KERNACHTIGE UITSPRAKEN - REEKS XI

Wetenschappelijke verklaringen blijven altijd onvolledig. Als we ook maar iets leren uit het bedrijven van wetenschap, is het dat zelfs zoiets fundamenteels als een atoom al heel moeilijk is om te begrijpen. Dit alleen al moet ons ertoe aanzetten om sceptisch te blijven over om het even welk dogma of welke beweringen ook die ons toch niet meer bieden dan een zeer onvolledig en metaforisch inzicht in elke diepgaand aspect van ons bestaan.
 
Sir Martin Rees.
Engels hoogleraar astrofysica,
in "Scientific American" (juli 2004).
 


Weinig menselijke activiteiten staan qua invalshoek zo haaks op elkaar als kunst en wetenschap. De kunstenaar maakt van het banale iets bijzonders, van het algemene iets unieks; hij voegt betovering en mysterie toe aan wat in essentie evengoed als tamelijk alledaags kan worden beschouwd – het leven, de liefde, de dood. De wetenschapper gaat net omgekeerd te werk, hij zoekt de universele wetmatigheid achter het unieke, hij vervangt betovering en mysterie zo goed en zo kwaad als het kan door een verklaring. Stukje bij beetje, want achter elke verklaring schuilt doorgaans een nieuw, soms nog groter, mysterie. [...] En toch zijn kunstenaars in zekere zin belangrijker dan wetenschappers. Dat wil zeggen: een kunstenaar is per definitie onvervangbaar, een wetenschapper niet, of alleszins in veel mindere mate.


Joël De Ceulaer.
Wetenschapsjournalist,
in "Knack" (7 september 2005).
 

In 1912 telde H. Von Winiwarter 47 chromosomen in de cellen van de man (46 autosomen + X) en 48 chromosomen bij de vrouw (46 autosomen + XX). T. S. Painter, in 1923, vond 48 chromosomen met als seksuele verschillen XX en XY, respectievelijk voor de vrouw en voor de man. Van 1923 tot 1956 wezen verschillende studies erop dat het normale karyotype van de mens 48 chromosomen bevat, d.w.z. 46 autosomen en twee geslachtschromosomen, XX bij de vrouw en XY bij de man. Daarna werd het door betere cultuurtechnieken en door het gebruik van hypotonische oplossingen bij het maken van de uitstrijkpreparaten duidelijk dat 46 het aantal chromosomen bij de mens is (44 autosomen en XY bij de man en XX bij de vrouw). [Voor het eerst gepubliceerd door J.H. Tjio en A. Levan in 1956 in het tijdschrift "Hereditas".]
 

E.P.D. De Robertis.
Hoogleraar cytologie,
in "Cell Biology" (1970).
 

In de toekomst zal meer dan 95 % van de wereldbevolking in ontwikkelingslanden leven. Voorkomen dat daar grote voedselschaarste ontstaat, wordt een van de grote uitdagingen van deze eeuw.
 
Marc Van Montagu (° 1933).
Hoogleraar genetica Universiteit Gent,
in Dirk Demoor, "Het brein van België. Belgen die de
grenzen van wetenschap en techniek hebben verlegd"
(Lannoo, Tielt. 2005).

 

Zaols blkijt uit het ozndreoek dat je op dit ongebilk aan het deon bnet, makat het neit uit in wekle vgolodre de letetrs in een wrood saatn, zalong de eretse en de lataste letetr maar op hun palats bijlevn.
Ook al is de rset een rotozoi, toch kun je de tsket znoder porlebmen leezn. Dat kmot odmat jouw hsreneen niet ekle lteter aaprt lzeen, maar het wrood als geehel.
 
Tekst in de reizende thematentoonstelling
van Technopolis, het Vlaams wetenschappelijk
doecentrum van Mechelen.
 

Veel mensen denken dat hun jeugd de fijnste en beste tijd van hun leven is, maar dit is niet het geval. Het is de minst aangename tijd, want we zijn dan onderworpen aan een strenge discipline, kunnen zelden onze vrienden kiezen, en beschikken heel zelden over enige vrijheid.

 
Immanuel Kant (1724-1804).
Duits wijsgeer.
 

Mensen lopen rechtop. Dat is onhandig. Op vier poten was beter geweest. Nu zakt de mens iedere dag een stukje in, om 's nachts weer iets uit te rekken. Dat gaat na verloop van tijd niet meer zo goed. De rek gaat eruit. De tussenwervelschijven gaan stuk en de mens krijgt last van zijn rug.

 
Piet Vroon (1939-1998).
Nederlands hoogleraar functieleer,
in " Prutswerk! Veertig klachten aan de Schepper"
(Ambo, Amsterdam. 1997).
 

Mensen worden eigenlijk te oud. Hun lichaam is niet berekend op een leeftijd van 60, 70 jaar of ouder. Het slijt. Dieren gaan dan gewoon dood, zoals het hoort. Mensen krijgen een heupprothese...

 
Piet Vroon (1939-1998).
Nederlands hoogleraar functieleer,
in " Prutswerk! Veertig klachten aan de Schepper"
(Ambo, Amsterdam. 1997).
 

Ze zeggen dat mensen van apen afstammen. Maar waarom hebben ze dan hoogtevrees? Apen zwieren vrolijk hoog boven de grond van tak tot tak. Maar veel mensen krijgen al een paniekaanval op een keukentrapje.

 
Piet Vroon (1939-1998).
Nederlands hoogleraar functieleer,
in " Prutswerk! Veertig klachten aan de Schepper"
(Ambo, Amsterdam. 1997).
 

Waarom zijn mensen toch hun vacht kwijtgeraakt? Behalve een bruine huid levert het niets dan ongemak op. Het meest lachwekkend zijn de naaktstranden vroeg in de zomer. Billen waar de vellen van afhangen en borsten rood als pompoenen. Daar is zelfs met factor 20 niet tegenop te smeren. Ze zeggen dat het aan het gat in de ozonlaag ligt, maar dat is onzin. Het is alweer een constructiefoutje.

 
Piet Vroon (1939-1998).
Nederlands hoogleraar functieleer,
in " Prutswerk! Veertig klachten aan de Schepper"
(Ambo, Amsterdam. 1997).
 

Toen ik dacht aan zoveel gevallen waarin mensen jarenlang een illusie najoegen, gingen er koude rillingen door me heen en vroeg ik me af of ik mijn leven niet gewijd had aan een fantasie. [...] Ik had het vreselijke gevoel dat ik mijzelf misschien had misleid, zoals zo velen gedaan hebben.

 
Charles Darwin (1809-1882).
Engels natuuronderzoeker in zijn autobiografie.
 

Hoezee! wij komen uit de Cel,

Wij meisjes en wij knapen,
En uit dezelfde cel nog wel,
Met schimmels oesters apen!
 
Nicolaas Beets (1814-1903).
Nederlands letterkundige en predikant,
na het verschijnen van Darwins "The descent of man" (1871).
 

Daar waar er een cel is, moet er vooraf een andere cel geweest zijn, net zoals een dier maar uit een ander dier geboren wordt en een plant uit een andere plant.

 
Rudolf Virchow (1821-1902).
Duits geneeskundige en politicus.
 

Door de lezers zijn persoonlijke gevoelens niet te onthouden gaf Darwin [in "The Origin of Species"] hun de gelegenheid met hem mee te voelen en met hem mee te leven; zijn lezers gingen op zijn uitnodiging in: ze lazen het boek en lieten zich meevoeren langs de sporen die Darwin uitzette om hen naar het door hem uitgezochte doel te brengen. Door de lezers deelgenoot te maken van zijn verbazing en ontsteltenis, en door hun te laten zien hoe hij daar uiteindelijk mee heeft leren omgaan werd het lezen van "The Origin of Species" voor de lezers tot een persoonlijke belevenis. Door Darwins verbeeldingskracht en fantasie geleid, lieten de lezers zich door "The Origin of Species" net zo gewillig meeslepen als bij het lezen van een roman: meebewonderend, mee-griezelend, mee-verwonderd over wat de schrijver vertelde – en aan het einde door hem gerustgesteld – het komt immers allemaal weer goed, want "uit de oorlog van de natuur, uit honger en dood volgt uiteindelijk het meest verhevene, de (...) hogere diersoorten". Darwin slaagt erin de lezers zich iets te laten voorstellen wat zij zich nog nooit eerder hadden voorgesteld. Bewust laat hij hen hun verbeelding inschakelen.

 
Ilse N. Bulhof (° 1932).
Nederlands hoogleraar em. wijsbegeerte,
in "Darwins Origin of Species:
Betoverende wetenschap" (Ambo, Baarn. 1988).
 

[Vraag: Kunt u uitleggen waarom het belangrijk is schoolse kennis vanuit een sociologisch gezichtspunt te bestuderen? ] [Antwoord van Michael Young] : De kenniskwestie is te lang overgelaten aan filosofen. In werkelijkheid is kennis iets heel praktisch en levends. Het draait erom dat mensen met kennis controle over hun leven krijgen en niet opgesloten blijven in hun praktische ervaringen. Maar juist om die "verlichtende" functie te kunnen hebben moet onderwijs duidelijk maken dat kennis die op school geleerd wordt niet hetzelfde is als alledaagse ervaringskennis. Arme boeren in Afrika kunnen hun landbouw en leefomstandigheden niet verbeteren zonder die afstandelijke "academische" kennis.

 
Interview met Michael Young.
Engels hoogleraar opvoedkunde,
in "NRC Handelsblad" (26 november 2005).
 

Niet de leerling moet centraal staan in onderwijs, maar de pedagogische relatie waarin kennisverwerving plaatsvindt. Het is een idiote gedachte dat leerlingen die nog geen intellectuele bronnen ter beschikking hebben zelf zouden bepalen wat ze leren. Ze moeten juist in de school die bronnen ontwikkelen, om later als volwassenen zo vrij mogelijk te kunnen kiezen. Internet is goed om informatie op te zoeken, maar niet om kennis te verwerven. Praktische opdrachten zijn dan ook alleen maar pedagogisch verantwoord als ze ingebed zijn in de kennisstructuur van een vak. Die heb je nodig om internet te gebruiken of praktische ervaringen te interpreteren. Zonder die inbedding verworden praktische opdrachten tot internetplagiaat en tot een recycling van ervaringen.

In Engeland wordt de leerling-gerichte benadering als achterhaald beschouwd. Het Nieuwe Leren geeft leerlingen de verkeerde boodschap mee, namelijk dat je niet hard hoeft te werken om iets waardevols te bereiken in het leven. Wij vinden dat dit concept de basis legt voor een ongelijke maatschappij. Leerlingen die kennis het meest nodig hebben, omdat dat niet van huis uit wordt aangereikt, krijgen er zo het minst van. Leerlingen worden zo in hun eigen culturele milieu gehouden. En onder het mom van vrije keuze voor je eigen cultuur duw je mensen terug in hun sociale laag.
 
Interview met Michael Young.
Engels hoogleraar opvoedkunde,
in "NRC Handelsblad" (26 november 2005).


Kussen is gezond. Je bloeddruk en hartslag gaan iets omhoog waardoor je lichaam beter is gewapend tegen stress. Wie dagelijks kust, leeft gemiddeld vijf jaar langer. Per kus wisselen 40.000 bacteriën van eigenaar. Toch is zoenen geen belangrijke bron van infectie. Zoenen verhoogt de hoeveelheid speeksel en dat is weer goed voor de spijsvertering.
 
Een krantenbericht.


Het afgelopen jaar valt niet op door een van die opvallende ontdekkingen die met één klap een revolutie teweegbrengen op het terrein van de desbetreffende wetenschap.
 
Verslag over het jaar 1859 gemaakt door de voorzitter
van de "Linnean Society", het jaar waarin
"The Origin of Species" van Charles Darwin verschenen was.
 

Biologische soorten zijn tijdelijke en voorbijgaande dragers van een meer of minder gedeterminerende vorm van leven.

 
Pieter Harting (1812-1885).
Nederlands hoogleraar biologie.
 

Darwin probeerde lezers gerust te stellen, die verontrust waren over wat Darwins evolutietheorie voor het ontstaan van de mens (afstamming van de apen?) betekende. Darwin had zich daarover in "The Origin of Species" maar heel vaag uitgelaten: hij had alleen maar geschreven dat er "op de oorsprong van de mens veel licht zal vallen". Die laatste zin had Darwin heel wat hoofdbrekens gekost. Meteen in 1837 was bij hem al de vraag opgekomen hoe het met de mens gesteld was als zijn hypothese over de natuur juist was. Zou die ook op natuurlijke wijze tot stand gekomen zijn? Dat was voor die tijd een schokkende gedachte. Als goed strateeg wilde Darwin niet bij voorbaat zijn boek compromitteren door die mogelijkheid aan de orde te stellen. Meer dan een mogelijkheid was het nog niet, al gingen zijn eigen gedachten wel sterk in die richting. Aan de andere kant wilde hij ook niet doen alsof zijn neus bloedde; dat vond hij niet eerlijk. De zojuist vermelde korte opmerking uit "The Origin of Species" vormde het compromis tussen deze tegenstrijdige gedachten.

 
Ilse N. Bulhof (° 1932).
Nederlands hoogleraar em. wijsbegeerte,
in "Darwins Origin of Species:
Betoverende wetenschap" (Ambo, Baarn. 1988).
 

Als een van de eersten gebruikte Multatuli het anglicisme "evolutie" in plaats van het tot dan toe gangbare woord "ontwikkeling".

 
Ilse N. Bulhof (° 1932).
Nederlands hoogleraar em. wijsbegeerte,
in "Darwins Origin of Species:
Betoverende wetenschap" (Ambo, Baarn. 1988).
 

De rede zegt mij dat als het bestaan kan worden aangetoond van de talrijke tussenstapjes van een eenvoudig en onvolmaakt oog naar een ingewikkeld en volmaakt oog, waarbij elk tussenstapje nuttig is voor de desbetreffende individuen; als vervolgens het oog verandert en de veranderingen worden overgeërfd, wat eveneens zeker het geval is; en als bij wijzigende levensomstandigheden zulke veranderingen voor elk dier nuttig zouden zijn, [als dat alles zo is] dan hoeft de moeite om te geloven dat een volmaakt en ingewikkeld oog door natuurlijke selectie gevormd zou kunnen zijn – hoewel dit onoverkomelijk is voor onze verbeelding – niet beschouwd te worden als ondermijnend voor de theorie.

 
Charles Darwin (1809-1882).
Engels natuuronderzoeker.
 

Zonder het bestaan van de hele wetenschappelijke literatuur zou de vooruitgang van de wetenschap en de menselijke cultuur niet alleen vertraagd worden, het zou zelfs onmogelijk zijn om het bereikte peil vast te houden.

 
Roman Ingarden (1893-1970).
Pools filosoof.
 

De natuur houdt niet van poëzie. Fabels en fantasieën zijn in zekere zin essentieel voor poëzie, die zonder deze niet kan bestaan; maar alle soorten onwaarheid gaan zozeer tegen de aard van de natuur in, dat zij daar net zo afwezig is als donker in licht.

 
Galileo Galilei (1564-1642).
Italiaans natuur- en sterrenkundige.
  

Volgens de Amerikaanse hoogleraar psychiatrie Randolph Nesse zijn er verschillende redenen waarom mensen, ondanks de evolutionaire voordelen van een gezond leven, toch ziek worden.

Wij zijn in een nieuwe omgeving terechtgekomen waaraan we nog niet evolutionair aangepast zijn. Ons lichaam leeft als het ware nog in de prehistorie. Toen was een voorliefde voor een vet en suikerrijk dieet nuttig, nu leidt het tot ouderdomssuikerziekte, kransslagaderproblemen en zwaarlijvigheid.
Andere organismen evolueren sneller dan wij. De genen van het griepvirus of het aidsvirus veranderen zo snel dat we het met onze trage generaties van 25 jaar niet bijhouden. Daarom worden we er elke winter opnieuw ziek van.
Natuurlijke selectie heeft beperkingen. Evolutie krijgt geen vat op een ziekte die pas op oudere leeftijd ontstaat, nadat de getroffene al kinderen heeft gekregen. Daarom bestaat er nog steeds een gen voor de ziekte van Huntington, een dodelijke aandoening waarvan patiënten pas na hun veertigste last krijgen. Zo'n gen wordt niet "uitgewied".
Sommige pijnlijke dingen maken ons beter. Hoesten kan vervelend zijn, het verlost de wand van onze luchtwegen wel van bacteriën. Hetzelfde geldt voor overgeven – wat de maag betreft dan.
 
Hester van Santen.
Wetenschapsjournalist,
in "De Standaard" (5. 1. 2006).
 

Indien al die verschillende groepen van organismen die er sinds het ontstaan van het leven op de aarde geweest zijn – van de meest eenvoudige tot de meest geëvolueerde – aanwezig zouden gebleven zijn, zou onze wereld een veel te kleine ruimte voor al die organismen geweest zijn. En dan zou ook de verbetering en de vooruitgang in organisaties die tot de Mens geleid hebben, onmogelijk geweest zijn. Wedijver wordt met een verschrikkelijk hoge prijs voor het leven betaald, maar, paradoxaal, die wedijver is er tot eigen voordeel. Het wegvallen van de minder aangepaste is een noodzakelijkheid voor het overleven van de betere en de sterkere. Dat was van in het begin wat Darwin verstond als een factor in de Natuurlijke Selectie, hoewel natuurlijke selectie een proces is dat verschillende factoren kent en niet alleen de "struggle for live".

 
J.J. Parodiz.
Bioloog,
in "Darwin in the New World"
(Brill, Leiden. 1981).
 

Darwin werkte vele jaren volgens een pijnlijk doorgezette routine, door zijn ziekte afgesloten van sociale contacten. Zoals een middeleeuwse monnik stelde hij zijn manuscripten samen. Hij deed dat met een intellectuele ijver, die nooit rust kende, altijd begaan met het organiseren van zijn "collectie" feiten. Het werk dat hij afleverde had niets te zien met inspiratie; hij stond altijd verbaasd over wat hij gevonden had. En in plaats van moeite te doen om iets te bewijzen, wat uiteindelijk zo velen overtuigd heeft, wilde hij eerst zichzelf overtuigen. De uiteindelijke conclusie is dat evolutie niet zo maar een theorie is, maar een wetenschappelijk aanvaard feit, een natuurlijke Waarheid. Althans zo zien we dat nu, onafhankelijk van het feit of Darwin of iemand anders ook mogen getracht hebben om dat uit te leggen. En het opmerkelijk is dan wel dat Darwin nooit het woord Evolutie gebruikte als hij "The Origin" schreef.

 
J.J. Parodiz.
Bioloog,
in "Darwin in the New World"
(Brill, Leiden. 1981).
 

Lange tijd hebben biologen geloofd dat de maag van een mens, met zijn enorm hoge zuurtegraad, een plek was waar geen bacterie kon overleven. Maar sinds twintig jaar geleden in de maaginhoud van maagzweerlijders de bacterie
Helicobacter pylori werd aangetroffen, zijn ze daar anders over gaan denken. Biologen van de Amerikaanse Stanforduniversiteit telden 128 verschillende soorten bacteriën in de maag van gezonde vrijwilligers.
Dezelfde onderzoekers vonden vorig jaar ook al een heuse dierentuin in de darmen van vrijwilligers. In het vakblad "Science" somden ze toen 395 soorten bacteriën op, waarvan zestig procent nooit eerder was beschreven.
 
Hilde Van den Eynde.
Wetenschapsjournaliste,
in "De Standaard" (5. 1. 2006).
 

Mijn lichaam is versleten, maar dat hoort er nu eenmaal bij. Ik tennis al zo lang. Het is zo'n explosieve, krachtige sport: de bewegingen, de spreidstand... dat zet druk op de beenderen en gewrichten. Als je jonger bent, verdraag je dat gemakkelijker.

 
Kim Clijsters (22 jaar...).
Vlaamse tennisster,
in "De Standaard" (18.1.2006).
 

Ik ben kwaad op mezelf dat ik die nacht [voor de finale van 28 januari 2006 van de Australian Open] geen dokter heb gebeld. De pijn was zo erg. Nu weet ik dat ik nooit aan die match had mogen beginnen. Het had gevaarlijk kunnen zijn. Het is niet slim je gezondheid op het spel te zetten. Tennistoernooien zijn er genoeg, maar je hebt maar één leven.

 
Justine Hennin (23 jaar...).
Waals-Monegaskische tennisster.
 

Naar de mening van allen die nadenken en die met droefenis in het hart de examens van ons middelbaar en lager onderwijs bijwonen, mag men in volle geweten van bankroet gewagen... Oppervlakkig bezien, lijkt ons onderwijs een prachtig paleis; maar voor het aandachtige oog vertoont het allerwegen onrustbarende scheuren omdat de fundering aangelegd werd op drijfgrond. Het feit dat het bankroet zich zo overduidelijk in zijn resultaten openbaart, kan alleen hierdoor verklaard worden, dat geheel het systeem op fundamentele dwalingen is opgetrokken. [...] De koortsige bedrijvigheid van de leraars, en wel van de beste, verwekt bij de leerlingen die niet kunnen volgen, een tegenstribbeling, namelijk een onverstoorbare gelatenheid. Honderden en honderden malen heb ik met een zeker pijngevoel nagegaan de gejaagde overhaasting van onderlegde en gewetensvolle leraars die praatten en praatten, terwijl de leerlingen "aandachtig toekeken als zaten ze voor een kunstenmaker". Zulke aandacht, die meer schijnbaar dan werkelijk is, legt niets vast. Hoe dikwijls heb ik veertien dagen later vastgesteld, dat niets, volstrekt niets overblijft van een welsprekende les!

 
Jules Payot (1859-1940).
Frans wijsgeer en schooldirecteur,
in "La Faillite de l'Enseignement" (Fr. Alcan, Paris. 1937).
Overgenomen in "Vlaamsch Opvoedkundig tijdschrift" (1937).
 

Wat men op de middelbare school leert is van secundair belang; waar het op aankomt, en ten slotte alleen op aan komt, dat is: dat men er leert leren.

 
H.J. Jordan (1877-1943).
Nederlands hoogleraar fysiologie.
 

Een zeker aantal opvoeders blijven sceptisch tegenover de opvoedende waarde der Biologie. Niet zelden wegens een volkomen gemis aan inzicht in de aard, en de methode dezer wetenschap. Zij zien in haar alleen een soort manie, een verzamelsport van dorre planten of dode dieren, een ijdel spel, een nutteloos tijdverdrijf. Iets als het collectioneren van sigarenbandjes of foto's van filmsterren. Of ze geven wél toe dat er wellicht zekere opvoedende elementen in te vinden zijn, maar blijven huiverig en wantrouwig als voor het onbekende, en trekken zich veilig terug achter de burgerlijke overtuiging dat het oude toch beter is dan al dat nieuwe.

 
Albert Raignier, S.J. (1904-2002).
Vlaams hoogleraar dierkunde KU Leuven,
in "Biologie en Opvoeding",
in "Vlaamsch Opvoedkundig tijdschrift" (1937).
 

Het leven bestendigt zich door de nimmer onderbroken verandering.

 
H.J. Jordan (1877-1943).
Nederlands hoogleraar fysiologie.

 

Het verstand, d.i. het vermogen om nieuwe problemen op te lossen, om hypothesen te vinden, en om die hypothesen te toetsen, het verstand is op dezelfde manier aanwezig in alle geestesarbeid. Er is evenveel verstand nodig om een Latijnse tekst te vertalen als om een meetkundig vraagstuk op te lossen. Het zijn steeds de materialen waarop en waarmee dit verstand werkt, die verschillen. Het mechanisme van het verstand is in de twee gevallen hetzelfde.
 
Edouard Claparède (1873-1940).
Zwitsers hoogleraar psychologie en pedagogiek.

 

De professor had het over "een component van de educatieve structuur". Hij bedoelde gewoon een leraar.
 
Uit "Roets historische weekkalender 2006".

 

In de bossen van Vlaanderen komen naar schatting meer dan 2000 soorten paddenstoelen voor.
 
Uit "Roets historische weekkalender 2006".

 

"Nuance", zei Emiel Beyens. "De wetenschap beweert niet dat een theorie waar is, maar wel dat ze nog niet weerlegd is."
 
Uit "Roets historische weekkalender 2006".
 

De allereerste aardappelen kwamen van de indianen uit Zuid-Amerika. Ze werden bij ons voor het eerst in Nieuwpoort geplant, in 1620.

 
Uit "Roets historische weekkalender 2006".
 

De natuur houdt ervan zich te verbergen.

 
Heraclitus (ca. 625-575 v.C.).
Grieks filosoof.
 

Een taxonomische ordening [van de organismen] leidt dus niet vanzelf tot een, in onze ogen, meer ambitieuze theorie als de atoomtheorie of de evolutietheorie. Maar omgekeerd valt er ook achteraf niet zoiets als de enige juiste taxonomische ordening van bijvoorbeeld het dierenrijk uit de evolutietheorie af te leiden. Het bestaan van ten minste vier hedendaagse classificatiesystemen die met elkaar rivaliseren is een argument voor de blijvende eigenstandigheid van het taxonomisch denken als een wetenschappelijke stijl.

 
Chunglin Kwa (° 1953).
Nederlands hoogleraar wetenschapsdynamica,
in " De ontdekking van het weten.
Een andere geschiedenis van de wetenschap".
(Uitgeverij Boom. 2005).
 

Ik moet bezig blijven, want er zijn altijd personen die in mijn spoor lopen. Ik moet mijn werk zo snel mogelijk publiceren, om zo in de wedloop te blijven.

 
Ernest Rutherford (1871-1937).
Brits fysicus in een brief aan zijn moeder (1900).
Nobelprijs scheikunde 1908.
 

Wie heden ten dage biologie gaat studeren in de verwachting veel over de evolutietheorie te weten te komen komt bedrogen uit. Wie dat toch wil zal op eigen initiatief zijn weg moeten zoeken naar een onderzoeksafdeling of museum waar aan evolutionaire reconstructies van het leven wordt gewerkt. Niet dat de evolutietheorie uit de biologie is verdwenen, maar in het centrum staat zij niet.

 
Chunglin Kwa (° 1953).
Nederlands hoogleraar wetenschapsdynamica,
in " De ontdekking van het weten.
Een andere geschiedenis van de wetenschap".
(Uitgeverij Boom. 2005).
 

Oorzaken hiervoor [namelijk de "verharding" van de evolutietheorie] kunnen deels worden gezocht in het karakter van de studies die tot de evolutionaire synthese leidden: meer dan veldstudies waren dit laboratoriumexperimenten. Anderzijds leidde de "physics envy" [de afgunst ten opzichte van de fysica] die in de betrokken periode hoogtij vierde tot een zoektocht naar "wetten" van de evolutietheorie, en in het algemeen een verklaringsmodel als een hiërarchisch gestructureerd deductief geheel. Een stimulans voor deze zoektocht leverde de filosoof Karl Popper die de evolutietheorie bestempelde als een metafysisch construct dat niet te falsifiëren was, ergo onwetenschappelijk. Niettemin zag hij het als een onderzoeksprogramma dat een kader kon vormen voor theorieën die wel falsifieerbaar waren (bijvoorbeeld het biologisch mechanisme dat voor een bepaalde adaptatie zorgde).

 
Chunglin Kwa (° 1953).
Nederlands hoogleraar wetenschapsdynamica,
in " De ontdekking van het weten.
Een andere geschiedenis van de wetenschap".
(Uitgeverij Boom. 2005).


Men vindt nievers geen paradijs

of t' zit een slange in.
 
Guido Gezelle (1830-1899).
Vlaams priester-dichter en korte tijd biologieleraar.
 

Vroeg een jongen stam gestaakt,

heeft veel krom hout recht gemaakt.
 
Guido Gezelle (1830-1899).
Vlaams priester-dichter
en korte tijd biologieleraar.
 

Van te luttel door de keel

sterft er min als van te veel.
 
Guido Gezelle (1830-1899).
Vlaams priester-dichter
en korte tijd biologieleraar.

 

     's Morgens bloeien
en 's avonds verslenschen,
     dat is den aard
van blommen en menschen.
 
Guido Gezelle (1830-1899).
Vlaams priester-dichter en korte tijd biologieleraar.
 

Leeraars en zijn geen toovenaars.

 
Guido Gezelle (1830-1899).
Vlaams priester-dichter en korte tijd biologieleraar.
 

De ouden zal men eeren,

de jongen zal men leeren,
de wijzen zal men vragen,
de dwazen zal men verdragen.
 
Guido Gezelle (1830-1899).
Vlaams priester-dichter en korte tijd biologieleraar.
 

Zulk kieken, zulk ei,

zulk ei, zulk kieken.
 
Guido Gezelle (1830-1899).
Vlaams priester-dichter en korte tijd biologieleraar.
 

Die tegen 't ruischen van de blaren niet en kan,

en moet in den bosch niet gaan.
 
Guido Gezelle (1830-1899).
Vlaams priester-dichter en korte tijd biologieleraar.
 

De ouders zien hunne kinders liever

als de kinders hunne ouders.
 
Guido Gezelle (1830-1899).
Vlaams priester-dichter en korte tijd biologieleraar. 
Drie medisch onderzoekers uit Seattle wisten met een genetische techniek in de vaginawand van 27 vaginosepatiënten [vaginose: ontsteking van de vaginawand] wel veel bacteriën te vinden die niet bij gezonde vrouwen waren aan te tonen. Gemiddeld vonden ze bij de patiënten dertien soorten bacteriën. De gemiddelde gezonde vrouw had maar drie types bacteriën in haar vagina, en dat waren voornamelijk onschuldige melkzuurbacteriën (Lactobacillus). Bij de onderzochte patiënten kwamen 35 verschillende bacteriën voor, waarvan bijna de helft nooit eerder beschreven was. Een groep van drie staafvormige soorten leek zelfs niet eens op een bekende bacterie. [...] Een speciaal aangepaste methode voor bacteriegenen werd ontwikkeld. Daarmee werd tien jaar geleden voor het eerst genetisch materiaal van complexe bacteriemengsels zichtbaar gemaakt. Er zijn ook al gemeenschappen van bacteriën in de diepe oceaan mee geanalyseerd, maar aan de vagina had totnogtoe nog niemand gedacht.
 
Hester van Santen.
Wetenschapsjournalist,
in "De Standaard" ( 9 februari 2006).
 

Jaarlijks identificeren wetenschappers tussen 15.000 en 20.000 nieuwe diersoorten. In totaal zijn al 1,75 miljoen soorten levende wezens gevonden, benoemd en beschreven. En de Aarde herbergt waarschijnlijk nog een dikke 13 miljoen soorten die nog niet "ontdekt" zijn, al is het aantal moeilijk te schatten. [...] Een internationaal onderzoeksproject, de "Census of Marine Life", beschreef in drie jaar tijd niet minder dan 500 nieuwe vissoorten en duizenden vreemde ongewervelden zoals sponzen en zeekomkommers. De inventaris van het project staat intussen al op meer dan 40.000 soorten, maar wellicht schuilen er nog miljoenen onbekende soorten in de wereldzeeën. [...] Wetenschappers hebben ontdekt dat in de darm van bijen en kevers tientallen gist- en bacteriesoorten leven die tot voor kort nog niet bestudeerd of beschreven waren.

 
Kim De Rijck.
Wetenschapsjournalist,
in "De Standaard" (11-12 februari 2006).
 
 
[Vraag: Waarover zullen we oorlog voeren tijdens de overgang van de industriële naar de kennismaatschappij? ] Alvin Toffler: Over wat de waarheid is. Over hoeveel informatie waar moet zijn in een kenniseconomie. En natuurlijk over de wetenschap. Stamcellen, intelligent design, zelfs nieuwe glasvezeltechnieken zullen reactionaire reacties oproepen van de Kerk, de dierenbescherming, de gezondheidszorg en nog wel tien andere groepen. Naarmate er meer gekloond en vaker genetisch gemanipuleerd zal worden, komt er een wereldwijde ruzie over wat het betekent om "mens" te zijn. En ik sluit niet uit dat er ook bij die discussies oorlogen uitbreken en doden vallen.
 
Alvin Toffler (° 1928).
Futuroloog,

in "Knack" (15-21 februari 2006).
 

Op school leren we wiskunde en aardrijkskunde, we zwoegen op woordjes, bestuderen chemische formules en we worden er dagelijks in getraind om onze mening met argumenten te onderbouwen. Er is bijna geen beroep meer waar geen opleiding voor nodig is. Voor bijna alles heb je een vakopleiding, een studie, een stoom- of spoedcursus, en zelfs bij een nieuwe dvd-speler worden we, voordat we het wagen de stekker van het supergevoelige apparaat in het stopcontact te steken, aangespoord om de zevenentachtig pagina's tellende gebruiksaanwijzing in vijf talen door te lezen.

Zodra echter het thema relaties aan de orde komt, gaan we er stilzwijgend van uit dat we ook zonder voorbereiding goed uit de voeten kunnen. Is dat niet merkwaardig? Het idee bijvoorbeeld om van verloofden een huwelijksrijbewijs te verlangen, klinkt ronduit absurd.
 
Bas Kast.
Bioloog en wetenschapsjournalist,
in "De liefde. En waar de hartstocht vandaag komt"
(Wereldbibliotheek, Amsterdam. 2006).
 
 
[Vraag: Naar wat we van u horen zouden we in verband met het darwinisme, en in het kader van wat we de observatiewetenschappen noemen, verplicht zijn om een aantal veronderstellingen aan te nemen. Er is voor het darwinisme geen onweerlegbaar bewijs en er is ook geen demonstratie mogelijk. Er worden dus verklaringen gegeven waarin de verbeelding toch een belangrijk aandeel heeft. Overigens doet men niet anders dan argumenten verzamelen of documenten die elkaar niet te veel tegenspreken.] Armand de Ricqlès : Inderdaad, en dat is een probleem dat thans heel intensief bestudeerd wordt door diegenen die zich interesseren voor epistemologie en voor de logica in de wetenschappen, enz. Er is een verschil tussen het bewijs door demonstratie, zoals dit in de exacte wetenschappen gebruikelijk is, en het bewijs door accumulatie, zoals dit in het bijzonder gebruikt wordt in de biologische wetenschappen. Het is vanzelfsprekend dat als men aan een wiskundige vraagt om een wiskundige stelling te bewijzen, hij dat met een stukje krijt en een bord in enkele minuten kan doen. Als men aan een bioloog vraagt om de waarheid van de evolutie en daarbij ook nog eens om een hypothese over het mechanisme van de evolutie te demonstreren, kan hij dit niet zomaar. Het enige wat hij kan doen is voorbeelden, gevallen opsommen en het is de samenloop van die gevallen die in zekere zin tot de intieme overtuiging leidt. Vanuit dit perspectief moet men er dus wel van overtuigd zijn dat men nooit echt bewijzen kan leveren en dat de accumulatie steeds verder moet gaan. Eigenlijk kan men met deze methode nooit "bewijzen"; het enige wat men kan doen is in gebreke stellen, weerleggen en tegengestelde voorbeelden aanvoeren.
 
Armand de Ricqlès.
Frans hoogleraar paleontologie,
in "Le darwinisme aujourd'hui"
(Éditions du Seuil, 1979).
 

De mens stamt af van apen? Laat ons hopen dat het niet waar is. Maar als het waar is, laat ons dan hopen dat het niet algemeen bekend wordt.

 
Victoria (1819-1901).
Koningin van Groot-Brittannië.
 

Dieren passen zich aan het milieu aan; mensen passen het milieu aan.

 
Jean Piveteau (1899-1991).
Frans hoogleraar paleontologie.
 

De schoonheid van de natuurwetten verschaft de natuurkundige genoegen, maar het is een nogal sobere en beperkte vorm van schoonheid vergeleken met de schoonheid van de kunst: die raakt ons dieper, die vertelt ons meer over onszelf en over de problemen die we in het dagelijkse leven tegenkomen.

 
Steven Weinberg (° 1933).
Amerikaans fysicus. Nobelprijs 1979.
 

De functioneelbioloog is fundamenteel begaan met de werking en de interactie van structurele elementen, van moleculen tot organen en volledige individuen. De voortdurend herhaalde vraag is "Hoe?" "Hoe werkt iets, wat is de functie ervan?" ... Hij tracht om alle veranderlijke factoren te elimineren of te controleren tot hij ervan overtuigd is dat hij de functie van het element dat hij bestudeert opgehelderd heeft. De belangrijkste techniek van de functioneelbioloog is het experiment, en zijn benadering is essentieel dezelfde als die van de fysicus of de chemicus. [...] De evolutiebioloog gebruikt een andere methode en ook de problemen waarin hij geïnteresseerd is, zijn anders. Zijn basisvraag is "Waarom?" En als we zeggen "waarom" moeten we ons altijd van de dubbelzinnigheid van deze term bewust zijn. Hij kan betekenen "hoe komt het dat?", maar hij kan ook de finalistische betekenis hebben van "waarvoor?" Het is onmiskenbaar dat de evolutionist het historische "hoe komt het dat?" bedoelt als hij vraagt "waarom?" Alle organismen, een individu of de individuen van een soort, zijn het product van een lange geschiedenis die teruggaat tot meer dan 2000 miljoen jaren geleden.

 
Ernst Mayr (1904-2005).
Amerikaans evolutiebioloog.
 

De biologische wetenschappen proberen de vitale mechanismen te begrijpen, construeren zo een nieuwe waarheid en trekken oude waarheden in twijfel. Voor sommigen gaan daarmee ook vroegere waarden verloren en dat is een belangrijk element in hun weerstand tegen de evolutietheorie. De wetenschap kan niet de waarheid over mens en kosmos ontsluieren. Ze werpt licht op sommige aspecten ervan, maar laat andere in duisternis. Religies onthullen en verhullen ook. Er is geen principiële reden waarom religie antiwetenschappelijk en wetenschap antireligieus zou moeten zijn. In feite behoren wetenschap en religie tot verschillende categorieën en zijn conflicten vaak een gevolg van domeinoverschrijding. Fundamentalisme leidt in beide kampen tot een verenging van het denken en een inperking van mogelijk verrijkende ervaringen. Geen beweging heeft het recht deze verenging en inperking aan anderen op te leggen.

 
Charles Susanne.
Hoogleraar biologie VUB,
in "Evolutie vandaag"
(VUBPress, Brussel. 2005).
 

Van het vijfjarige kind naar mijzelf is maar een stap, maar van de pasgeboren baby naar het kind van vijf is een verbijsterende afstand.

 
Leo Tolstoi (1828-1910).
Russisch schrijver en pedagoog.
 

De drang tot het innemen van medicijnen is misschien de meest uitgesproken eigenschap die ons van de dieren onderscheidt.

 
William Osler (1849-1919).
Canadees arts.
 

De mens is een rechtgekomen aap, geen gevallen engel.

 
Mark Eyskens (° 1933).
Vlaams politicus en hoogleraar KUL.

 
Een eerlijk mens, gewapend met de kennis die we nu tot onze beschikking hebben, zou alleen kunnen vaststellen dat, in zekere zin, de oorsprong van het leven een wonder schijnt, zo omvangrijk zijn de voorwaarden waaraan voldaan moest zijn om het in gang te zetten.
 
Francis Crick (1916-2004).
Brits moleculair bioloog.
Met Maurice Wilkins en James Watson Nobelprijs geneeskunde 1962.
 

Wat ik als wetenschapper vooral heb geleerd, is dat de natuur een enorme levenskracht heeft. De diversiteit is enorm. De slimmigheidjes die planten en dieren allemaal ontwikkelen om zich aan te passen, dat is toch prachtig. De bloem is uitgevonden toen er veel koolstofdioxide in de atmosfeer zat. De bladeren zijn breed geworden in het Devoon omdat er weinig koolstofdioxide in de atmosfeer zat. Dat is voor mij de les van het tropisch regenwoud: de inventiviteit van de natuur om zich aan te passen.

 
Salomon Kroonenberg.
Nederlands hoogleraar geologie,
in "Knack" (15-21 maart 2006).
 

Wegens het historische karakter van de evolutie, waardoor bepaalde eenmalige gebeurtenissen een fundamentele rol kunnen spelen in de verdere evolutie, is het tevens te verklaren dat van elkaar geïsoleerde levensvormen steeds meer gaan verschillen, ook wanneer de omstandigheden zeer gelijkaardig zijn. Wij zouden dit kunnen vergelijken met twee volksgroepen die in den beginne dezelfde taal spraken, doch vervolgens van elkaar geïsoleerd geraken. Wegens het dynamische van een taal zullen hierbij al na enkele tientallen jaren duidelijk verschillen gaan optreden en na zeer lange tijd kunnen de beide groepen wellicht elkaar nog nauwelijks verstaan. Op vergelijkbare wijze gaan fauna en flora van geïsoleerde gebieden, zoals ver van het vasteland gelegen eilanden, als de Galapagos-archipel, of geïsoleerde werelddelen, zoals Australië ten opzichte van de rest van de wereld, tenslotte steeds meer van elkaar afwijken, niettegenstaande alle levensvormen steeds aangepast zijn aan het milieu. Al deze bedenkingen, vormen gevolgen van het eenvoudige darwiniaanse evolutiemechanisme en verklaren op uitstekende wijze de grote diversiteit van het leven op aarde.

 
Walter Decleir.
Hoogleraar biologie Universiteit Antwerpen,
in "De lange weg van Big Bang tot mens" (De Garve, Brugge. 1983).
 

Uit het Nederlands is én het huidige Algemeen Nederlands in Nederland en Vlaanderen én het Afrikaans in Zuid-Afrika geëvolueerd.

 
Anoniem.
 

Vast werk en al mijn hobby's blijven doen: dat was het toekomstplan dat ik voor mezelf had uitgetekend. Ik wilde regent Nederlands-Engels-Duits worden, precies omdat ik dan veel vrije tijd zou hebben om bezig te zijn met andere dingen.

 
Willy Sommers.
Vlaamse zanger,
in "De Standaard" (25-26 maart 2006).
 

Een wetenschapper die zich alleen richt tot zijn gelijken is als een postbode die alleen briefwisseling bezorgt aan de beambten van de Post

 
Patrick Tort (°1952).
Frans hoogleraar evolutionisme.
 

Binnen het kader van de ecologie hoort men regelmatig vertellen dat het Amazonewoud de "longen van de planeet" vormen. Men weet dat dit niet waar is. Het ecosysteem bos verbruikt de zuurstof die door de vegetatie geproduceerd wordt, want indien dat niet het geval zou zijn, zou het ecosysteem koolstof opslaan wat alleen in venen gebeurt. Toch klagen de wetenschappers deze vergissing niet uitdrukkelijk aan. Waarom niet? Omdat, zelfs al is het een vergissing, het uitroepen van het Amazonewoud tot een belangrijke bron van zuurstof en er de bescherming voor vragen, in de goede richting gaat van een weldaad voor de mensheid, zoals de wetenschappers dat zien. Men klaagt dus alleen een onwaarheid aan als die niet in de goede richting gaat. Integendeel, verklaren dat het verdwijnen van een soort niet het evenwicht in de planeet, noch de menselijke soort in gevaar brengt, is in de meeste gevallen juist en wel degelijk goed geobserveerd. Maar die uitspraak kan heftige reacties oproepen, omdat ze niet in de goede richting gaat. Ik vind deze houding zeer gevaarlijk. De ethiek van de wetenschappers zou ertoe moeten leiden dat ze ook zeggen dat bepaalde zaken onwaar zijn, ook als ze in de goede richting gaan.

 
Pierre Henri Gouyon (° 1935).
Frans hoogleraar ecologie.
 

Soms wordt door tegenstanders van het darwinisme erop gewezen, dat de kans op het toevallig ontstaan van een organisme of van een orgaan zo klein is, dat men met dit toevallig ontstaan geen rekening mag houden. Er moet – zo gaat de redenering verder – derhalve toch iets anders in het spel betrokken zijn. [...] Ten eerste moet immers opgemerkt worden, dat volgens de waarschijnlijkheidsrekening elke, hoe onwaarschijnlijke combinatie ook, in feite kan optreden. [...] Een van de hierbij gemaakte vergissingen is de volgende. Men rekent bijvoorbeeld uit wat de kans is dat vier kaartspelers bij het willekeurig verdelen van de kaarten, elk dertien kaarten van dezelfde "kleur" hebben. Die kans is uiteraard bijzonder klein en men rekent daar dus niet mee. Men vergeet echter, dat de kans om de verdeling van de kaarten te krijgen zoals deze na het geven optreedt, eveneens ontzaglijk klein is en toch treedt zij feitelijk op.

 
Andreas M.G. van Melsen (1912-1994).
Nederlands hoogleraar wijsbegeerte,
in "Evolutie en Wijsbegeerte" (Aula-boeken, Antwerpen. 1964).
 

Schrijf je één bron over, dan heet dat plagiaat, schrijf je uit verschillende bronnen, dan heet dat research...

 
Anoniem.
 

Modicus cibi, medicus sibi. – Matige eters behoeven geen dokter.

 
Anoniem.
 

Qui medice vivit misere vivit. – Wie moet dokteren is er slecht aan toe.

 
Anoniem.
 

De mens is in vele opzichten interessant. Bij ons zit de mogelijkheid tot aanpassing voor een groot deel in onze grote hersenen. Wij voelen ons in vele omstandigheden goed. Dat is belangrijk omdat we erg afhankelijke kinderen hebben, die lange tijd verzorgd moeten worden. Dat betekent dat we een stabiele omgeving moeten kunnen garanderen, ondanks fluctuaties in voedselaanbod, weersomstandigheden, agressies, ziektes, enzovoort. Juist daarom is de partnerkeuze bij de mens heel complex: omdat ze belangrijk is voor de kinderzorg. Een andere reden waarom we zulke grote hersenen hebben, is omdat ze ons toelaten in een complex spel van vraag en aanbod onze beste kanten te laten zien, de slechtere te verbergen en tegelijk manipulaties bij potentiële partners te doorzien. Anders gezegd: we zijn erg beperkt door de lange ontwikkelingsduur van onze kinderen, maar enorm flexibel door onze grote hersenen.

 
Nico Michiels.
Vlaamse bioloog,
in "Knack" (29 maart-4 april 2006).
 

Alles dient zo eenvoudig mogelijk te worden voorgesteld, maar niet eenvoudiger dan dat.

 
Albert Einstein (1879-1955).
Duits-Amerikaans fysicus.
 

Wat uit technologisch oogpunt een fantastische prestatie lijkt, een bemande ruimtevlucht naar de maan [eerste maanlanding in 1969], ziet er vanuit een ander gezichtspunt uit als een volmaakte dwaasheid: duizenden hoog gekwalificeerde mensen zijn tientallen jaren intensief bezig om ten koste van zeer veel inspanning en enorme sommen geld een relatief klein aantal (twee) van hen, uitgedost in carnavalspakken, een paar potsierlijke danspasjes te laten uitvoeren op een droge, hete, atmosferische kei, waar niemand die bij zijn volle verstand is naar toe zou willen.

 
Paul Feyerabend (1924-1994).
Oostenrijks wetenschapstheoreticus.
 

Er is geen snellere manier voor een wetenschapper om zichzelf en zijn beroep in diskrediet te brengen dan door vierkant te verklaren – in het bijzonder wanneer niemand om zo'n uitspraak vraagt – dat de wetenschap alle antwoorden kent of spoedig zal kennen op alle vragen die de moeite van het vragen waard zijn, en dat vragen die geen wetenschappelijk antwoord toelaten in zekere zin pseudo-vragen zijn die alleen door simpele zielen gesteld worden en waarop alleen onnozelen het antwoord beweren te weten.

 
Peter Brian Medawar (1915-1987).
Brits hoogleraar dierkunde.
Nobelprijs geneeskunde 1960.
 

Ik ben tot de conclusie gekomen dat het Darwinisme [bedoeld is niet het evolutieproces, maar wel het verklarend evolutiemechanisme] niet een testbare wetenschappelijke theorie is, maar een metafysisch onderzoekprogramma, een mogelijk kader voor testbare wetenschappelijke theorieën. Het suggereert ons het bestaan van een aanpassingsmechanisme en staat ons zelfs toe de werking van dat mechanisme in detail te bestuderen. En tot nu toe is het de enige theorie die ons dat veroorlooft. Dit is natuurlijk de reden dat het Darwinisme vrijwel algemeen wordt aanvaard. De aanpassingstheorie was de eerste niet-theïstische die overtuigend was; en theïsme was erger dan een eerlijke erkenning van een mislukking, want het wekte de indruk dat er een uiteindelijke verklaring was bereikt. Welnu, in zoverre het Darwinisme dezelfde indruk wekt is het niet erg veel beter dan de theïstische kijk; het is daarom belangrijk aan te tonen dat het Darwinisme geen wetenschappelijke theorie is maar een metafysische. Maar zijn waarde voor de wetenschap als metafysisch onderzoekprogramma is zeer groot, in het bijzonder wanneer wordt toegegeven dat hij bekritiseerd en verbeterd kan worden.

 
Karl Popper, geciteerd door B. Halstead,
in "New Scientist 87" (1980), 215.
Overgenomen door Arie Van den Beukel (° 1933),
Nederlands hoogleraar fysica,
in "Met andere ogen. Over wetenschap en het
zoeken naar zin" (Ten Have, Baarn. 1999).
 

Niet geboorte, huwelijk of dood zijn de werkelijk belangrijke momenten in je leven, maar de gastrulatie.

 
Lewis Wolpert (° 1929).
Brits hoogleraar ontwikkelingsbiologie.
 

Veel insecten brengen een rigoureuze scheiding aan tussen de verschillende fasen van hun levensgeschiedenis. Rupsen wijden zich aan eten en groeien. Vlinders wijden zich, net als de bloemen die ze bezoeken, aan de voortplanting. Ze groeien niet en de nectar die ze opzuigen wordt onmiddellijk verbruikt als brandstof om te vliegen. Wanneer een vlinder zich met succes voortplant verspreidt hij niet alleen de genen van een efficiënt vliegende en parende vlinder, maar ook die van de efficiënt etende rups die hij ooit is geweest. Eendagsvliegen eten en groeien soms wel drie jaar lang als onder water levende larven. Wanneer ze ten slotte als vliegende volwassenen te voorschijn komen, hebben ze nog maar een paar uur te leven. Veel eendagsvliegen worden opgegeten door vissen, maar zelfs als dat niet het geval was zouden ze al snel sterven, omdat ze niet kunnen eten en zelfs geen ingewanden hebben. Het is hun taak rond te vliegen totdat ze een partner hebben gevonden. Daarna, als ze hun genen doorgegeven hebben – met inbegrip van de genen om een efficiënte larve te zijn die in staat is zich drie jaar lang onder water van voedsel te voorzien – sterven ze.

 
Richard Dawkins (° 1941).
Brits hoogleraar biologie,
in "Onze onsterfelijke genen"
(Contact, Antwerpen. 1995).
 

Waar mensen komen, verdwijnen de inheemse levensvormen.

 
Carl Zimmer
in "Evolutie. Triomf van een idee"
(Het Spectrum, Utrecht. 2002).
 

[U werd in 1991 docent van het jaar.] Dat was inderdaad een opsteker, maar zelfs die uitverkiezing viel bij sommige van mijn collega's niet goed. Ik weet nog dat één docent heel geringschattend zei: "Ach ja, een cabaretier en een woordkunstenaar zoals jij, die kan dat wel." Ik vond dat zo kwetsend. Ik dacht: je moest eens weten hoeveel inspanning een college me kost. Natuurlijk, ik klets gemakkelijk voor een zaal, maar ik bereid al mijn onderwijs heel intensief voor. Zelfs op de fiets oefen ik mijn hoorcolleges nog, schaaf ik aan mijn grappen. Die maak ik niet zo maar, maar omdat ik denk dat studenten de stof zo beter onthouden. Gelukkig zien studenten dat wél. Als ik al die jaren alleen maar grappen had gemaakt, hadden zij daar snel doorheen geprikt, maar mijn onderwijs is altijd goed gewaardeerd. En bij mij in de collegezaal heb ik nog nooit een student de krant zien lezen.

 
Jeen Haalboom.
Nederlands hoogleraar geneeskunde.
 

Het ergste kwaad dat iemand zichzelf met penicilline kan aandoen is dat men een te kleine dosis neemt, waardoor de infectie niet geneest en de microben zich juist aanleren het medicijn te weerstaan. Zo zou er dan een leger van penicillineresistente organismen gekweekt kunnen worden die bij andere individuen terecht kunnen komen en vervolgens weer bij anderen, totdat ze iemand bereiken die bloedvergiftiging of longontsteking heeft en die niet meer met penicilline genezen kan worden. Iemand die op zo'n roekeloze manier met een penicillinebehandeling omgaat, is moreel verantwoordelijk voor de dood van degenen die uiteindelijk aan een infectie van resistente bacillen bezwijken. Ik hoop dat zulk kwaad vermeden kan worden.

 
Alexander Fleming (1881-1955).
Brits microbioloog.
 

Hoe verhoudt "intelligent design" (ID; Intelligent Ontwerp in het Nederlands) zich tot creationisme? Welnu, ID is geheel wat anders. Het creationisme gaat uit van de vooronderstelling dat het Bijbelverhaal gelezen moet worden als een natuurwetenschappelijk accuraat verslag. In directe tegenstelling hiermee kent ID geen enkele a priori religieuze stellingname. ID analyseert de verschijnselen in de natuur volgens wetenschappelijk geaccepteerde methoden. De conclusie van ontwerp volgt uit die analyse van de data, en niet uit een a priori aanname van religieuze aard. ID claimt dat complexe elementen in de natuur leiden tot de conclusie van een intelligent ontwerp. Maar ID is bescheiden over wat het kan zeggen over de aard van de ontwerper. Die bescheidenheid rond de ontwerper is geen trucje, omdat eigenlijk "God" bedoeld wordt, zoals journalisten al snel concluderen. Nee, het is een terechte realisering dat op wetenschappelijke gronden niet veel kan worden gezegd over de aard van de ontwerper. De ontwerper kan inderdaad de Schepper God van het christendom zijn, maar de ontwerper is ook verenigbaar met Plato's demiurg, met het buitenaardse leven van Francis Cricks panspermia, of men kan agnostisch blijven en ID louter zien al een derde verklaringsmogelijkheid van natuurverschijnselen, naast kans en natuurwetten. ID is dus een denkwijze die ingrijpend verschilt van die van het creationisme.

 
Cees Dekker (° 1959).
Nederlands hoogleraar moleculaire biofysica,
in "Schitterend ongeluk of sporen van ontwerp?
Over toeval en doelgerichtheid in de evolutie"
(Ten Have, Kampen. 2005).
 

[Over wetenschappelijk onderzoek]
Eén negatief feit is meer waard dan een massa positieve feiten.
 
Louis Pasteur (1822-1895).
Frans chemicus en bacterioloog.
 
 
Van het leven van een geleerde hoeft men, behalve zijn boeken, niets anders te onthouden dan zijn geboortedatum en zijn sterfdatum.
 
Johannes Müller (1801-1858).
Duits hoogleraar fysiologie.
 

De beste van alle methodes om zeker te zijn van de degelijkheid van zijn observaties, is die waarbij men zich steunt op nieuwe observaties waarbij men net het omgekeerde doet van wat men eerst deed. Als de aldus verkregen resultaten net het omgekeerde aantonen is dat een bewijs van de juistheid van de eerste observaties.

 
Jean Senebier (1742-1809).
Zwitsers geestelijke en plantenfysioloog.
 

De verbranding bij de ademhaling lijkt in alles op die welke plaatsvindt bij een lamp [petroleumlamp] of bij een kaars, en, vanuit dit standpunt, zijn de dieren die ademen werkelijk echte brandbare lichamen die verbranden en verbruiken.

 
Antoine Laurent Lavoisier (1743-1794).
Frans chemicus en grondlegger van de
moderne chemie.
 

Mijn methode om tot de meest algemeen aanvaarde ideeën te komen, berust op de feiten die tot deze ideeën leiden. Hoe eerbiedwaardig een autoriteit die een idee vooropzet ook moge zijn, toch doe ik altijd nog eens zelf het onderzoek, door het bestuderen van de feiten die tot die ideeën geleid hebben.

 
Lazarro Spallanzani (1729-1799)
Italiaans priester-hoogleraar en natuuronderzoeker.
 

Omnis cellula e cellula – Elke cel komt uit een andere cel.

 
Rudolf Virchow (1821-1902).
Duits hoogleraar geneeskunde.
 

Omnis nucleus e nucleo – Elke celkern komt uit een andere celkern.

 
Walther Flemming (1843-1905)
Duits hoogleraar anatomie.
"Smeder" van het woord "mitose".
 

We moeten zoveel als we kunnen met behulp van experimenteel onderzoek de fysiologische processen buiten het lichaam laten plaatsvinden. Deze afzondering laat ons toe om beter de voorwaarden waaronder de verschijnselen doorgaan te zien en te begrijpen. We kunnen deze verschijnselen dan binnen het organisme nagaan om zo hun vitale rol te interpreteren. Zo hebben we de vertering en de kunstmatige bevruchting onderzocht, om aldus beter de vertering in het lichaam en de natuurlijke bevruchting te kennen.

 
Claude Bernard (1813-1878).
Frans hoogleraar fysiologie.
 

Wat zou er gebeuren indien de Homo sapiens zou verdwijnen, terwijl de soort toch verder zou evolueren? We kunnen ons dat met onze kleine hersenen niet voorstellen. Net zoals de prehistorische mens zich niet kon inbeelden wat we vandaag zouden zijn. Dat zet ons aan om een grote dosis nederigheid in acht te nemen, want we zijn niet meer dan een intermediair stadium in de evolutie van de mens. En we mogen dat ook hopen, als men ziet in elke toestand de wereld thans verkeert... We zijn niet het summum!

 
Christian de Duve (° 1917)
Belgisch biochemicus. Nobelprijs 1974.
 

Is het ooit tot je doorgedrongen dat je veel geluk hebt dat je leeft? Meer dan 99 procent van alle soorten organismen die ooit geleefd hebben, zijn uitgestorven zonder enig nageslacht. Maar geen enkele van onze voorouders valt onder die groep. Je behoort werkelijk tot een koninklijke afstammingslijn van winnaars!

 
Daniel Dennett (° 1942).
Engels hoogleraar filosofie.
 

Thuis vertelde ik aan tafel dat we op school geleerd hadden dat we van apen afstammen. Mijn vader reageerde daarop: "Jij misschien wel, maar ik niet."

 
Mark Eyskens (° 1933), Leuvens politicus en hoogleraar,
zoon van Gaston Eyskens (1905-1988),
Leuvens politicus en hoogleraar.
 

In de wetenschappen gaat de eer naar de persoon die de wereld kan overtuigen, niet naar diegene van wie het idee afkomstig is.

 
Francis Darwin (1848-1925).
Engels botanicus, zoon van Charles Darwin.
 

Een expert is iemand die weet wat de grootste fouten zijn die men in zijn vak kan maken en die dan weet hoe hij die kan vermijden.

 
Werner Heisenberg (1901-1976).
Duits hoogleraar fysica. Nobelprijs 1932.
 

Ik dacht niet na, ik deed experimenten.

 
Wilhelm Röntgen (1845-1923).
Duits fysicus. Ontdekker van de röntgenstralen.
 

De gemiddelde wetenschapper is zodanig getraind dat als hij iets doet dat door het algemene publiek begrepen wordt, dit dan betekent dat hij geen goede wetenschapper is. Dat is het wat ik dacht. Ik was verkeerd.

 
Paul Ralph Ehrlich (° 1932).
Amerikaans hoogleraar ecologie.
 

Het is met wetenschap dat we iets bewijzen, maar met intuïtie dat we iets ontdekken.

 
Henri Poincaré (1854-1912).
Frans wiskundige en natuurfilosoof.


Onwetend zijn over vele zaken,
kan aangenomen worden.
Weten dat je over vele zaken onwetend bent,
is het begin van de wijsheid.
Weten van de categorie van de zaken waarover je onwetend bent,
is het begin van het leren.
Weten van de details van de categorie van de zaken waarover je onwetend bent,
betekent dat je niet langer onwetend bent.
 
Phenella in "The Unwritten Comedy".
 

Iedereen heeft zijn eigen stamboom, maar van allen zit aan de top van de boom een boomdier.

 
Robert Louis Stevenson (1850-1894).
Brits essayist.
 

We leven langer en gezonder dan ooit tevoren. België heeft ongeveer de hoogste levensverwachting ter wereld.

 
Luc Bonneux.
Vlaams arts-epidemioloog in 2006.