
Hoogleraar biologie ULB (Brussel),
in 'La Signification biologique de l'Education' (1931).
De school
met gemengd onderwijs biedt ongetwijfeld voordelen, want zowel meisjes als
jongens leren elkaar beter kennen, waardoor ze elkaar ook beter leren begrijpen
en zich beter kunnen voorbereiden om samen te leven. Maar het is toch ook waar
dat de twee geslachten elk een opvoeding moeten krijgen die aangepast is aan
hun verschillende mogelijkheden: van een jongen meer en meer een man maken, en
van een meisje meer en meer een vrouw. Deze selectieve opvoeding vermindert op
geen enkele manier de waarde van de vrouw. De vrouw is verschillend van de man,
ze is daarom niet minderwaardig. Ze is anders en haar opdracht is ook
verschillend zonder daarom minder belangrijk te zijn, wel integendeel!
Een
uniforme opvoeding van de twee geslachten zou volgens mij een fout zijn; ze zou
hun respectieve kwaliteiten verdoezelen. De kans bestaat een sociale vergissing
te begaan. Laten we de vrouw volgens haar kwaliteiten emanciperen, haar
geschiktheden als vrouw zoals het past de man te emanciperen volgens zijn
mogelijkheden en zijn noden als man.
Paul Brien.
Hoogleraar biologie ULB (Brussel),
in 'La Signification biologique de l'Education' (1931).
Ik zou nog
veeleer heel mijn boek [
bedoeld is 'Over het ontstaan van de soorten door natuurlijke selectie' ] verbranden, dan dat hij [ Alfred Wallace ] of iemand anders zou denken dat ik mij kleingeestig zou
aangesteld hebben [
om niet te aanvaarden dat ook Alfred Wallace de selectietheorie had voorgesteld
] .
Charles Darwin (1809-1882).
Engels natuuronderzoeker.
Man en
vrouw samen vormen pas een gehele mens.
Immanuel Kant (1724-1804).
Duits wijsgeer.
Onbekend
voor de meeste universitaire faculteiten... is de grote massa van recent
onderzoek gedaan door opvoedkundigen en cognitieve psychologen en
wetenschappers over de manier waarop mensen leren.
Science Magazine, 19 december 2003.
Het huidige
tempo waarin dieren uitsterven, ligt door toedoen van de mens wellicht honderd
keer hoger dan normaal en is het hoogste ooit in de geschiedenis, natuurrampen
buiten beschouwing gelaten.
Phil Rainbow.
Brits hoogleraar dierkunde en museumcurator.
Als je
bedreigde diersoorten wil bewaren [ door met het project 'Bevroren Ark' DNA-stalen te bevriezen ], moet je eerder op hun omgeving dan op het DNA focussen. Zelfs
als de dieren zouden worden gekloond, hebben ze geen overlevingskans zonder hun
habitat. Wij zijn niet tegen het idee van de Bevroren Ark, maar het is niet de
beste manier om diersoorten van de ondergang te redden.
Roger Hidgman.
Vrienden van de Aarde.
Iedereen
gaat naar de universiteit en toch zijn velen platvloerse materialisten. Terwijl
ik altijd had gedacht dat het onderwijs de mensen op een hoger niveau zou
tillen.
Ulrich Libbrecht.
Hoogleraar em. sinologie en filosoof KU Leuven.
Veel
bezoekers aan de school voor comparatieve filosofie die ik oprichtte, zijn wetenschappers.
Ze zijn op zoek naar een completering van hun leven dat ze als hol ervaren.
Ulrich Libbrecht.
Hoogleraar em. sinologie en filosoof KU Leuven.
Een andere
manier waarop leerkrachten hun verantwoordelijkheid voor het vastleggen van de
inhoud van hun onderwijs uit de weg gaan, is het propageren van de slogan dat
het de functie is van de school om 'de leerlingen te leren hoe ze moeten
denken – niet wat ze moeten denken'. Deze slogan geeft een valse
tweespalt aan, aangezien de twee functies op geen enkele manier elkaar
wederzijds uitsluiten. Eigenlijk kan, zoals we hierboven aangetoond hebben [ bedoeld is in het boek ], de overdacht van leerstof als de meer primaire functie van de
school beschouwd worden.
Het
grootste deel van het denken dat in de school plaatsvindt en dat ook zou moeten
doen, is aanvullend bij het proces van het ontvangend leren. Dit wil zeggen dat
het dan moet gaan over leerlingen die de leerstofinhoud op een meer actieve,
integrerende en kritische manier moeten assimileren. De ontwikkeling van het
denken of het probleemoplossend vermogen kan natuurlijk wel op zichzelf
beschouwd worden als een doelstelling van het onderwijs, alhoewel dat toch een
minder belangrijk leerdoel is dan het leren van leerstof en trouwens ook maar gedeeltelijk
te leren is. Onder geen enkel beding is het een gepast vervangingsmiddel voor
het ontvangend leren of een geschikt primair middel om de kennis van leerstof
over te brengen.
David P. Ausubel (° 1918).
Amerikaans leerpsycholoog,
in 'The Acquisition and Retention of Knowledge'.
Vaardigheden
worden meer en meer uitgespeeld tegen (feiten)kennis. Het verwerven van
'vaardigheden' vervangt meer en meer het opdoen van kennis, terwijl
vaardigheden alleen te verwerven zijn op basis van kennis. Vaardigheden vragen
om inhouden. Informatie wordt meer en meer uitgespeeld tegen kennis. Nog nooit
was zoveel informatie beschikbaar, maar de beschikbaarheid blijft leeg,
virtueel: het medium is onmisbaar geworden, niet wat je ermee oproept. Het
probleem is dat je met informatie (met de omgevallen labyrintische
wereldbibliotheek van internet bijvoorbeeld) niets kunt doen als je die
informatie niet kunt plaatsen in een context, een referentiekader: als je met
andere woorden die informatie niet kritisch kunt duiden. [...]
In het verlengde hiervan wil ik nog iets zeggen over de 'leren leren'-ideologie
die de pedagogie onveilig maakt: we moeten meer en meer leren hoe aan
informatie te geraken, heet het, maar de kennis zelf moeten we minder en minder
bezitten. De 'leren leren'-ideologie is die van de markt: in de overdaad van
snel verouderde gegevens moeten werknemers het relevante materiaal weten te
vinden; informatie heeft slechts actuele waarde. Kennis an sich, eruditie is in
die mentaliteit uit den boze, want overbodig en nutteloos.
Luc Devoldere.
Hoofdredacteur 'Ons Erfdeel',
in 'Nova et Vetera'.
Maar toch
blijven renners slikken en spuiten. Ze kunnen niet anders, als ze willen
blijven meedingen. Je moet er niet aan denken dat je zoon ooit wielrenner wil
worden. Dit is geen sport meer, maar een aanslag op de gezondheid.
Francis Coucke.
Endocrinoloog,
in 'De Standaard'.
Wat een
schrijver moet doen, is aan de cultuur waartoe hij behoort méér teruggeven dan
dat hij ervan ontvangen heeft in zijn opvoeding. Dat is voor mij de norm. Als
ik niet zou hebben bijgedragen aan de Spaanse literatuur, zou mijn bestaan of
niet-bestaan er helemaal niet toe doen. Het is die bijdrage die telt. Alleen,
het is niet aan de auteur zelf om dit uit te maken. Dat doet het nageslacht.
Juan Goytisolo.
Spaanse auteur.
Karakter is
belangrijker dan intellect.
Ralph Waldo Emerson (1803-1882).
Amerikaans wijsgeer.
Het geluk [bij het wetenschappelijk onderzoek] bevoordeelt alleen de goed voorbereide geesten.
Louis Pasteur (1822-1895).
Frans bacterioloog.
In de
natuurwetenschappen kan de waarheid niet verdoken blijven, ik beroep mij dus op
de tijd.
Carolus Linnaeus (1707-1778).
Zweeds natuuronderzoeker.
Als men
vandaag de dag over wetenschappelijke navorsing hoort spreken, dan krijgt men
negen van de tien keer een pleidooi te horen over de noodzaak om het
wetenschappelijk onderzoek in dienst te stellen van de industrie en de
economie. Dat wij inderdaad op de natuurwetenschappen een beroep dienen te doen
om ons economisch bedrijf weer op gang te brengen, zal niemand loochenen. [...]
Maar dit eenzijdig beklemtonen van de dienende functie van de wetenschap ten
overstaan van de economie heeft het grote nadeel een ander aspect van het
wetenschappelijk onderzoek in de schaduw te laten. Naar hun diepere wezen en
hun oorspronkelijke inspiratie hebben de natuurwetenschappen een ander doel dan
het bevorderen van het productieproces. Wat zij op de eerste plaats beogen is
ons een inzicht te verschaffen in de diepere structuur van de werkelijkheid om
daaruit wijsheid te puren voor de ordening van ons leven. Anders uitgedrukt:
zij willen een bijdrage leveren tot het begrijpen van onszelf en van de wereld
waarvan wij deel uitmaken.
Max Wildiers (1904-1996) in 1979.
Kapucijn, theoloog en cultuurfilosoof.
Mijn
definitie van intelligentie is nu: 'een biopsychologisch potentieel om
informatie te verwerken, dat in werking kan worden gesteld in een culturele
situatie om problemen op te lossen of producten te scheppen die van waarde zijn
in een cultuur'.
Howard Gardner.
Neuropsycholoog,
in 'Soorten intelligentie'
(Uitgeverij Nieuwezijds, Amsterdam, 2002).
Intelligentie
is wat de test meet.
Edwin G. Boring (1886-1968).
Hoogleraar psychologie.
Net zoals
de meeste gewone kinderen met gemak op vroege leeftijd een taal leren, zijn de
meeste kinderen gedisponeerd om de wereld der natuur te verkennen. De
populariteit van dinosaurussen onder vijfjarigen is geen toeval! Er zijn echter
bepaalde kinderen die onmiskenbaar een uitgesproken belangstelling voor de
wereld der natuur vertonen, plus bijzondere capaciteiten om vele onderscheiden
te identificeren en te gebruiken. Biografieën van biologen maken meestal
melding van een vroege fascinatie voor planten en dieren en een enthousiasme om
ze te identificeren, te classificeren en ermee om te gaan; Darwin, Gould en
Wilson zijn slechts de bekendste leden van deze cohorte. Het is interessant dat
deze patronen zich niet voordoen in de levens van natuurkundigen die, als kind,
vaker de zichtbare manifestaties onderzoeken van onzichtbare krachten (zoals de
zwaartekracht en elektriciteit) of spelen met wiskundige of mechanische
systemen. En daarmee vergelijkbaar, houden sociale wetenschappers zich in hun
jeugd meer bezig met verbale activiteiten, lezen ze non-fictie of zoeken
contact met andere mensen.
Howard Gardner.
Neuropsycholoog,
in 'Soorten intelligentie'
(Uitgeverij Nieuwezijds, Amsterdam, 2002).
Als psycholoog
met respect voor het gezonde verstand, onderstreep ik het belang van de mentale
processen die optreden tijdens de opname en transformatie van kennis. Maar
vanuit het standpunt van de leraar en de leerlingen zijn de fysieke processen
die in het hoofd of het brein optreden verre van helder en, strikt gesproken,
zijn ze irrelevant voor hun pedagogische taken. Wanneer het daarentegen op
inzicht aankomt, ligt de nadruk juist op demonstraties daarvan die kunnen
worden waargenomen, bekritiseerd en verbeterd. We zijn niet geïnteresseerd
in het raffinement van het mentale proces als dit niet geactiveerd kan worden
wanneer men het nodig heeft. En terwijl het niet waarschijnlijk is dat er
prestaties van hoge kwaliteit worden geleverd zonder dat er sprake is van
de juiste complexe mentale processen, kunnen dergelijke demonstraties voortkomen
uit een variëteit aan cognitieve systemen die verder reiken dan situaties
en individuen.
Dus wanneer
het gaat om het meten van het inzicht van een leerling in de evolutie [ van de organismen ], kijkt een slimme onderwijskundige verder dan diens beheersing
van woordenboekdefinities of diens vermogen voorbeelden uit zijn boek op te
lepelen. Een leerling past zijn inzicht toe of 'demonstreert' het wanneer hij
een scala aan soorten die in verschillende ecologische plekken zijn gevonden,
kan onderzoeken en kan speculeren over de oorzaken van hun speciale kenmerken,
of wanneer hij de overeenkomsten en verschillen tussen de malthusiaanse,
darwinistische en sociaal-darwinistische versies van de 'survival of the
fittest' kan beschrijven.
Howard Gardner.
Neuropsycholoog,
in 'Soorten intelligentie'
(Uitgeverij Nieuwezijds, Amsterdam, 2002).
Dankzij
honderden onderzoeken van cognitief georiënteerde psychologen in de afgelopen
decennia, weten we nu een feit over inzicht: de meeste leerlingen op de meeste
scholen – velen van de beste leerlingen op de beste scholen zelfs –
kunnen geen waarneembaar inzicht in belangrijke ideeën laten zien. De meest
dramatische resultaten kwamen aan het licht op het gebied van de natuurkunde.
Leerlingen die de hoogste cijfers halen op de middelbare school en op de
universiteit, kunnen niet alleen de kennis die ze verondersteld worden te
beheersen niet toepassen, maar, zelfs nog erger, ze neigen naar antwoorden op
de manier van kleine kinderen – op een manier die de kwalificatie
'ongeschoold' verdient. In dergelijk onderzoek worden de leerlingen buiten de
context van school gevraagd om de krachten te verklaren die worden uitgeoefend
op een munt die wordt opgegooid, naar de redenen voor temperatuurverschillen in
zomer en winter, of om het traject van een bolletje dat door een buis wordt geschoten
te beredeneren. Het is verrassend dat leerlingen terugvallen op dezelfde
antwoorden die kinderen geven die nog nooit van natuurkunde hebben gehoord.
Kwamen deze
problemen maar alleen voor bij natuurkunde! De misvattingen van studenten komen
in alle wetenschappen veelvuldig voor. Wat de evolutie [ van de organismen ] betreft neigen studenten bijvoorbeeld bijna onontkoombaar naar
een teleologische visie en het standpunt van volmaakbaarheid. Dus hoewel de
evolutie bestaat uit willekeurige mutaties die geen
vastgesteld scenario volgen, beschrijven de meeste studenten de evolutie alsof
deze wordt gestuurd door een onzichtbare hand en iedere nieuwe soort in enig
opzicht perfecter is dan de voorgaande, en het hoogtepunt van de evolutie
wonderbaarlijk samenvalt met onze soort in onze tijd. Dergelijke misvattingen
duiken op in natuurkunde, biologie, geologie, astronomie en andere
wetenschappen.
Howard Gardner.
Neuropsycholoog,
in 'Soorten intelligentie'
(Uitgeverij Nieuwezijds, Amsterdam, 2002).
Toch kan een
op de 'Meervoudige Intelligentie-theorie' gebaseerde methode van groot nut
zijn. Ten eerste worden er essentiële vragen gesteld: Waarom bepaalde
onderwerpen onderwijzen? Wat zullen leerlingen opnemen? Veel van wat er
onderwezen wordt beklijft door gewoonte; het is zinvol minder onderwerpen te
leren en ze diepgaander te behandelen. De benadering maakt het ook mogelijk om
leerstof te relateren aan een paar centrale onderwerpen – zoals de
evolutie bij biologie, de holocaust bij geschiedenis, energie bij natuurkunde
of het karakter in de literatuur – en onderwerpen links te laten liggen
die niet logisch in verband gebracht kunnen worden met krachtige thema's.
Howard Gardner, neuropsycholoog,
in 'Soorten intelligentie. Meervoudige intelligenties voor de 21ste eeuw'
(Uitgeverij Nieuwezijds, Amsterdam, 2002).
An apple
every day, keep the doctor away.
Elke dag
een appel eten, zal de dokter in zijn rijkdom weten.
Two apples
a day, keep the infarctus away.
Elke dag
twee appels eten, daarmee kan het infarct zich niet meten.
Mange un
pomme en te couchant, tu fais du docteur un mendiant.
Voor het
slapen één appel maar, maakt de dokter tot bedelaar.
Een appel
en een brood, maken de wangen rood.
Het vraagt
meer calorieën om een appel te eten dan dat het stuk fruit bezat als je ermee
begon.
100 gram
appel bevat ongeveer 5,7 milligram vitamine C. Uit proeven blijkt echter dat
het oxidatief effect, d.w.z. de bescherming tegen vrije radicalen, van 100 gram
appel overeenkomt met ongeveer 1.500 milligram vitamine C. Het oxidatief effect
van appel is dus vele malen groter dan dat van een vergelijkbare hoeveelheid
vitamine C. Waarom zou men nog vitamine C willen innemen als het effect van een
simpel stuk fruit zoveel sterker is?
Marina Goris.
Hoogleraar kinesiologie KU Leuven,
in 'Gezondheidsbrief van de Universitaire Ziekenhuizen KU Leuven'.
De Deense
overheid kantte zich recent tegen het zogenaamd 'verrijken' van een aantal
voedingsmiddelen met vitaminen. Ook in ons land zijn de eerste waarschuwende
signalen tegen een te grote opname van vitaminen gelanceerd. Tekorten aan
vitaminen zijn immers erg zeldzaam bij mensen die gezond eten. Een teveel aan
vitaminen kan bovendien tot behoorlijk vervelende ongemakken leiden, zoals
diarree, misselijkheid, vermoeidheid, botpijn, leverbeschadiging,
gevoelsstoornissen en tanderosie en kan soms fataal zijn. Gelijkaardige vragen
kunnen gesteld worden over de mineralen.
Marina Goris.
Hoogleraar kinesiologie KU Leuven,
in 'Gezondheidsbrief van de Universitaire Ziekenhuizen KU Leuven'.
De
menselijke soort is deze eeuw sterk in omvang toegenomen. Momenteel
vertegenwoordigt ze een grotere biomassa dan om het even welke diersoort, nl.
100 miljoen ton droog gewicht. Er zijn in 1990 ca. 5,2 miljard mensen. Dit is
veel. [ In 2004 ongeveer 6,4 miljard
mensen, d.i. 123 miljoen ton droge massa. ] [...] Een verdere toename is onvermijdelijk omdat een groot deel van
deze bevolking uit jonge mensen bestaat (in sommige landen is 50 % van de
bevolking jonger dan 15 jaar). [...]
Voor het voeden van de wereldbevolking in 2000 op het peil van de ontwikkelde
landen nu, dient de voedselproductie in de wereld over de periode 1980-2000 met
75 % te stijgen.
Aviel Verbruggen.
Hoogleraar milieueconomie, universiteit Antwerpen,
in 'Het geluk voorbij' (1991).
Nu bedraagt
de concentratie koolstofdioxide in de atmosfeer ongeveer 375 ppm [ parts per million, overeenkomend met 0,0375 volume-procent ]. Jaarlijks stoten we zeven miljard ton van het gas uit. Als we
zo doorgaan, met een groeiende wereldbevolking en een stijgende
energieconsumptie, stoten we in het jaar 2054 veertien miljard ton uit; het
dubbele van nu. Om die verdubbeling tegen te gaan, moet dus een uitstoot van
zeven miljard ton koolstofdioxide per jaar voorkomen worden. En dat is mogelijk
met de technologieën waarover we vandaag beschikken.
Kim De Rijck.
Wetenschapsjournaliste, in 'De Standaard' (13.08.2004).
Lange
mannen worden in verband gebracht met een hoger niveau van mannelijke hormonen,
testosteron, en een dominantere persoonlijkheid. In de geschiedenis van de
Verenigde Staten zijn er maar drie presidenten geweest die kleiner waren dan
het nationale gemiddelde en sommigen, zoals Abraham Lincoln, torenden boven hun
tijdgenoten uit. Dezelfde associatie is terug te vinden op Wall Street waar
elke centimeter in lengte boven de norm een extra zeshonderd dollar in
maandsalaris scheelt. Zelfs aan universiteiten, waar het personeel aangesteld
zou moeten worden op basis van het feit dat ze op academisch niveau boven
anderen uitstijgen, zien we dat wetenschappelijk medewerkers 3 centimeter
langer zijn dan het nationale gemiddelde, universitaire hoofddocenten 3,81
centimeter, en hoogleraren zijn zelfs 4,93 centimeter langer dan de gemiddelde
persoon voor hun leeftijd en geslacht.
Peter Collett.
Engels psycholoog,
in 'De verborgen boodschap' (Bruna Uitgevers, 2003).
De
pasgeborene van vandaag is de pasgeborene van 30.000 tot 40.000 jaar geleden,
toen hij geboren werd in een veilige grot in de tijd van de holenmens. De mens
is niet veranderd. De gemeenschap verandert hem oppervlakkig, niet in de
diepte.
Pierre-Paul Grassé (1895-1985).
Frans zoöloog.
Terwijl
dieren zich aanpassen aan de wereld om te overleven, veranderen mensen de
wereld teneinde méér te zijn.
Paulo Freire (1921-1979).
Braziliaans pedagoog.
Voorheen
was school belangrijk, het gold als een belangrijke opstap naar een
vervolgopleiding en maatschappelijke carrière. Nu doet de televisie je [...]
geloven dat kennis en enige culturele bagage je niets opleveren, en de domste
opdrachten uitvoeren wel.
Pierre Mérot (° 1959).
Frans auteur.
Speelse
verbeelding hoort naast geduldig en systematisch experiment; samen maken ze de
natuurfilosoof [
oudere naam voor een wetenschapsbeoefenaar ] tot een veroveraar, tot meer dan een toeschouwer, tot de werkbij
die omvormt wat ze verzamelt.
Denis Diderot (1713-1784).
Frans schrijver,
in 'De l'interprétation de la nature' (1753).
De vrouw is
niet vrouw in slechts een deel van haar lichaam, maar in haar geheel.
Pierre Roussel (1742-1802).
Franse arts en filosoof,
in 'Fysiek en moreel systeem van de vrouw,
of filosofisch overzicht van de lichaamsgesteldheid,
de aard van de organen, de gemoedsgesteldheid,
de redelijke gewoonten en de functies eigen aan haar sekse' (1755).
De zin van
het bestaan is de instandhouding van de soort, zei de vroedvrouw.
Denk aleer
jij doende zijt, en doende denk dan nog.
Guido Gezelle (1830-1899).
Vlaams priester-dichter.
Gemiddeld
zijn er per dag twaalf pasgeborenen die aan de verkeerde ouders gegeven worden.
Elke
persoon heeft een unieke tongafdruk.
Om de darm
goed te ledigen, moet je hem goed vullen.
Ons voedsel
moet voldoende vezels bevatten; dit is het geval als de stoelgang blijft
drijven in de toiletpot.
Etienne Joosten.
Hoogleraar interne geneeskunde K.U. Leuven.
Het gevoel
van geïmponeerde verwondering dat de natuurwetenschap ons kan geven, is een van
de opperste ervaringen waartoe de menselijk geest in staat is. Het is een
diepgaande esthetische emotie die op één lijn staat met het mooiste dat muziek
en poëzie kunnen verschaffen.
Richard Dawkins (° 1941).
Brits zoöloog.
Menige dag
heb ik mijn werktijd doorgebracht met wetenschappers en de avond met mijn
literaire collega's. Ik bedoel dat letterlijk. Ik heb natuurlijk intieme
vrienden onder zowel schrijvers als wetenschappers gehad. En door met beide
groepen om te gaan, en meer nog, denk ik, door heen en weer te gaan tussen
beide groepen, kreeg ik te maken met het probleem dat ik voor mezelf 'de twee
culturen' heb gedoopt. [...] Tussen deze beide groepen – de wetenschappers en de
literaire intellectuelen – is weinig communicatie, in plaats van
collegialiteit meer iets van vijandigheid.
Charles Percy Snow (1905-1980).
Schrijver en natuurkundige,
in 'De twee culturen en de wetenschappelijke revolutie'.
De ware
mannen van de daad, degenen die de wereld veranderen, zijn in onze tijd niet de
politici en staatslieden, maar de natuurwetenschappers. Helaas kan de poëzie
hen niet bezingen, omdat hun daden te maken hebben met dingen, niet met mensen,
en dus geen stem hebben. Als ik in gezelschap van wetenschapslieden verkeer,
voel ik me als een sjofele onderpastoor die per ongeluk in een salon vol
hertogen verzeild is geraakt.
Wystan Hugh Auden (1907-1973).
Amerikaans dichter.
Insecten
worden beschouwd als onbenullige, vervelende en schadelijke ziekteverwekkers.
Maar men vergeet dat ze ook de hoogst ontwikkelde invertebraten zijn. Een goed
begrip van op insecten gebaseerde modelsystemen leert daarom ook veel over het
functioneren van hogere dieren, inclusief de mens.
Roger Huybrechts.
Hoogleraar dierenfysiologie KU Leuven.
[ Over de mieren en hun nest ] Hunne wonderbare nesten; hunne gebouwen die in verhouding tot
hunne grootte hooger zijn dan die van de mensch; hunne geplaveide wegen en
overwelfde gaanderijen boven den grond; hunne ruime zalen en korenschuren;
hunne korenakkers; de wijze waarop zij hun graan inoogsten en mouten; hunne
beredeneerde doenwijze bij het verzorgen van hunne eieren en larven en bij het
bouwen van bijzondere nesten tot het kweeken der bladluizen [...] eindelijk
hunne dapperheid, hun moed, hunne voortreffelijke geestesvermogens – dat
alles is de natuurlijke vrucht van het wederkeerig hulpbetoon dat zij in al de
tijdperken van hun druk en bedrijvig leven toepassen.
Pjotr Kropotkin (1842-1921).
Russische geograaf en anarchist,
in 'Wederkeerig dienstbetoon. Een factor der evolutie' (1904).
Dat onze
zonen bleek en mager zijn, dat ze een smalle en misvormde borstkas hebben, dat
hun zenuwstelsel al te vroeg vermoeid en gedeprimeerd is... wat doet het ertoe,
als ze maar het door de routine vastgestelde aantal Griekse en Latijnse verzen
tot zich hebben genomen.
Emile Spehl.
Hoogleraar ULB in 1907.
Zonder
twijfel zou het publiek de biologie en in het bijzonder de principes van de
erfelijkheid en het DNA beter moeten begrijpen. Er is zoveel onwetendheid bij
het publiek en daarvan maken sommige actiegroepen misbruik om angst te zaaien,
voor genetisch gewijzigde gewassen bijvoorbeeld. De afwijzing daarvan is alleen
gestoeld op emotionele en subjectieve gronden, niet op objectieve feitenkennis.
Jean-Jacques Cassiman.
Hoogleraar genetica KU Leuven.
Ik schrijf
zeer moeilijk en iedere bladzijde staat vol krabbels en verbeteringen. Als de
definitieve redactie van mijn boek getypt is, vind en verbeter ik gewoonlijk nog
een paar honderd wendingen of woorden, die beter of juister konden zijn. Men
moet juist weten wat men moet zeggen, maar men moet ook juist weten hoe men het
moet zeggen. Van twee nuances is er maar éne de juiste, en als ze alle twee
juist zijn, is er maar éne de mooiste. Die moet men kiezen. Gewoonlijk is het
de kortste.
Willem Elsschot (1882-1960).
Vlaams auteur over het schrijven van goede teksten (1942).
Nu, dat er
nog altijd zoveel mensen roken, is één ding. Het is bijzonder erg, maar wat mij
veel meer zorgen baart, is dat de voeding van onze jeugd dramatisch aan het
verslechteren is. We eten absoluut niet veiliger en gezonder dan ooit. Heel wat
tieners eten elke dag junkfood en zitten, net zoals in Amerika, de hele avond
met chips en cola voor de televisie. Daar moeten we echt dringend iets aan
doen. Obesitas wordt een groot probleem. [...]
Obesitas wordt een groter probleem dan aids.
Hugo Vanermen.
Hartchirurg,
in 'Knack'.
De groei
van de wereldbevolking komt tot 2050 voor 96 procent voor rekening van de
ontwikkelingslanden. In 1950 telde de wereld nog maar 2,5 miljard mensen. Anno
2004 telt de wereld naar schatting 6,4 miljard mensen. Daar komen er de komende
45 jaar nog eens 2,5 miljard bij, zodat het totale aantal ongeveer 8,9 miljard
zal zijn. Zo zal de bevolking in de vijftig minst ontwikkelde landen tot 2050
naar verwachting toenemen tot 1,7 miljard. Dat is een groei van 228 procent.
Rapport van het Bevolkingsfonds
van de Verenigde Naties.
Eindelijk
is er een glimp van licht doorgebroken en ik ben er bijna van overtuigd dat
soorten (het is als het bekennen van een moord) niet onveranderlijk zijn. De
Hemel behoede me voor de onzin van Lamarck over 'een tendens tot vooruitgang'
of over 'adaptaties die voortspruiten uit de langzaam werkende wil van
organismen', enz. – maar de fundamentele conclusies waar ik toe kom,
verschillen niet sterk van de zijne – hoewel de mechanismen van
verandering totaal verschillen. Ik geloof dat ik de simpele manier heb ontdekt
(wat een verwaandheid!) waardoor soorten verfijnd raken aangepast aan allerlei
omstandigheden.
Charles Darwin (1809-1882).
Brits bioloog,
in een brief aan Joseph Dalton Hooker (in 1844).
Maar
reflectie en onderzoek behoren ons ervan te overtuigen dat veel waarvan wij
dachten dat het vooral onze inzichten waren, eigenlijk aan onze voorgangers is
te danken, en dat hun dwalingen niet van koppige buitenissigheid of
krankzinnige wartaal getuigden, maar gewoon hypothesen waren, als zodanig te
rechtvaardigen in de tijd toen men ze opperde, maar die bij ruimere ervaring
ontoereikend zijn gebleken. Enkel door een toetsing achteraf van hypothesen en
de verwerping van wat onjuist is, wordt de waarheid uiteindelijk aan het licht
gebracht. Wat wij waarheid noemen, is immers slechts de hypothese die het beste
blijkt te werken. Daarom doen we, wanneer we de meningen en gebruiken van
onbeschaafdere tijdperken beoordelen, er verstandig aan met welwillendheid hun
dwalingen als onvermijdelijke vergissingen in de zoektocht naar de waarheid te
beschouwen en tegenover hen de toegeeflijkheid te betrachten die wij wellicht
ook zelf nodig zullen hebben: cum excusatione itaque veteres audiendi sunt.
James George Frazer (1854-1941).
Brits antropoloog.
Wat is
onkruid? Een plant waarvan de verdiensten nog niet zijn ontdekt.
Ralph Waldo Emerson (1803-1882).
Amerikaans wijsgeer.
Hij lijdt
aan diabetes en spreekt over zijn ziekte, alsof hij eigenaar is van een
suikerplantage.
Fritz Francken (1893-1969).
Vlaams schrijver, pseudoniem van Frederik Clijmans.
Drinken
zonder dorst en vrijen in alle seizoenen is alles wat ons van de overige dieren
onderscheidt.
Pierre Augustin de Beaumarchais (1732-1799).
Frans schrijver.
Wilde
dieren doden nooit voor de sport. De mens is de enige.
James Anthony Froude (1818-1894).
Brits historicus.
Wreedheid
jegens dieren is een van de meest kenmerkende zonden van een gemeen en onedel
volk.
Alexander von Humboldt (1769-1859).
Duits natuuronderzoeker.
We zijn
zoogdieren die last hebben van overontwikkelde hersenen. Die hebben ons immers
met een zelfbewustzijn opgezadeld. Omdat we zo uniek zijn, zouden we kunnen
denken dat ons leven wel eens een bijzondere bedoeling zou kunnen hebben. Een
brilslang denkt daar nooit over na. Ze volgt gewoon haar instinct. Het enige
doel dat ik kan zien, is dat we gezond en lang willen leven zodat we onze genen
kunnen doorgeven aan het nageslacht.
Peter Terrin (° 1968).
Vlaams schrijver.
De
eigenlijke verdienste van een Copernicus of een Darwin was niet de ontdekking
van een ware theorie, maar van een vruchtbaar nieuw aspect.
Ludwig Wittgenstein (1889-1951).
Weens filosoof.
Zo nu en
dan zeggen mensen, dat ze dat en dat niet zouden kunnen beoordelen, ze zouden
geen filosofie geleerd hebben. Dit is irritante onzin: want men doet alsof de
filosofie een of andere wetenschap is. En men praat erover als, bijvoorbeeld,
over geneeskunde. – Men kan echter wel zeggen, dat mensen die nooit een
onderzoek van filosofische aard hebben verricht, de meeste wiskundigen
bijvoorbeeld, niet met de juiste optische hulpmiddelen voor een dergelijk
onderzoek of een dergelijke test zijn uitgerust. Bijna zoals iemand, die niet
gewend is in het bos naar bloemen, bessen of kruiden te zoeken, er geen vindt,
omdat zijn oog er niet op getraind is en hij niet weet, waar men in het
bijzonder naar moet uitkijken. En wie in de filosofie ongeoefend is, gaat zo
aan alle plaatsen voorbij waar moeilijkheden onder het gras verborgen liggen,
terwijl wie geoefend is, daar blijft staan en voelt dat hier een moeilijkheid
zit, hoewel hij haar nog niet ziet. – En geen wonder, als men weet, hoe
lang zelfs een geoefende, die wel merkt dat hier een moeilijkheid zal liggen,
moet zoeken om haar te vinden. Wanneer iets goed verborgen is, dan is het
moeilijk te vinden.
Ludwig Wittgenstein (1889-1951).
Weens filosoof.
Een leraar
die tijdens de les op goede, of zelfs verbazingwekkende resultaten kan bogen,
is daarom nog geen goede leraar, want het is mogelijk, dat hij zijn leerlingen,
terwijl ze onder zijn onmiddellijke invloed staan, tot een voor hen
onnatuurlijke hoogte omhoogtrekt, zonder hen echter tot deze hoogte te
ontwikkelen, zodat ze direct ineenzinken als de leraar het schoollokaal
verlaat. Dat gaat misschien ook voor mij op; ik heb eraan gedacht.
Ludwig Wittgenstein (1889-1951).
Weens filosoof.
Sla munt uit
iedere fout.
Ludwig Wittgenstein (1889-1951).
Weens filosoof.
Ik geloof
dat de opvoeding van de mensen tegenwoordig erop neerkomt, het vermogen om te
lijden te verminderen. Een school geldt tegenwoordig als goed, 'if the children
have a good time'. En dat was vroeger niet de maatstaf. En de ouders zouden
willen dat de kinderen worden, zoals ze zelf zijn (only more so) en toch laten
ze hun een opvoeding ondergaan die totaal verschillend is van de hunne. –
Aan het vermogen om te lijden hecht men geen waarde, want lijden moet er niet
zijn, dat is eigenlijk verouderd.
Ludwig Wittgenstein (1889-1951).
Weens filosoof.
Dat een
opinie wijd verspreid is, garandeert ons nooit dat ze niet absurd is;
integendeel, als we rekening houden met de zuivere onnozelheid van de grote
menigte, maakt een wijd verspreid geloof meer kans dwaas dan wijs te zijn.
Bertrand Russell (1872-1970).
Brits wiskundige en filosoof.
Ik voel me
langs alle zijden ingesloten door een nieuwe sfeer van antisciëntisme... een
tendens om wetenschap te vervangen door magie. Dit antisciëntisme lijkt een
onderdeel te vormen van een bredere stroming van anti-intellectualisme die zich
opdringt als een nieuw wereldbeeld en die bezig is ook de beter opgevoede
segmenten van de samenleving in te palmen. Soms voel ik me machteloos tegen
deze massabeweging en kan ik alleen maar hopen dat de storm van redeloosheid
voorbij zal razen. Maar ik denk dat we het feit onder ogen moeten zien dat
vijandigheid tegenover de rede bezig is zich op te werken tot een filosofische
machtspositie en dat het onwijs zou zijn de gevaren van deze situatie te
onderschatten.
Lewis Thomas (1913-1993).
Amerikaanse schrijver-arts, kort voor zijn dood.
We kunnen
niet begrijpen waar de weerstanden tegen het darwinistische wereldbeeld vandaan
komen en waarom ze de normale groei van een wetenschappelijke psychologie
blijven dwarsbomen, als we niet eerst de oorsprong van het
anti-intellectualisme leren kennen.
Lewis Wolpert (° 1929).
Britse embryoloog en wetenschapshistoricus,
in 'The Unnatural Nature of Science' (1992).
Het loutere
feit dat zoveel mensen tegenwoordig aan universiteiten studeren, of er aan
'wetenschappelijk onderzoek doen' of er lesgeven, wekt de valse indruk dat de
wetenschappelijke manier van denken in onze cultuur gemeengoed is geworden. De
waarheid is dat de overgrote meerderheid van mensen die in het bezit zijn van
een universitair diploma, en een moeilijk te schatten maar zeker niet
verwaarloosbaar percentage van degenen die aan universiteiten lesgeven, er geen
vermoeden van hebben wat een wetenschappelijke benadering van de werkelijkheid
eigenlijk inhoudt. Wat wij op alle onderwijsniveaus onder de naam van
wetenschap aangeboden krijgen, zijn de levenloze producten van het
wetenschappelijk denken.
Jan De Laender.
Vlaams psycholoog, in 'Het verdriet van Darwin' (Acco, Leuven, 2004).
Zou het te
stoutmoedig zijn te veronderstellen dat in de grote tijdsperiode sinds het
ontstaan van de aarde... alle warmbloedige dieren zijn voortgebracht door één
levende lijn... die het vermogen bezit zichzelf door haar innerlijke werking te
verbeteren en die daardoor talloze verbeteringen heeft geschapen en doorgegeven
aan het nageslacht...?
Erasmus Darwin (1731-1802).
Arts en grootvader van Charles Darwin in 1794.
Wij moeten
immer voor ogen houden dat het wetenschappelijk denken de beste gids is voor
ons handelen; de wetenschappelijke waarheid is geen ideale waarheid die vrij is
van gebreken, maar het is de enige waarheid die we als een betrouwbare leidsman
kunnen volgen; en niemand kan nog langer ontkennen dat het wetenschappelijk
denken meer is dan een nevenproduct van of een voorwaarde tot vooruitgang, het
is de menselijke vooruitgang zelf.
William Clifford (1845-1879).
Brits wiskundige en wijsgeer.
Ik heb nog
nooit een werk over natuurwetenschappen [bedoeld is 'The Origin of Species' van Charles Darwin; verschenen
in 1859] gelezen
dat zo'n overrompelende indruk op mij heeft gemaakt. Je werk, zo dunkt me, is
in geen enkel opzicht voor verbetering vatbaar... Je kunt erop rekenen dat alle
denkende mensen je blijvend dankbaar zullen zijn. En wat de straathonden
betreft die zullen blaffen en janken, bedenk dat op zijn minst enkele van je
vrienden over het soort vechtlust beschikken (waarvoor je hen vaak en terecht
hebt berispt) dat je in dit geval van pas kan komen... Ik ben mijn klauwen en
mijn snavel aan het scherpen.
Thomas Huxley (1825-1895).
Brits bioloog en filosoof in een brief aan Charles Darwin.
Ik zou
professor Huxley enige uitleg willen vragen – hij zit hier vlakbij en zal
me in stukken rijten zodra ik neerzit – over zijn overtuiging dat hij
afstamt van een aap. Is het langs de zijde van zijn grootvader of die van zijn
grootmoeder dat hij apen in zijn familie heeft?
Samuel Wilberforce (1805-1873).
Bisschop van Oxford.
Als u me de
vraag stelt of ik liever een aap als grootvader zou hebben, dan een man die
door de natuur begiftigd is met verstand en met het talent om mensen te
beïnvloeden, maar die deze gaven misbruikt om een ernstige wetenschappelijke
discussie te verlagen tot het niveau van een circus, dan aarzel ik geen moment:
ik kies voor de aap.
Thomas Huxley (1825-1895).
Als reactie op Samuel Wilberforce.
Ik ben nog
maar halverwege door uw boek geraakt [ bedoeld is 'The Origin of Species' van Charles Darwin ], niet door een gebrek aan goede wil, maar door gebrek aan tijd,
want het is – als men het in zijn volle diepte wil begrijpen – het
moeilijkste boek dat ik ooit heb gelezen; het zit zo boordevol feiten en
gecomprimeerde redeneringen. [...]
De logica van je redenering is onaantastbaar, maar het is allesbehalve
makkelijk om haar volle betekenis te vatten.
Joseph Dalton Hooker (1817-1911).
Brits plantkundige in 1859.
Hoe langer
ik mij in dit werk heb verdiept, hoe meer ik ben gaan geloven dat 'The Origin
of Species' een van de moeilijkste boeken is voor al wie het in zijn volle
betekenis wil begrijpen.
Thomas Huxley (1825-1895).
Brits bioloog en filosoof.
Wat de
theorie van de natuurlijke selectie betreft, zal ik altijd op het standpunt
blijven dat ze van u en alleen van u is. Jij had de theorie tot in de fijnste
details uitgewerkt, jaren voor er bij mij een vage glimp doorbrak. Mijn artikel
zou nooit iemand overtuigd hebben. In het beste geval zou men mijn ideeën
beschouwd hebben als een interessante speculatie, terwijl uw boek een revolutie
heeft ontketend in de studie van de Natuurlijke Historie en de beste
intellecten van onze tijd heeft overtuigd.
Alfred Russel Wallace (1823-1913).
Brits dierkundige,
medeontdekker van de natuurlijke selectie in een brief aan Darwin.
Een
individueel organisme, zoals een mens, is biologisch gezien alleen maar een
tijdelijk vervoermiddel van DNA, een moleculaire machine waarvan DNA-moleculen
zich bedienen om kopieën van zichzelf te maken.
Jan De Laender.
Vlaams psycholoog, in 'Het verdriet van Darwin' (Acco, Leuven, 2004).
Als ik heb
geblunderd of als mijn werk onvolmaakt was en vooral als ik met misprijzen werd
behandeld... is het mijn grootste troost geweest tot mezelf te zeggen: 'Je hebt
zo hard gewerkt als je maar kon en niemand had meer kunnen doen.'
[ ... ]
Ik ben in
staat hypothesen te verzinnen en ik beschik over een dosis gezond verstand en
oordeelsvermogen, ongeveer in dezelfde mate als waarin een redelijk succesvolle
advocaat of arts over zulke gaven moet beschikken, maar ook niet meer dan dat. [...]
Alles samen twijfel ik er niet aan dat mijn werk keer op keer meer lof heeft
gekregen dan het verdient.
Charles Darwin (1809-1882).
Engels bioloog in zijn autobiografie.
Ik heb
altijd volgehouden dat, met uitzondering van echte dwazen, mensen niet zo erg
van elkaar verschillen in denkvermogen, wél in werklust en
doorzettingsvermogen; en ik geloof nog altijd dat dit verschil buitengewoon
belangrijk is.
Charles Darwin (1809-1882).
Engels bioloog.
[Over de professoren anatomie uit zijn tijd]... als kraaien genesteld in hun hoge stoelen, en met krakende
stemmen en mateloze eigenwaan dingen afdreunend die ze nooit hebben
waargenomen, maar in boeken hebben gelezen en van buiten geleerd... Zo worden in
deze scholen voortdurend dingen geleerd die niet waar zijn en dagen gaan
verloren met het beantwoorden van dwaze vragen. En de verwarring die ontstaat,
is zo groot dat de studenten minder weten dan wat de eerste de beste slager
deze geleerde professoren zou kunnen tonen.
Andreas Vesalius (1514-1564).
Vlaams anatoom.
De grote
kwaal van deze tijd is dat men dingen voor waarheden wil doen doorgaan die
alleen maar zijn voortgekomen uit de fantasie van mensen, die alleen maar
steunen op veronderstellingen en oppervlakkig geredeneer, en die in het geheel
niet steunen op het getuigenis van onze zintuigen.
William Harvey (1578-1657).
Engels arts en ontdekker van de bloedsomloop in 1628.
Dat de
dwazen een onoverwinnelijke meerderheid vormen, ligt vast tot het einde der
tijden. De terreur van hun heerschappij wordt alleen maar verzacht door hun
gebrek aan consistentie. Om zich goed te voelen in deze troep schapen, moet men
in de eerste plaats zelf een schaap zijn.
Albert Einstein (1879-1955).
Duits-Amerikaans fysicus.
Ik geloof
dat grote denkers alléén vliegen, zoals arenden, en niet in zwermen zoals de
spreeuwen. Natuurlijk is het zo dat arenden zeldzaam zijn en men ze weinig ziet
en nog minder hoort, terwijl spreeuwen de hemel vullen met hun geschreeuw en
bovendien de aarde besmeuren met hun vuiligheid.
[...]
Ik hou vol
dat de mening van de menigte minder waarde heeft dan die van een handvol
uitzonderlijken, want het aantal mensen met een verwarde geest is altijd veel
groter dan dat van degenen met een helder verstand. Als denken iets was als het
sjouwen van een last, zou ik aanvaarden dat vele denkers meer succes moeten
hebben dan een handvol... Maar denken lijkt meer op een wedren en één edel
renpaard zal honderd brouwerspaarden ter plaatse laten.
Galileo Galilei (1564-1642).
Italiaans natuur- en sterrenkundige.
De
biologische werken van Aristoteles zijn een vreemde en vermoeiende mengelmoes
van volkspraatjes, slordige waarnemingen, wensdenken en lichtgelovigheid die
soms aanzwelt tot echte onnozelheid.
Peter Medawar (1915-1987).
Brits hoogleraar dierkunde. Nobelprijs 1960.
In strijd
met de opvatting van Darwin hebben psychologen altijd beklemtoond dat het
gedrag van mensen niets te maken kan hebben met genetische programma's. Wij
zijn cultuurwezens, wij leren wat wij doen. Het instinctgedrag van insecten of
kreeften kan misschien wel berusten op genetische instructies in het
zenuwstelsel van zulke dieren. Maar wij zijn mensen. Voor ons gelden heel
andere wetten en die zijn niet biologisch van aard. Wij stellen geen
instinctgedrag. Wat wij doen, hebben we geleerd. Ons gedrag wordt bepaald door
opvoeding, cultuur en sociale leerprocessen.
Dit
monumentale misverstand, deze radicale afwijzing van de biologie als basis voor
het begrijpen van de mens, heeft de natuurlijke groei van een wetenschappelijke
psychologie met meer dan een eeuw vertraagd.
Jan De Laender
Vlaams psycholoog, in 'Het verdriet van Darwin' (Acco, Leuven, 2004).
Als we
kijken naar de sociale gewoonten van de thans levende mens en er rekening mee
houden dat de meeste wilden polygaam zijn, lijkt het redelijk te
veronderstellen dat mensen oorspronkelijk in kleine gemeenschappen leefden en
dat elke man zoveel vrouwen had als hij kon onderhouden en bemachtigen en dat
hij zijn vrouwen jaloers afschermde van de toenaderingspogingen van alle andere
mannen. Of misschien leefde hij alleen met een aantal vrouwen, zoals de
gorilla.
Charles Darwin (1809-1882).
Engels bioloog.
Eén
ejaculaat bevat voldoende zaadcellen om alle vrouwen in de Verenigde Staten te
bevruchten.
Edward Osborne Wilson (° 1929).
Amerikaans bioloog.
Bij alle
menselijke gemeenschappen op aarde zijn mannen meer dan vrouwen geneigd te
verlangen naar seks met een grote verscheidenheid van partners.
Alfred Kinsey (1894-1956).
Amerikaans zoöloog.
Enquêtes
die mannen met vrouwen vergelijken in verschillende culturen, verspreid over
heel de wereld, rapporteren keer op keer de volgende bevindingen: mannen zijn
meer geïnteresseerd in buitenhuwelijkse seks dan vrouwen; ze zijn meer uit op
een verscheidenheid van partners voor de verscheidenheid zelf; de motieven van
vrouwen voor buitenhuwelijkse seks zijn vaker ontevredenheid over de bestaande
relatie en/of een verlangen naar een nieuwe duurzame relatie; mannen zijn
minder selectief in de keuze van een partner voor gelegenheidsseks.
Jared Diamond (° 1937).
Amerikaans bioloog en antropoloog.
De evolutie
heeft ervoor gezorgd dat mensen zich voortplanten door in hun brein een
geslachtsdrift te programmeren. Wij hebben geen voortplantingsdrift. Het
volstond dat wij verlangden naar seks, want tot voor kort creëerde het stellen
van seksueel gedrag automatisch voortplantingskansen. Maar enkele decennia
geleden hebben mensen doeltreffende anticonceptiva uitgevonden. Onze
geslachtsdrift volbrengt zijn oude taak en zorgt ervoor dat wij seksueel gedrag
stellen. Maar omdat wij geen echte voortplantingsdrift hebben, willen wij niet
dat seks altijd tot reproductie leidt. Daardoor zijn menselijke populaties die
vrij en makkelijk kunnen beschikken over nieuwe anticonceptiva, overal op aarde
aan het uitsterven. In vrijwel alle westerse landen liggen de geboortecijfers
een stuk onder het zogenaamde vervangingspeil – het aantal kinderen per
vrouw dat nodig is om de sterfte te compenseren. In rijke landen wordt de
bevolking alleen maar op peil gehouden of groeit ze soms nog aan dankzij een
toevloed van mensen uit andere delen van de wereld waar het gebruik van
anticonceptiva nog niet verspreid is. De oude seksuele programma's die voor
reproductie moesten zorgen, zijn door de verandering in ons milieu niet langer
aangepast.
Jan De Laender.
Vlaams psycholoog, in 'Het verdriet van Darwin' (Acco, Leuven, 2004).
Ik ben
ervan overtuigd dat onze huidige kennis van ons brein zo primitief is –
ze bevindt zich ongeveer op het niveau van de humorentheorie zoals ze meer dan
17 eeuwen geleden door Galenus geformuleerd is – dat als we ooit tot een
echt begrip van dit orgaan komen, ons zelfbeeld daardoor radicaal zal
veranderen. Vele beweringen die nu nog altijd cultureel aanvaardbaar zijn,
zullen dan gezien worden als de onzin die ze werkelijk zijn. Mensen die zich
thuisvoelen in het domein van de kunst of dat van de humane wetenschap, blijven
zichzelf wijsmaken dat, ondanks al de veranderingen die de technologie hun
leven heeft doen ondergaan... wetenschap niets te maken heeft met wat hen het
meest bezighoudt. Bij de huidige stand van onze wetenschappelijke kennis blijft
die overtuiging gedeeltelijk verdedigbaar, maar de wetenschap van morgen zal
hun zogenaamde cultuur met één schop van onder hun achterwerk trappen.
Francis Crick (1916-2004).
Medeontdekker van het dubbele schroefmodel van DNA.
Nobelprijs in 1962.
Biologen
staan voor een simpele keuze: ze kunnen evolutionair denken of ze kunnen
beslissen helemaal niet te denken.
Theodosius Dobzhansky (1900-1975).
Russisch geneticus.
Wat zijn
studievoorwerp betreft moet de natuurkundige zich aan strenge beperkingen
onderwerpen: hij moet er vrede mee nemen de meest eenvoudige verschijnselen te
beschrijven die tot het domein van onze ervaring behoren; het menselijk
intellect mist de kracht om complexere verschijnselen te reconstrueren met de
subtiele precisie en de logische perfectie die de theoretische natuurkunde van
haar beoefenaren eist. Opperste zuiverheid, helderheid en zekerheid kan men
slechts bereiken ten koste van onvolledigheid.
Albert Einstein (1879-1955).
Duits-Amerikaans fysicus.
Dieren
hebben minder remmingen dan mensen tegenover hun soortgenoten. Chimpansees
vechten omdat ze de baas willen zijn of het territorium van anderen willen
inpikken. Dieren vechten met de instrumenten die de natuur hun heeft
aangereikt: horens, slagtanden, klauwen. Op het moment dat de zwakste van de
twee voelt dat hij het onderspit delft, treedt zijn remreflex in werking. Dat
bestaat meestal uit een onderdanigheidritueel. Met symbolisch gedrag maakt hij
de ander duidelijk dat het voor hem genoeg is geweest en dat hij zich
overgeeft. De wolf gaat op zijn rug liggen en spartelt met zijn poten, alsof
hij een jong spelend wolfje was. De tijger draait zijn kop om zodat je zijn
tanden niet meer ziet en biedt de tegenstander zijn slagader aan. Dan stopt het
gevecht. Als er een dode valt, is het bijna altijd per ongeluk. De meeste
hogere zoogdieren doden geen soortgenoten.
Mensen
hebben nog ingebouwde remreflexen, maar we zijn er in de loop van de evolutie
ook kwijtgeraakt. Dat komt ten eerste door de menselijke emoties, waar dieren
geen last van hebben: haat, jaloezie, hebzucht, bezitsdrang. Ten tweede door
onze woordenschat. We doden soortgenoten omdat we zo agressief kunnen worden
door het woord als wapen.
De
chimpansees zijn de enige dieren die systematisch soortgenoten doden: ze vormen
coalities om de baas te vermoorden en zelf baas te worden of ze moorden de
buren uit om hun territorium te kunnen inpikken. Wat een herkenbaar gedrag voor
ons. Niet voor niets dat 98,4 procent van ons genetisch materiaal met dat van
hen overeenkomt.
Mensen
verzoenen zich niet zo vaak omdat we onze emoties niet kunnen verwerken. Omdat
we last hebben van wraak, haat, trots. Dat kennen dieren niet. Wij hebben
woorden gehad en daarom spreken we niet meer met elkaar, zeggen mensen. Het
zijn de woorden die ons zo diep gekwetst hebben, het zijn schrammen op onze
ziel. En omdat we een schitterend geheugen voor trauma's hebben. Jaren later
kunnen mensen nog letterlijk herhalen wat er gezegd is.
Nog een
reden is het gebrek aan een bemiddelaar. Dat heeft de chimpanseegemeenschap
wel. De lijm die hun gemeenschap bij elkaar houdt, is het vlooien. Het heeft
een kalmerend effect op de dieren. Als twee chimpansees ruzie hebben, is er
altijd een vrouwelijke aap die bemiddelt. Die vlooit eerst de twee vijanden en
trekt zich dan terug, zodat de vijanden op den duur elkaar vlooien en de strijd
is bijgelegd. Dieren verzoenen zich omdat ze in zo'n kleine gemeenschap moeten
verder leven. Als ze zich niet verzoenen, kunnen ze niet overleven.
Jef Vermassen.
Vlaams assisenpleiter,
in 'De Standaard',
auteur van 'Moordenaars en hun motieven' (Meulenhoff/Manteau, 2004).
Moord is
iets typisch mannelijks omdat mannen anders in elkaar zitten dan vrouwen. Om te
beginnen op hormonaal vlak. Als vrouwen doden, zullen ze eerder gif of
slaappillen gebruiken. Fysiek geweld schuwen ze. Vrouwen hebben ook niet de
behoefte om hun macht te meten, ze lossen conflicten anders op. Een vrouw
draagt het leven, geeft het door, staat op geestelijk en emotioneel vlak heel
anders tegenover leven en macht. Als de vrouwen baas waren, dan hadden we veel
minder oorlogen, daar ben ik voor honderd procent zeker van. De bonobo's
bewijzen dat. Bij hen zijn de vrouwtjes aan de macht. In ruil daarvoor krijgt
de man de vrije liefde. Het is dan ook een geweldloze maatschappij.
Jef Vermassen.
Vlaams assisenpleiter,
in 'De Standaard',
auteur van 'Moordenaars en hun motieven' (Meulenhoff/Manteau, 2004).
Er zijn
voldoende grondstoffen op aarde om in de behoeften van iedereen te voorzien.
Maar niet genoeg om de hebzucht van iedereen te bevredigen.
Mohandas Gandhi (1869-1948).
Indisch volksleider.
Het milieu
is zeer belangrijk voor de vrede, want als we onze natuurlijke rijkdommen
vernielen en de hulpmiddelen schaars worden, gaan we erom vechten.
Wangari Maathai (° 1940).
Biologe en Nobelprijs voor de vrede 2004.
Hoogst
nuttig is de geschiedenis van de filosofie, en landen waar zij niet een
verplicht leervak op de middelbare scholen en universiteiten is, zijn diep te
beklagen. Geen algemeen menselijke dwaling, geen soort van wishful thinking,
geen drogreden of dwangneurotisch taalgebruik, die niet in de geschiedenis van
de filosofie met duidelijke specimina vertegenwoordigd wordt. En juist dat deze
dwalingen en cirkelredeneringen in een of andere vorm
voortdurend terugkeren, maakt de geschiedenis van de filosofie, voor wie
kritisch leest, zo vruchtbaar. Denkt u een oorspronkelijk idee te hebben? Maakt
een politicus u wijs dat hij het geneesmiddel voor alle kwalen bezit,
verkondigt een ideoloog dat hij de wereldraadsels heeft opgelost? Tien tegen
een dat een ander hem twintig, tweehonderd of tweeduizend jaar voor is geweest.
Willem Frederik Hermans
Nederlands schrijver,
in 'Wittgenstein' (De Bezige Bij, Amsterdam, 1990)
In
vergelijking met de middelbare school leert een mens op de universiteit
eigenlijk maar erg weinig. Meer aanzien verschaft de academie wel.
Willem Frederik Hermans
Nederlands schrijver,
in 'Wittgenstein' (De Bezige Bij, Amsterdam, 1990)
In cauda
venenum – het venijn zit in de staart.