Site logo

Vereniging voor het onderwijs in de biologie, de milieuleer en de gezondheidseducatie-vzw Contact

KERNACHTIGE UITSPRAKEN - REEKS IX

Het duurt ruim vijftig jaar voor dwalingen in de wetenschappen door nieuwe inzichten worden afgelost. Eerst moeten niet alleen de oude professoren, maar ook hun leerlingen uitgestorven zijn.
 

Max Planck (1858-1947).
Duits theoretisch fysicus.

 
De voornaamste oorzaak van armoede in de wetenschap is denkbeeldige rijkdom. Het voornaamste doel van de wetenschap is niet een deur te openen naar oneindige wijsheid, maar een grens te stellen aan oneindige dwaling.
 

Bertolt Brecht (1898-1956).
Duits toneelschrijver en dichter,
in "Leben des Galilei" (1938).

 
Voortaan is de biologie langzaam maar zeker binnengedrongen in het dagelijks leven. Zij biedt degelijke informatie aan, bijvoorbeeld over het bepalen van het vaderschap, de identificatie van een kind, enz. En door de nieuwe verworvenheden omtrent het statuut van de menselijke persoon (orgaantransplantatie, kunstmatige inseminatie, bewaring van sperma voor postume inseminatie, enz.) nodigt ze de juristen uit in de wetgeving bepaalde wetten aan te passen in verband met situaties die de samenstellers van de wetgeving niet konden voorzien.
Uiteindelijk is de boodschap van de biologie waardevol voor de socioloog, de psycholoog, de moralist, de politicus en de filosoof als die wetenschap ons bijvoorbeeld leert dat er geen overerving is van verworven eigenschappen. Bijgevolg zijn de effecten van de beschaving niet in staat om rechtstreeks de kwaliteit van de genen te wijzigen. De biologie herinnert er ook aan dat door de beschaving en door de verzachting van de natuurlijke selectie de genetische kwaliteit progressief vermindert. Ze onthult ook de stabiliteit van de rasverschillen als ze én de eenheid van de soort mens aantoont én de uniciteit van het individu en ook als ze de respectieve rol van de overerving en het milieu in de vorming van de mens beperkt en de mens integreert in de lijn van de dieren. Met dit alles toont de biologie de resultaten van een buitengewone geschiedenis die misschien nog niet haar eindpunt bereikt heeft.
De biologie is het meesterstuk van elk goed begrepen humanisme. Er is niets menselijks waarin ze niet betrokken is en waarop ze niet haar licht kan laten schijnen. Hoe de mens zichzelf ook beschouwt, welk beeld hij ook van zichzelf heeft, wat ook zijn ambities zijn, zijn streven, zijn wensen, toch zal hij rekening moeten houden, zowel in zijn denken als in zijn handelen, met de gegevens die ontdekt werden door de wetenschap van het leven. Want de mens is op de eerste plaats een kolonie van cellen, een verzameling van genen, het hoger dier dat hij in zichzelf herkent.
 

Jean Rostand (1894-1977).
Frans bioloog, lid van de Académie Française,
in "Biologie. Encyclopédie de la Pléiade" (1972).

 
Het onderscheid tussen mens en dier is in zekere zin slechts een verschil in graad. Maar de grootte van die graad maakt geheel het verschil. De Rubicon is overgestoken.
 

A. N. Whitehead (1861-1947).
Engels hoogleraar wiskunde.

 
Bijna 2.600 van de 7.000 basisscholen
[in Nederland] hebben in de afgelopen drie jaar te maken gehad met bedreigingen door ouders. Op meer dan 900 scholen is door ouders lichamelijk geweld gebruikt tegen personeel.
 

Nieuwe Rotterdamse Courant (4 juni 2005).

 
Hoeveel van de traditionele klinische kennis in medische leerboeken zou berusten op loze waarnemingen die niemand de moeite waard heeft gevonden te controleren en waarvan een deel onveranderd van generatie op generatie is doorgegeven? Tot de meest verdachte uitspraken horen die waarover geen twijfel bestaat – iedereen zegt het immers – maar die niet op feiten berusten.
Nog maar een paar jaar geleden kregen patiënten die een hartspierinfarct hadden gehad zes weken absolute bedrust voorgeschreven. Dit was de tijd die nodig werd geacht om de beschadigde hartspier te laten genezen. Er waren zelfs maar weinig artsen die de patiënten toestonden een stilletje te gebruiken in plaats van de ondersteek. Die artsen die dit wel toestonden, waren excentriek en moedig. Nu is vroege mobilisatie, zelfs binnen vierentwintig uur, regel, en patiënten die lange tijd het bed moeten houden en als gevolg daarvan stolsels in de benen krijgen, kunnen de dokter wel eens een proces aandoen wegens een medische fout.
Andere populaire en haast algemeen gedeelde overtuigingen waren nog niet zo lang geleden een zacht dieet bij een maagzweer en een vezelarm dieet voor diverticulose [uitstulpinkjes of divertikels van het slijmvlies] van de dikke darm. Een zacht dieet wordt niet langer aangeraden voor de behandeling van maagzweren en bij diverticulitis [ontsteking van de divertikels] wordt nu een vezelrijk dieet aanbevolen.
 

Petr Skrabanek en James McCormick.
In "Dwalingen en dwaasheden in de geneeskunde" (Sun, Nijmegen. 1993).

 
Hoe meer we het universum lijken te begrijpen, hoe zinlozer het lijkt.
 

Steven Weinberg (° 1933).
Fysicus. Nobelprijs fysica 1979.

 
Je moet niet huilen als iemand sterft, je moet huilen als iemand geboren wordt.
 

Emile Cioran (1911-1995).
Roemeens-Franse filosoof.

 
Vandaag is de loodgieterij het paradigma van het onderwijs geworden: als je maar een vak leert. Tot eind de jaren zestig was de centrale bedoeling van het onderwijs toch de vorming van de mens. De humaniora, nietwaar. Met name aan het onderwijs van de mensen die later aan de top van de maatschappij terechtkomen, werd erg veel belang gehecht. Omdat het net die mensen zijn die veel macht zullen krijgen, en dus die macht ook kunnen misbruiken. Zeker als ze niet gevormd zijn. Als de maatschappelijke elite alle slechte impulsen en negatieve aandriften die nu eenmaal des mensen zijn – machtswellust, hebzucht, eerzucht – vrijelijk de loop kan laten, tja, dan gaat het fout.
 

Andreas Kinneging.
Nederlands hoogleraar rechtsfilosofie, in "Knack" (8 juni 2005).

 
We zijn arm, we hebben geen drinkwater, we hebben geen energie, we hebben geen voedsel, we kunnen onze kinderen niet naar school sturen... Maar vaststellen dat je niet alles kunt oplossen, betekent nog niet dat je niets kunt doen. Om de negatieve spiraal te doorbreken, moeten we ergens beginnen en dat doen we best door te mikken op een haalbare actie, op iets dat betaalbaar is, dat binnen onze macht, capaciteit en middelen ligt. Het beste idee waar ik kon opkomen, was het planten van een boom. Het mooie aan dat idee was dat het inderdaad haalbaar was én makkelijk uit te leggen aan ongeschoolde vrouwen. Je kan samen met de vrouwen de zaden planten, de scheut zien groeien, er samen zorg voor dragen. En zij beseffen allemaal dat een fruitboom over enkele jaren vruchten geeft waarvan het hele gezin zal genieten en dat een andere boom voeder levert voor het vee. De boom is voor mij een prachtig instrument geworden om de kringloop van de armoede te doorbreken.
 

Wangari Maathai (° 1940).
Hoogleraar biologie. Nobelprijs voor de vrede 2004.
In" Mo" (juni 2005).

 
Liefde is een vuile streek die ons geflikt wordt om ervoor te zorgen dat we onze soort in stand houden.
 

William Somerset Maugham (1874-1965).
Brits romanschrijver.

 
In het westen krijgen vaccinontwikkelaars ook te maken met groeiende tegenwind van antivaccingroepen, die vinden dat de veiligheid van vaccins onvoldoende is bewezen en hun twijfels hebben bij de steeds maar groeiende reeks inentingen in het vaccinatieschema. "Ze komen met semi-wetenschappelijke argumenten aandraven en vinden gemakkelijk gehoor bij ouders, nu ziekten als kinderverlamming en mazelen in onze samenleving vrijwel uit beeld zijn verdwenen", zegt Bruce Dan [Amerikaanse epidemioloog]. "Ze vergeten er bij te zeggen dat we dat precies aan vaccinatie te danken hebben. Doordat zoveel mensen ingeënt zijn, kunnen haast geen epidemieën meer ontstaan omdat er niemand meer is van wie je de ziekte kunt opdoen. En dus kun je rustig voorbijgaan aan je sociale plicht om je kind te laten vaccineren, en ervan uitgaan dat het niet besmet zal raken omdat al die anderen wel gevaccineerd zijn. Maar die redenering kun je niet eindeloos blijven doortrekken. Als te veel mensen weigeren zich te laten inenten, verdwijnt de beschermende werking die van de massa uitgaat. De kruik gaat zo lang te water tot ze barst."
 

Hilde Van den Eynde.
Wetenschapsjournaliste in "De Standaard" (10 juni 2005).

 
Is het verwonderlijk dat werken voor heel wat mensen allang geen bron meer is van creativiteit en zelfrealisatie, maar van ondermijnende belasting? Vooral oudere werknemers, mannen met een fysiek zware baan of een routinejob, en buitenshuis werkende vrouwen met kinderen hebben het moeilijk om het vol te houden op de arbeidsmarkt. Vluchten in de ziektewet blijkt voor velen de ultieme "oplossing". En ja zeker, ook onze kinderen moeten zo vroeg mogelijk worden voorbereid op de "ratrace". Al vanaf de kleuterschool worden ze aangemoedigd hun speelkameraadjes de loef af te steken. Hun agenda is overvol: naast de school is er de muziekles, ballet, tennis... en overal worden prestaties verwacht. Tekenend is dat het vroegere "wees braaf!" vervangen is door "wees flink!".
 

Boudewijn Van Houdenhove.
Hoogleraar medische en gezondheidspsychologie KU Leuven,
in "In wankel evenwicht. Over stress, levensstijl en welvaartsziekten"
(Lannoo, Tielt. 2005).

 

Sluipmoordenaar, serial killer, millenniumziekte... obesitas wordt dan ook terecht door verschillende internationale organisaties – waaronder de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) – bestempeld als volksvijand nummer één. Ernstige zwaarlijvigheid zou wereldwijd de oorzaak zijn van 2,5 miljoen sterfgevallen per jaar, dat is meer dan het aantal doden door aids!
 

Boudewijn Van Houdenhove.
Hoogleraar medische en gezondheidspsychologie KU Leuven,
in "In wankel evenwicht. Over stress, levensstijl en welvaartsziekten"
(Lannoo, Tielt. 2005).

 
Inderdaad, laten we er geen doekjes om winden: onze kinderen betalen een prijs voor onze welvaart. Hoeveel peuters worden er al niet bij het vroege ochtendgloren in de opvang gedropt? Hoeveel moeders hebben niet, wegens hun meervoudig takenpakket, onvoldoende tijd en energie om hun kinderen een gezonde voeding te bezorgen? Hoeveel kinderen moeten niet elke ochtend vlug-vlug hun boterhammen opeten in de auto (de files zijn toch nog voor iets goed)? En hoeveel vaders zijn 's avonds en in het weekend niet te uitgeput om met hun kinderen te voetballen of naar het zwembad te gaan?
 

Boudewijn Van Houdenhove.
Hoogleraar medische en gezondheidspsychologie KU Leuven,
in "In wankel evenwicht. Over stress, levensstijl en welvaartsziekten"
(Lannoo, Tielt. 2005).

 
We verdrinken in een zee van informatie. Door onze ononderbroken jacht op informatie loopt de kennis gevaar. We dreigen allemaal samen te verdrinken in een zee van gegevens die we niet meer in "weten" kunnen omzetten, en al helemaal niet in bruikbare kennis om onze grote en kleine problemen aan te pakken. In plaats van kennis en macht te schenken, laat de informatievloed ons achter in verwarring en onmacht.
 

Dirk Barrez.
Journalist in "De Standaard"

 
In de fysica is de voornaamste manier om kennis te verzamelen het experiment in het laboratorium, waarbij men de parameter waarvan men het effect wil weten, manipuleert, parallelle controle-experimenten uitvoert waarbij die parameter constant wordt gehouden, andere parameters gedurende het hele onderzoek constant houdt, zowel de experimentele manipulatie als het controle-experiment repliceert, en kwantitatieve gegevens verkrijgt. Deze werkwijze die ook perfect werkt in de chemie en de moleculaire biologie, wordt in de gedachten van veel mensen zozeer vereenzelvigd met wetenschap dat experimenteren vaak aangezien wordt voor de essentie van het bedrijven van wetenschap. Maar laboratoriumexperimenten kunnen natuurlijk geen of nauwelijks een rol spelen in veel historische wetenschappen, ook niet als we astronomie, klimatologie, ecologie, evolutiebiologie, geologie en paleontologie tot de historische wetenschappen rekenen. We kunnen de ontwikkeling van het melkwegstelsel niet onderbreken, cyclonen en ijstijden niet laten beginnen en ophouden, experimenteel grizzlyberen in enkele nationale parken laten uitsterven of de evolutionaire ontwikkeling van de dinosauriërs herhalen. In plaats daarvan moeten we in deze historische wetenschappen op andere manieren kennis vergaren, zoals via observatie, vergelijking en zogeheten natuurlijke experimenten.
 

Jared Diamond (° 1937).
Amerikaans hoogleraar biologie en geografie,
in "Zwaarden, paarden en ziektekiemen. Waarom
Europeanen en Aziaten de wereld domineren".
(Spectrum, Utrecht. 2000).

 
 
Rokers sterven tien jaar vroeger.
 

Sir Richard Doll (° 1912).
Engels hoogleraar geneeskunde.

 
Bij een examen bereidt ons lichaam zich voor op de kwetsuren en infecties die we kunnen oplopen tijdens de jacht op een mammoet.
 

Bruce McEwen.
Amerikaans hoogleraar neurowetenschappen.

 
 
In de vroegste geschiedenis van de mens was het technologisch nut gegrondvest op de beschikbaarheid van bepaalde planten, dieren en geografische factoren. In de hedendaagse tot stand gekomen informatiemaatschappij zijn de natuurlijke hulpmiddelen de intelligentie van de mens, zijn kunde en zijn leiderschap. Elke plaats op de wereld heeft dat in overvloed, wat belooft dat het volgende hoofdstuk van de geschiedenis van de mens bijzonder interessant zal zijn.
 

Bill Gates (° 1955).
Amerikaans handelaar in software.

 
We geven toe dat we op apen lijken, maar we realiseren ons zelden dat we apen zijn.
 

Richard Dawkins (° 1941).
Engels hoogleraar dierkunde.

 
Pokken, mazelen, griep, tyfus, builenpest en andere infectieziekten die in Europa endemisch waren, speelden een beslissende rol in de Europese veroveringen doordat ze talrijke volkeren op andere continenten decimeerden. Zo vernietigde een pokkenepidemie bijvoorbeeld de Azteken na het mislukken van de eerste Spaanse aanval in 1520 en doodde eenzelfde epidemie ook Cuitláhuac, de Aztekenkeizer die korte tijd Montezuma opvolgde. In heel Noord- en Zuid-Amerika verspreidden de door Europeanen geïntroduceerde ziekten zich van de ene stam naar de andere, ver voor de Europeanen uit, en doodde naar schatting 95 % van de pre-Columbiaanse Indianenbevolking.
 

Jared Diamond (° 1937).
Amerikaans hoogleraar biologie en geografie,
in "Zwaarden, paarden en ziektekiemen. Waarom
Europeanen en Aziaten de wereld domineren".
(Spectrum, Utrecht. 2000).

 
Misschien is het verrassend om te horen dat plantenzaden bestand zijn tegen vertering in je darmen en gewoon kunnen kiemen als ze in de uitwerpselen terechtgekomen zijn. Lezers die een beetje avontuurlijk zijn ingesteld en niet te fijngevoelig zijn, kunnen dat uitproberen en het zelf bewijzen. Feitelijk moeten de zaden van veel wilde planten de darm van een dier passeren voordat ze kunnen kiemen. Een Afrikaanse meloensoort is bijvoorbeeld zo goed aangepast aan consumptie door een hyena-achtig dier, de aardwolf, dat de meeste meloenen van die soort groeien op de plekken waar aardwolven hun uitwerpselen deponeren.
 

Jared Diamond (° 1937).
Amerikaans hoogleraar biologie en geografie,
in "Zwaarden, paarden en ziektekiemen. Waarom
Europeanen en Aziaten de wereld domineren".
(Spectrum, Utrecht. 2000).

 
Van nature zijn we geneigd om over ziekten te denken vanuit ons eigen standpunt: wat kunnen we doen om onszelf te redden en de bacillen te doden? Laten we de schurken verpletteren zonder ons af te vragen wat hun motieven zijn! In het algemeen moet je in het leven echter je vijand begrijpen om hem te kunnen verslaan en dat geldt vooral in de geneeskunde.
Laten we daarom beginnen door tijdelijk onze menselijke vooringenomenheid opzij te zetten en ziekte te bekijken vanuit het standpunt van de bacil. Tenslotte zijn micro-organismen evengoed een product van de natuurlijke selectie als wijzelf. Wat voor evolutionair voordeel heeft een bacil door ons op bizarre wijze ziek te maken, door bijvoorbeeld geslachtsziekten of diaree te veroorzaken? En waarom moeten bacillen zich zo ontwikkelen dat ze ons doden? Dat lijkt buitengewoon raadselachtig en zelfdestructief omdat een bacil die zijn gastheer doodt daardoor zichzelf doodt.
In de grond van de zaak evolueren micro-organismen net als andere soorten. De evolutie selecteert de individuen die zich het meest effectief voortplanten en bevordert hun verbreiding naar een gunstige omgeving.
 

Jared Diamond (° 1937).
Amerikaans hoogleraar biologie en geografie,
in "Zwaarden, paarden en ziektekiemen. Waarom
Europeanen en Aziaten de wereld domineren" (Spectrum, Utrecht. 2000).

 
"De genen kunnen ieder mens vertellen welke voeding geschikt voor hem is en wat voor een leven hij zou moeten leiden", verklaart Rosalynn Gill-Garrison, Amerikaanse biologe van de firma Sciona. Door Sciona werd de eerste in de supermarkt verkrijgbare test ontwikkeld: "You & Your Genes" heet de procedure die negen genen onderzoekt en een "langer" en "gezonder" leven zou opleveren. De systematische opsporing op het gebied van de erfelijke aanleg wordt door de firma Sciona over de hele wereld aangeboden: via de telefoon, het internet en begin 2002 zelfs in alle Engelse filialen van de "Body Shop". [...] De kopers van de gentest moesten een formulier invullen waarin naar eet-, drink- en rookgewoontes wordt gevraagd en vervolgens met een speciaal wattenstaafje langs de binnenkant van hun wang strijken. Er blijven ongeveer 2000 cellen kleven aan het staafje, dat de klant vervolgens in een buisje aan Sciona moet opsturen.
 

Jörg Blech.
Duits bioloog en wetenschapsjournalist,
in "De ziektemakers. Hoe wij tot patiënt gemaakt worden".
(Wereldbibliotheek, Amsterdam. 2005).

 
Voor het eerst sinds jaren wonen er in Vlaanderen minder varkens dan mensen. In 1999 waren er nog ruim 7,3 miljoen varkens, tegenover 5,999 miljoen in 2004. De 6,016 miljoen mensen in Vlaanderen zijn dus met net iets meer. Al blijft er in West-Vlaanderen natuurlijk nog een ruime dominantie van het aantal varkens op mensen.
 

Yves Leterme.
Vlaams minister-president (17 juni 2005).

 
Het raadsel van de Sfinx uit de Griekse mythologie: "Wat loopt op vier voeten, dan op twee voeten en dan op drie. Maar op hoe meer voeten het loopt, des te zwakker is het?" Het antwoord is de mens, die eerst op alle vier kruipt, daarna rechtop op twee voeten loopt en zich ten slotte op oudere leeftijd behelpt met een stok.
 
 
In gunstige omstandigheden splitst de Escherichia coli, een bacterie in het menselijk darmkanaal, zich elke 15 minuten in tweeën om zich te reproduceren. In 24 uur kan één bacterie zijn uitgegroeid tot 4 x 1028 exemplaren.
 
Een mier kan 50 keer zijn eigen gewicht tillen. Als een gemiddelde man datzelfde zou kunnen doen, zou hij in staat zijn 3.674 kg op te tillen. Dat is 29 % meer dan het bestaande record.
 
Slechts bij sommige ziektes scheppen gentests duidelijkheid. Ongeveer 280 ziektes kunnen inmiddels door gentests gediagnosticeerd worden, en dat getal zal snel stijgen. [Een regelmatig bijgewerkt overzicht van de beschikbare gentests vindt men op het internet onder www.geneclinics.org ]. Een blik op de genen maakt voor veel erfelijke ziektes betrouwbare prognoses mogelijk, en wel voor die aandoeningen die door een defect aan een speciaal gen ontstaan: de schijnbaar nietige fout kan tot de ernstigste symptomen leiden en zelfs tot de dood. Bij deze zo genoemde monogene ziektes kunnen gentests duidelijk vaststellen wie ziek is en wie gezond. Daarom kunnen niet alleen de toekomstige risico"s voor een mens worden voorspeld; ook de kans dat volgende generaties ziek worden, kan worden beïnvloed: door prenataal onderzoek en selectieve abortussen. Het aantal monogene ziektes wordt op wel 5.000 geschat; gelukkig zijn ze nauwelijks onder de bevolking verspreid en "maken ze maar twee tot drie procent uit van de totale ziektelast," aldus de medisch sociologen Günter Fueierstein en Regine Kollek.
 

Jörg Blech.
Duits bioloog en wetenschapsjournalist,
in "De ziektemakers. Hoe wij tot patiënt gemaakt worden".
(Wereldbibliotheek, Amsterdam. 2005).

 
De geneeskunde is zover voortgeschreden dat niemand meer gezond is.
 

Aldous Huxley (1894-1963).
Brits romanschrijver en essayist.

 
Een gezonde is iemand die verkeerd is onderzocht.
 

Medische wijsheid.

 
Of niet-ziektes tot een volksepidemie uitgroeien, dat bepaalt voornamelijk de farmaceutische industrie. Want pas wanneer een firma een pil tegen een vermeende kwaal heeft uitgevonden, wordt ze tot een bedreiging opgeblazen. De "farmaceutische industrie speelt op dit moment een sleutelrol bij de medicalisering", luidt het commentaar van de Londense gezondheidsdeskundige David Gilbert. "Zodra een geneesmiddel beschikbaar is, gaan er vanuit de industrie campagnes van start om de kwaal in de hoofden van de artsen en de potentiële patiënten opnieuw te definiëren." De vermeende gezondheidsproblemen worden vervolgens voorgesteld als een soort ziekte waaraan men nog het best met farmaceutische middelen het hoofd kan bieden.
 

Jörg Blech.
Duits bioloog en wetenschapsjournalist,
in "De ziektemakers. Hoe wij tot patiënt gemaakt worden".
(Wereldbibliotheek, Amsterdam. 2005).

 
Geen enkel hormoonpreparaat, geen enkele vitamine, geen enkel antioxidant, geen enkele operatie, ja zelfs geen enkele verandering van levensstijl is in staat het ouderdomsproces aantoonbaar te beïnvloeden. Deze treurige maar biologisch juiste conclusie werd onlangs getrokken door Jay Olshansky van de University of Illinois te Chicago.
 

Jörg Blech.
Duits bioloog en wetenschapsjournalist,
in "De ziektemakers. Hoe wij tot patiënt gemaakt worden".
(Wereldbibliotheek, Amsterdam. 2005).

 
Opvoedkunde. In de etymologie ligt niet alleen de ziel der woorden maar ook van een gans volk. Neem bijv. de opvoedkunde, Nederlandse term waarin de man der lage landen, de man met de flinke maag, natuurlijk aan voedsel, aan eten en drinken heeft gedacht. De Duitser, de man van de militaire oefeningen, spreekt van Erziehung, om de groenen uit de klei te trekken (ziehen); terwijl de Fransman, zachtmoediger en met een hoofd helder als een lantaarn, eduqueert, leidt, voorlicht. Ik zou eens willen weten hoe de Chinezen, de Arabieren, de Kaffers het zeggen.
 

Johan Daisne (1912-1978).
Vlaams auteur,
in "Met een inktvlek geboren".
(Heideland, Hasselt. 1961).

 
Wat heeft koken met biodiversiteit te maken? Wat we eten, heeft invloed op het milieu. Vandaag heb je een zeer ruime keuze in de supermarkt, maar tegelijkertijd is de variëteit ook sterk teruggelopen. Vroeger was onze voeding samengesteld uit meer dan 30.000 verschillende soorten planten, fruit en vlees, nu steunt 90 % van onze consumptie op een dertigtal gewassen. Dat zet bepaalde aspecten van onze voedselproductie sterk onder druk. De meeste zeeën zijn bijna leeggevist. En hoewel het plezierig is dat we heel het jaar door aardbeien kunnen kopen, moeten we heel veel energie verstoken om die vruchten ook in de winter te kunnen eten. Vroeger volgden we veel meer de seizoenen, met minder negatieve gevolgen voor het milieu.
 

Jurgen Tack.
Bioloog, auteur van
"De heerlijke keuken. Biodiversiteit op tafel".
(Argus, Antwerpen. 2005).

 
Het is schandelijk een dokter nodig te hebben niet alleen voor een letsel of een reguliere ziekte, maar omdat we, door het soort leven te leiden zoals we dat hebben beschreven – luxueus voedsel uit Syracuse en andere plaatsen op Sicilië, Korinthische meisjes en Attische snoeperijen –, ons lichaam met gassen en afval hebben gevuld, als stilstaand water in een vijver, en de artsen hebben gedwongen namen voor onze ziekten te verzinnen, zoals flatulentie en catarre.
 

Socrates (469-399 v.C.).
Grieks wijsgeer.

 
Het is zo stil in zijn school [Don Bosco-Mariaberginstituut, een technische school in het Vlaamse Essen] dat ik eerst denk dat het vakantie is. De gangen zijn leeg. De leerlingen zijn vrijwel geruisloos in hun lokaal aan het frezen, tekenen of construeren. Of ze strijken kleren, want zorg is een van de specialisaties. De orde komt niet alleen voort uit de strenge regels en kleine klassen (ruimer budget, dat niet gaat naar onderwijskundigen), maar de leerlingen zijn ook bezig met werk dat ze leuk vinden.
Van het Belgische onderwijs zijn de ideologische hervormers met de vingers afgebleven. Het gevolg is dat Nederlandse leerlingen van Maastricht tot Zeeuws-Vlaanderen met duizenden de grens oversteken om in Vlaamse scholen onderwijs en avondcursussen te volgen en examens te doen. Omgekeerd haalt vrijwel geen Belg het in zijn hoofd om in Nederland naar school te gaan.
Via het onderwijs geeft Vlaanderen ontwikkelingshulp aan het kapothervormde Nederland.
[...]
Een leerkracht wijst me op vier schooltassen die buiten het rek op de grond staan. De leerlingen die dat hebben gedaan, moeten strafwerk schrijven. Dat kan in Nederland niet. Strenge leraren worden door ouders met honkbalknuppels opgewacht.
 

Maarten Huygen.
Nederlands journalist,
in "De Standaard" (27 juni 2005).

 
De plantenbiotechnologie kan een wapen zijn in de strijd tegen de honger. De wereld telt vandaag 6,3 miljard mensen en elk jaar komen er tachtig miljoen bij. Nu al slagen we er niet in om alle monden te voeden. Als er straks in 2050 elf miljard mensen moeten worden gevoed, zullen we de biotechnologie hard nodig hebben om te verhinderen dat misoogsten hongersnood veroorzaken.
 

Dirk Inzé.
Hoogleraar biotechnologie RU Gent,
in "De Standaard" (30 juni 2005).

 
De maatschappij van de mensen is samengesteld uit twee grote klassen. De eerste omvat diegenen die meer maaltijden dan honger hebben en de tweede diegenen die meer honger dan maaltijden hebben.
 

Chamfort (1741-1794).
Frans auteur.

 
De natuur kent eigenlijk maar één brandstof, namelijk waterstof.
 

Albert von Szent-Györgyi (1893-1986).
Hongaars biochemicus. Nobelprijs geneeskunde 1937.

 
Houd borst en voeten warm,
vul matig uw darm,
houd d'achterpoort goed open
en laat de dokters naar de bliksem lopen.
 

Herman Boerhaave (1668-1738).
Nederlands geneeskundige, botanicus en chemicus.

 
Bij de apen eist de apenleider voorrang bij de voedselbedeling. Hij zet zijn haren overeind, loopt met veel kabaal door de groep en eist de vruchtbare vrouwtjes voor zichzelf op. Hij heeft het leiderschap veroverd na een strijd tegen de vorige leider en de andere mannetjes. Er geldt een strikte hiërarchie. Toch heeft de leider ook de steun van de groep nodig.
In een bedrijf gaat het er eigenlijk net hetzelfde aan toe. De hiërarchie is in een strak schema gegoten. De baas imponeert steevast met een groot kantoor en een gereserveerde parkeerplaats. Hij brengt regelmatig zijn werknemers bij elkaar en verheft zich boven de groep met een opzwepende toespraak. De voorrang bij de voedselverdeling kan eenvoudig vertaald worden naar zijn hogere loon. En een noodzakelijke voorwaarde voor een goede leider: hij moet de steun van zijn mensen genieten.
 

Patrick van Veen.
Nederlandse bioloog en managementsopleider,
in "Bizz" (juli-augustus 2005).

 
Een uitvinding: 1 % inspiratie, 99 % transpiratie.
 

Thomas Edison (1847-1931).
Amerikaans uitvinder.

 
Er is iets dat veel mooier is dan de mooiste ontdekkingen, en dat is de kennis van de manier waarop de menselijke geest deze ontdekkingen doet.
 

Gottfried Wilhelm von Leibniz (1646-1716).
Duits filosoof.

De technische en industriële ontwikkeling der maatschappij heeft een gunstig psychologisch klimaat voor technische en natuurwetenschappelijke vakken doen ontstaan. Moeten wij dit klimaat als opvoedings- en onderwijsfactor blijven verwaarlozen? Of moeten wij het juist in sterkere mate gaan exploiteren?
M.i. dwingt de tegenwoordige maatschappij tot het laatste. Zowel in het belang van de onderwezene als ter handhaving van het geestelijk en materieel welvaartspeil in onze streken. Het is het belang van de onderwezene dat hij op school kan ervaren of hij aanleg en belangstelling voor natuurwetenschappelijke of technische richting heeft. Voor de handhaving van ons levenspeil heeft de samenleving een groot aantal adepten van de natuurwetenschap en techniek nodig. De geschiktheid voor ontplooiing op deze gebieden mag niet verborgen blijven door de frustrerende werking van verkeerd gericht onderwijs.
Ook die onderwezenen, wier beroepskeuze nimmer in genoemde richtingen zal gaan, komen bij de tegenwoordige structuur der maatschappij meermalen met een vraagstelling van natuurwetenschappelijke aard in aanraking. Wel zal men veelal advies aan deskundigen vragen, maar de vrager moet in staat zijn hun adviezen te verwerken.
Ten slotte: als men van het onderwijs een algemene vorming verlangt, beseffe men dat een dergelijke vorming in 1960 onvolledig is, als zij niet tevens natuurwetenschappelijke opvoeding insluit. De weg van de kennis is onomkeerbaar; in 1960 kan een erudiet niet volstaan met de kennisstand van 1660.
 

R.L. Krans.
Nederlands fysicaleraar,
in "De betekenis van de natuurwetenschappen
voor de opvoeding in deze tijd" (1961).

De leraar die de natuurwetenschappen doceert moet voor zichzelf een helder en duidelijk besef hebben van de wijze waarop de natuurwetenschap eigenlijk werkzaam is, wat de natuurwetenschap leert omtrent de mens, en de invloed die de natuurwetenschap in de geschiedenis en de cultuur heeft. Pas dan kan hij deze natuurwetenschap inbouwen in de totale vorming van de mens. Want die toekomstige mens, die op het ogenblik op school is, die jonge mens die studeert, zal straks als volwassene in een wereld leven, die reeds veel meer dan wij ziet wat de toekomstige betekenis van de natuurwetenschap en de techniek zal zijn voor de verdere uitbloei van de cultuur. Het lijkt me van de allerfundamenteelste betekenis voor het geluk van deze jonge mensen, voor de toekomst van de mensheid, dat wij datgene, wat zich zo duidelijk toont in de ontwikkeling van de wetenschap, ook in alle ernst in ons onderwijs laten doorwerken. Ons traditioneel cultuurideaal, waarvan ik dus overtuigd ben dat het niet alleen de aanzet is geweest tot ons modern cultuurbesef, maar ook de voortdurende inspiratiebron, zal ons steeds meer doen zien, dat natuurwetenschap en techniek voor de mens, die nu eenmaal als stoffelijk wezen in de stoffelijke werkelijkheid staan moet, de onmisbare voorwaarden zijn voor zijn cultuur.
 

Andreas G. M. van Melsen (1912-1994).
Nederlands hoogleraar wetenschapsfilosofie,
in "De betekenis van de natuurwetenschappen
voor de opvoeding in deze tijd" (1961).

 
We hebben de gewoonte om de artikels die we voor wetenschappelijke tijdschriften schrijven zo afgewerkt mogelijk te maken. We vermelden al de denkwegen en maken ons niet bezorgd over de blindeindigende steegjes en we beschrijven ook niet welke verkeerde ideeën we eerst hadden. Zo publiceren we op een waardige manier niet wat we allemaal gedaan hebben om het werk tot stand te brengen.
 

Richard Feynman (1918-1988).
Amerikaans fysicus. Nobelprijs 1965.

 
Verbreding, verdieping of modernisering van onderwijs in de natuurwetenschappen is nodig in alle takken van onderwijs:
a. om te zorgen, dat in de toekomst onze verantwoordelijke regeringsleiders daadwerkelijk de draagwijdte van hun beslissingen kunnen overzien en niet volledig afhankelijk blijven van voor hen onleesbare rapporten van deskundigen. Het is verontrustend, dat onze sterk technologisch beheerste samenleving geregeerd wordt door mensen, die voor het merendeel weinig of geen kennis op natuurwetenschappelijk gebied hebben.
b. om te zorgen, dat meer mensen vertrouwdheid opdoen met het natuurwetenschappelijk bestanddeel van onze cultuur, opdat deze niet beperkt blijve tot specialisten, die elkaar niet verstaan en zelf niet begrepen worden door anderen.
c. om te zorgen, dat de mensen niet nodeloos van elkaar vervreemden of elkaar verguizen, doordat ze uit verschillende delen van het cultuurpatroon komen.
 

W. P. J. Lignac.
Nederlands leraar fysica,
in "De betekenis van de natuurwetenschappen
voor de opvoeding in deze tijd" (1961).

Tussen koningen, tussen volken, tussen personen, matigt de sterkste zich rechten aan tegenover de zwakkere en dezelfde regel geldt ook voor de dieren en onbezielde wezens; met het gevolg, dat in het heelal alles plaats vindt door geweld; en deze wet, welke wij met enige schijn van recht afkeuren, is dus de meest algemene, de onveranderlijkste en de belangrijkste aller natuurwetten.
 

Luc de Clapiers Vauvenargues (1715-1747).
Frans schrijver.

 
De wetenschap kent slechts één partij, die van de waarheid.
 

Claude Bernard (1813-1878).
Frans fysioloog.

 

Evolutie is plantenveredeling door de natuur; plantenveredeling is evolutie geleid door de mens.

 

Nikolai Ivanovich Vavilov (1887-1943).
Russisch hoogleraar genetica.

 
Natuurreservaten worden echter niet alleen in stand gehouden in het belang van de beoefenaren der natuurwetenschap, maar tevens met het oogmerk het stoffelijk en geestelijk welzijn van de mens te bevorderen. Met betrekking tot het stoffelijk welzijn kan enerzijds worden opgemerkt, dat de betekenis van natuurreservaten voor het land-, tuin- en bosbouwkundig onderzoek vrij algemeen wordt erkend, doch anderzijds leert de ervaring, dat deze mogelijkheid slechts in geringe mate wordt benut. Het zal echter zonder meer duidelijk zijn, dat de rijke genenbron van natuurlijke populaties uit een gedifferentieerde begroeiing steeds ter beschikking kan staan voor het kweken of in stand houden van rassen waaraan bepaalde eisen worden gesteld, zoals het verkrijgen van resistentie tegen plantenziekten of het verhinderen dat schadelijke organismen tegen bestrijdingsmiddelen resistent worden. Ter illustratie van de waarde voor het geestelijk welzijn kan het volgende naar voren worden gebracht: gebieden met een genuanceerd planten- en dierenleven vormen door hun rust en harmonie een verademing voor velen, die tijdelijk onze jachtige en geautomatiseerde samenleving ontvluchten; een waarde, die in geld noch in woorden is uit te drukken.
 

D. Bakker.
Nederlands hoogleraar plantenecologie,
in "De Plantenoecologie, een verkenning van haar aard en plaats" (1961).

 
De activiteiten waarmee culturen uit het verleden zichzelf hebben ondermijnd door hun milieu te vernietigen vallen uiteen in acht categorieën, waarvan het relatieve belang van geval tot geval verschilt: ontbossing en habitatvernietiging, bodemproblemen (erosie, verzilting en verlies van bodemvruchtbaarheid), problemen bij het waterbeheer, overbejaging, overbevissing, gevolgen van geïntroduceerde soorten op inheemse flora en fauna, toename van de menselijke bevolking en een toenemende druk op de leefomgeving per hoofd van de bevolking.
[...]
Veel mensen zijn bang dat ecocide [de vernietiging van ecologische systemen ] tegenwoordig een veel groter gevaar voor de wereldbeschaving vormt dan een kernoorlog of het uitbreken van ziekten. De milieuproblemen waarmee we nu worden geconfronteerd zijn dezelfde als die welke de culturen uit het verleden te gronde richtten, enkele [vier] nieuwe problemen uitgezonderd: de door de mens veroorzaakte klimaatverandering, de accumulatie van giftige chemische stoffen in het milieu, energietekorten, en de volledige consumptie door de mens van het fotosynthetisch vermogen van de aarde. De meeste van deze twaalf bedreigingen, zo wordt gezegd, zullen binnen de komende decennia wereldwijd kritiek worden: tegen die tijd zullen we de problemen moeten hebben opgelost, anders treffen ze niet alleen Somalië, maar ook de maatschappijen in de Eerste Wereld.
 

Jared Diamond (° 1937).
Amerikaans bioloog en hoogleraar geografie,
in " Ondergang. Waarom zijn sommige beschavingen
verdwenen en hoe kan de onze haar ondergang voorkomen?"
(Spectrum, Utrecht. 2005).

 
We kunnen maar tien procent van onze hersenen gebruiken. Ik zou wel eens willen weten wat we allemaal zouden kunnen als we die andere negentig procent konden inschakelen.
 

Josiane Van der Elst.
Kloon- en stamcelexperte Universiteit Gent,
in "De Standaard" (18 juli 2005).

 
Ik moet u vertellen dat ik ureum kan bereiden zonder dat ik daarvoor de nier van een diersoort, mens noch hond, nodig heb.
 

Friedrich Wöhler (1800-1882).
Duits chemicus, een van de eersten
die een organische verbinding synthetiseerde.

 
Ik stel me ten doel u in de loop van deze lezingen de Chemische Geschiedenis van een Kaars ten gehore te brengen... Er is geen betere, wijder openstaande deur waardoor u de studie van de natuurwetenschappen kunt binnengaan.
 

Michael Faraday (1791-1867).
Engels fysicus en chemicus,
in "A course of six lectures on the chemical
history of a candle" (Londen, 1861).

 
 
In ieder van ons is een levend proces van verbranding gaande, dat erg veel lijkt op dat van een kaars.
 

Michael Faraday (1791-1867).
Engels fysicus en chemicus.

 
Er wordt gezegd dat als je een bioloog krabt, je een filosoof onder zijn huid vindt.
 

W. H. Thorpe.
Engels hoogleraar dierkunde.

 
Planten zijn absoluut noodzakelijk voor ons leven. Ze voorzien ons van voedsel en we gebruiken ze ook om kledij, gebouwen en vele andere alledaagse zaken in ons huis te maken – denk aan suiker, katoen, hout, vitaminen, brood, rubber en papier. Al het voedsel en alle materialen die we uit planten halen, zijn chemische stoffen die binnen de planten uit het koolstofdioxide van de lucht gemaakt worden. Leren wat er binnen planten gebeurt als deze stoffen samengesteld worden, is zeer belangrijk, want in de toekomst zullen we meer chemische stoffen uit planten moeten gebruiken. Voor het ogenblik zijn zaken als plastic, verf, nylon en polystyreen afkomstig uit chemische stoffen die komen van aardolie of steenkool. Maar het gebruik van aardolie en steenkool veroorzaakt vervuiling en in ieder geval zal de beschikbaarheid van die producten afnemen. Plantkundigen willen de planten ertoe brengen om niet-vervuilende "groene fabrieken" te zijn, die ons kunnen voorzien van alle chemische stoffen die we in de toekomst nodig zullen hebben.
 

Alison Smith.
Engels hoogleraar plantkunde.

 
Waarschijnlijk hebben sommige bacteriologen soortgelijke veranderingen waargenomen [bedoeld is het optreden van schimmels in bacterieculturen], maar hun cultures werden gewoon opzijgezet, omdat er geen bijzondere belangstelling bestond voor natuurlijke stoffen met antibacteriële werking. [...] Gelukkig was ik echter steeds op zoek naar nieuwe bacterieremmers.
 

Alexander Fleming (1881-1955).
Brits bacterioloog,
ontdekker van de penicilline.

 
In de levenswetenschappen wordt een brede opvatting over verklaringen gehanteerd. Een waarom-vraag kan in de levenswetenschappen namelijk heel verschillende vraagstukken dekken: niet alleen een waardoor-vraag, maar ook een waartoe-vraag of zelfs een waarna-vraag vallen eronder. Elk van deze vragen leidt tot een eigen soort verklaring. De WAARDOOR-VRAAG vraagt naar oorzaken en kan leiden tot een causale verklaring. De WAARTOE-VRAAG heeft betrekking op functies en is gericht op functionele verklaringen. De WAARNA-VRAAG is geïnteresseerd in de voorgeschiedenis van een verschijnsel en mikt op een historische verklaring. Het zal nu duidelijk zijn dat een zelfde object, verschijnsel of gebeuren op verschillende manieren verklaard kan worden. Neem de vraag "waarom" paarden hoogkronige kiezen hebben. Er zijn vele antwoorden op die vraag te geven. Een embryoloog zal een causale verklaring willen geven, uitgedrukt in termen van genen, inductiestoffen, enzovoort. Een fysioloog of ecoloog zoekt veeleer in de richting van een functionele verklaring: het betreft hier een aanpassing aan het eten van steppegras, dat rijk is aan silicaten. Een morfoloog zal er misschien zelfs de voorkeur aan geven om louter een wetmatig verband te leggen tussen de hardheid van het voedsel en de slijtage van de tanden. De paleontoloog daarentegen is geïnteresseerd in een historische verklaring: hij zal gebruik maken van biogeografische gegevens, van klimaatsomstandigheden en uiteraard van de selectietheorie.
 

Geert M. N. Verschuuren (° 1946).
Nederlands biologiedocent,
in "Filosofie van de biologische wetenschappen"
(Martinus Nijhoff, Leiden. 1986).

 
 
 
Het gemeenschappelijke van alle wetenschappen die de natuur tot object hebben, bestaat in de drang om door waarnemen, onderzoeken en nadenken de geheimzinnigheid der ons omgevende verschijnselen op te heffen. Omdat men de ware aard van het werkelijke zoekt te kennen, is het een eerste plicht het werkelijk bestaande van het schijnbare af te zonderen. Daartoe streeft men ernaar de waarneming der verschijnselen te bevrijden van elk subjectief moment en van de toevalligheid der omstandigheden. Door deze arbeid tracht men het object der wetenschap in zijn zuivere objectiviteit te verkrijgen; wat voorlopig "natuur" heette, wordt nu tot een systeem van feiten, die onwrikbaar vast staan, gegrond in de objectiviteit der verschijnende werkelijkheid. Een feit is voor ieder mens altijd weer constateerbaar, in zoverre de waarnemer over de zintuiglijke vermogens beschikt en in zoverre de voorwaarden voor de waarneming vervuld zijn.
 

Frederik Joacobus Johannes Buytendijk (1887-1974).
Nederlands hoogleraar fysiologie en psychologie,
in "Algemene theorie der menselijke houding
en beweging" (Aula-boeken, Antwerpen. 1964).

 
Niets is noodzakelijker voor een beoefenaar van een wetenschap dan de kennis van de geschiedenis van die wetenschap en van de logica van haar ontdekkingen... van de manier waarop vergissingen te voorschijn zijn gekomen, van het gebruik van hypothese en verbeelding en van de manier om die te testen.
 

John Emerich Edward Dalberg, Lord Acton (1834-1902).
Brits historicus.

 
De grote tragedie van de wetenschap: het vernietigen van een wondermooie hypothese door één gehaat  feit.
 

Thomas Henry Huxley (1825-1895).
Brits hoogleraar biologie en filosoof.

 
BRUSSEL, 27 juli 2025.     
Eindelijk erkenning.     Het was een glunderende Marc Van Montagu [gewezen hoogleraar van de Universiteit Gent] die een glansrol speelde op de uitreikingen van de Nobelprijs, editie 2025. De 92-jarige wetenschapper werd eindelijk beloond voor zijn grensverleggend onderzoekswerk naar de plantengenetica in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Van Montagu"s werk in het Gentse laboratorium van Plant Genetic Systems ligt aan de basis van de genetische manipulatie in de landbouw en veeteelt, waar heden ten dage vele miljarden in omgaan.
 

Bericht in "De Standaard" (27 juli 2005).

 
Wetenschapsbeoefening is altijd een avontuur van de geest waarvan zich nooit voorspellen laat waarheen het leiden zal. Dat geldt voor de gang van iedere afzonderlijke wetenschap en van ieder concreet wetenschappelijk onderzoek, beide zijn per definitie een tocht in het onbekende, het geldt echter ook voor de gang die het beoefenen van de wetenschap, in haar geheel beschouwd, als menselijke activiteit, neemt. Ook daarvan laat zich de uitkomst niet voorspellen. Het weten om het weten, het zo belangeloos begonnen avontuur is in feite uitgelopen op een uiterst dienstbare wetenschap, dienstbaar aan de ontplooiing van het menselijke leven op een vroeger voor niet mogelijk gehouden wijze.
 

Andreas G. M. van Melsen (1912-1994).
Nederlands hoogleraar wetenschapsfilosofie,
in "Natuurwetenschap en techniek"
(Uitgeverij Damon, Leende. 1999).

 
 
Wanneer we proberen in een definitie het eigene van het leven vast te leggen, dan valt het op, dat deze definities eigenlijk nooit goed voldoen. Zo spreekt de oude filosofie van het leven als "zelfbeweging". Toch is "zelfbeweging" ook het typisch kenmerk van automatische zichzelf regelende machines. Natuurlijk is deze laatste zelfbeweging geheel iets anders dan die van het levende wezen; uiteindelijk is immers de zelfbeweging van de machine toch "van buiten" aan de machine gegeven door haar programmering, terwijl het levende wezen die programmering zelf reeds heeft. We zullen de twee vormen van zelfbeweging dan ook zeker niet verwarren, maar dit is niet zozeer te danken aan een in een definitie neergelegd scherp begripsmatig onderscheid alswel aan een of ander intuïtief besef van het eigene van het leven, dat in de toepassing van de definitie altijd meespeelt. Hetzelfde kan men opmerken ten aanzien van de klassieke trits: voeding, ontwikkeling en voortplanting als specifieke levenseigenschappen. Ook hier valt het niet zo moeilijk analoge eigenschappen bij het niet-levende te ontdekken. Zo toont de astronoom Minnaert bijvoorbeeld aan, dat ook sterren dergelijke eigenschappen vertonen. Ook andere, bij voorkeur als karakteristiek voor de levensverschijnselen aangevoerde begrippen, zoals individualiteit, totaliteit, immanentie, aanpassing, finaliteit en dergelijke, blijken allerminst exclusief op levende wezens toepasselijk, al zullen we in het algemeen weer geen enkele moeite hebben een levend individu van een niet-levend te onderscheiden, een levende totaliteit van een niet-levende, enz. Het leven heeft nu eenmaal iets geheel eigens, dat weten we zeker, ook al kunnen we dat eigene blijkbaar moeilijk in adequate begrippen vastleggen. Zelfs begrippen als bewustzijn, herinnering, waarnemen, denken en leren, die weliswaar niet gebruikt worden om leven van niet-leven te onderscheiden, omdat zij niet op alle levende wezens toepasselijk zijn, maar uitsluitend op de hogere, schijnen hun exclusieve toepassing op hogere levende wezens te verliezen, gezien de constructie van allerlei denk- en regelmachines. Toch doet zich ook hier weer het merkwaardige feit voor, dat niemand het denken en herinneren van denkmachines voor echt denken en herinneren zal houden, de machine leeft immers niet echt. We staan hier dus voor de eigenaardige paradox, dat de mens enerzijds intuïtief weet heeft van het leven en wel zodanig klaar, dat ook de bioloog zonder moeite zijn object van wetenschap duidelijk weet te onderscheiden van andere objecten, terwijl het anderzijds toch bijzonder moeilijk is dit intuïtief weten van het leven begripsmatig scherp vast te stellen.
 

Andreas G. M. van Melsen (1912-1994).
Nederlands hoogleraar wetenschapsfilosofie,
in "Natuurwetenschap en techniek"
(Uitgeverij Damon, Leende. 1999).

 
Natuurlijk blijft het mogelijk de veelvormigheid van de natuur ook om louter utilitaire redenen te beschouwen en haar om deze redenen in stand te willen houden. Zo wijst men er wel op dat het nodig is voldoende gevarieerd genetisch materiaal in de natuur voorhanden te hebben, om bestaande nuttige gewassen te verbeteren. Het in stand houden van de veelvormigheid van de natuur heeft echter ook andere aspecten. We begrijpen nog steeds weinig van de evolutie. Het aantasten van het geweldige natuurexperiment dat de evolutie is, zou een daad van "barbarij" zijn, onvergeeflijk omdat dit experiment uniek is en voorshands onherhaalbaar. Het zou een soortgelijke daad van "barbarij" zijn als het verwoesten van historische monumenten, die het verleden tegenwoordig stellen en daarmee kunnen helpen iets meer van onszelf te begrijpen.
 

Andreas G. M. van Melsen (1912-1994).
Nederlands hoogleraar wetenschapsfilosofie,
in "Natuurwetenschap en natuur"
(Ambo, Baarn. 1983).

 
Natuur is wat door de mens niet gemaakt werd: het zonnestelsel, de aarde, de gesteenten, de planten, de dieren, de mens, enz. Cultuur is wat door de mens gemaakt werd: de gebouwen, de wegen, de vliegtuigen, de romans, de gedichten, de symfonieën, de schilderijen, de resultaten van wetenschappelijk onderzoek, enz.
 
[...] Evolution is a theory, not a fact, [...] – Evolutie is een theorie, geen feit.
 

Op een plakker aangebracht op leerboeken biologie
in de openbare scholen van Cobb County,
een district van de Amerikaanse, zuidelijke staat Georgia.

 
Sommige biologen hechten eraan te beklemtonen, dat de evolutie eenvoudig een feit is, andere daarentegen beschouwen haar als een hypothese, opgesteld ter verklaring van bepaalde feiten. Dit verschil is niet toevallig, het hangt samen met een eigenaardig aspect van de evolutieleer als biologische leer. De evolutieleer heeft uit wetenschaps-theoretisch oogpunt beschouwd een interessant karakter. Enerzijds is zij een natuurwetenschappelijke leer, bedoeld om bepaalde natuurwetenschappelijke gegevens te verklaren, anderzijds heeft zij echter ook iets van een historische leer. Als natuurwetenschappelijke leer zegt de evolutieleer iets over de veranderlijkheid van de biologische soorten en zij probeert daar de oorzaken van op te sporen, zoals bijvoorbeeld mutatie, hergroepering van erfelijke factoren en natuurlijke selectie. Het betreft hier derhalve een algemene leer, die betrekking heeft op herhaalbare processen. [...] Als historische leer echter probeert de evolutieleer te reconstrueren, welke feitelijke weg de ontwikkeling van het leven op de aarde gegaan is. Voor de oplossing van het laatste probleem zijn uiteraard historische documenten in de vorm van fossielen en geologische formaties onmisbaar. [...] Stel dat een experimentator zou gelukken inderdaad een evolutie, die de soortgrens overschrijdt, te bewerkstelligen. Daarmee zou dan het onderzoek van de oorzaken van de evolutie enorm zijn vooruitgegaan, veel licht zou zeker ook geworpen worden op de mogelijke wegen welke de evolutie zoal kan gaan, maar welke de feitelijke weg op aarde geweest is, kan slechts in combinatie met de paleontologische "documenten" vastgesteld worden.
In het licht nu van deze twee aspecten van de evolutieleer [natuurwetenschappelijke en historische leer] laat zich ook de discussie of de evolutie als feit of als hypothese opgevat moet worden, begrijpen. Voor de natuurwetenschappelijk denkende zijn de enige "feiten" de herhaalbare feiten, de naar believen telkens weer op te roepen of minstens waar te nemen mutaties of genenuitwisselingen in de genetica, de homologieën of analogieën in de vergelijkende anatomie, de overeenkomsten in embryonale ontwikkeling in de ontwikkelingsfysiologie of de gelijkheid in chemische structuur in de biochemie. De evolutie zelf, de evolutie in haar totaliteit als historisch gebeuren, is echter geen proces, dat de bioloog naar believen kan oproepen; zij kan dus nooit voor hem een feit zijn, zij is een hypothese, een theorie of wat dan ook ter verklaring van de feiten. Pas als hij naar believen de evolutie zich zou kunnen laten voltrekken, zal hij bereid zijn haar zonder meer als "feit" te accepteren. Voor de meer "historisch" denkende gelden echter andere overwegingen en daarmee ook een andere terminologie. Hij denkt voor alles aan het feitelijk gebeuren in het verleden, waarvan zijn documenten getuigenis afleggen. Zijn die documenten voldoende geloofwaardig, dan blijft hem niets anders over dan de evolutie een feit te noemen. Dit betekent geenszins dat dit feit volkomen vaststaat, laat staan dat het verklaard is. Maar het is op zijn minst een verondersteld feit.
Het is echter duidelijk, dat, wanneer in biologische kringen de evolutie een feit genoemd wordt, dit nooit "feit" kan betekenen in de natuurwetenschappelijke zin, het kan slechts "feit" zijn in historische zin. Intussen is hiermee slechts een terminologische discussie wat opgehelderd tegen de achtergrond van het tweeledig karakter van de evolutieleer. Niet verklaard is nog hoe het toch komt, dat de biologen zo vast geloven aan de evolutie, niettegenstaande zowel de historische documenten als de natuurwetenschappelijke gegevens beslist onvoldoende zijn.
 

Andreas G. M. van Melsen (1912-1994).
Nederlands hoogleraar wetenschapsfilosofie,
in "Evolutie en Wijsbegeerte"
(Aula-Boeken, Utrecht. 1964.).
(Tor, Amsterdam. 1982. 3
de druk).

 
 
Niets is in het intellect, dat niet eerst in het zintuig was.
 

Aristoteles (384-322 v. C.).
Grieks wijsgeer.

 
Niets is in het zintuig, dat niet eerst in het intellect was.
 

Georg Wilhelm Friedrich Hegel (1770-1831).
Duits wijsgeer.

 
In plaats van Kanten, Nietzschen, Hegelen,
ga ik liever kaarten, fietsen, kegelen.
 

Anoniem.

 
Zeg iets en ik zal bewijzen dat het niet waar is; zeg dan het tegenovergestelde en dan zal ik ook daarvan de onwaarheid bewijzen.
 

Socrates (469-399 v.C.).
Grieks wijsgeer.

 
[In de wetenschappen is waarheid] een eigenschap van sommige van onze ideeën. Het betekent hun "overeenstemming" met de "werkelijkheid" op dezelfde manier waarop "onjuistheid" daarmee niet overeenstemt. [...] Ware ideeën kunnen we overnemen, bekrachtigen, natrekken en verifiëren. Met onjuiste ideeën kunnen we dat niet.
 

William James (1842-1910).
Amerikaans filosoof.

 
Wat wij "opvoeding" noemen is niet anders dan het programmeren van de hersenen in een vroeg stadium als zij nog kneedbaar zijn. De toekomst van de mensheid hangt af van de wijze waarop zij wordt opgevoed, een systeem van programmeren dat kan worden veranderd. De menselijke geschiedenis is in wezen een weerspiegeling van de geleidelijke verandering van deze programmering, en wie zichzelf met een mensen-etende wilde vergelijkt, ontdekt misschien dat het enige wezenlijke verschil tussen beide de opvoedkundige programmering is die de een en de ander hebben meegekregen. Hieruit volgt dat opvoeden een van de belangrijkste taken van de mensheid is. Zij opent schitterende perspectieven, maar stelt de mensheid ook bloot aan verschrikkelijke gevaren, want ieder dictatoriaal stelsel kan door opvoeding de maatschappij veranderen in een richting die met zijn belangen strookt, en desgewenst fatsoenlijke mensen vervormen tot wrede moordenaars, zoals wij dat in deze eeuw herhaaldelijk hebben zien gebeuren. [...] Wie is in staat de jeugd onderricht te geven? Het zijn de ouderen die de dingen aan de jonge mensen moeten bijbrengen, maar oudere mensen zijn geneigd aan hun leerlingen de wereld door te geven waarin zij zelf zijn opgegroeid. Wie moeten dan de leraren onderrichten en op wat voor soort wereld is ons streven gericht? Als wij deze vragen konden beantwoorden zouden wij al halverwege op weg zijn de wereldproblemen op te lossen. Toch worden hier en daar stappen gedaan. Een van de belangrijkste factoren die de daden van de mens bepalen is de schaal van zijn waarden, die hem grotendeels op jeugdige leeftijd wordt bijgebracht. Als ik op mijn 76ste jaar nog iedere ochtend ongeduldig naar mijn laboratorium hol, dan is dat omdat ik als kind van mijn ouders geleerd heb dat het scheppen van nieuwe kennis of schoonheid het enige is dat waard is om te worden nagestreefd.
 

Albert Szent-Györgyi (1893-1986).
Hongaars-Amerikaans biochemicus. Nobelprijswinnaar 1937,
in "De krankzinnige aap" (A.W.Bruna, Utrecht. 1970).

 
Met nog meer verbeeldingskracht voerde hij [Robert Grosseteste, Engelse bisschop van Lincoln die leefde van ca. 1170 tot 1253] aan dat de oorzaken [van de waargenomen feiten] moesten worden opgesplitst in afzonderlijke elementen en daarna worden gebruikt om verwachtingen te verkrijgen die de onderzoeker in staat stelden de verschijnselen te reconstrueren. In feite had Grosseteste de hypothese uitgevonden, ook al zou dit begrip in wetenschappelijke zin pas in de 17de eeuw in de taal verschijnen. Grosseteste wees er tevens op dat als het experiment niet aan de verwachtingen beantwoordde, de verwachtingen heroverwogen dienden te worden – iets wat voor ons de gewoonste zaak van de wereld lijkt, maar dat op de keper beschouwd neerkomt op de eerste, nog niet exacte, formulering van het principe van de falsificatie. De onderzoeker kan nooit geheel en al bewijzen dat een hypothese werkelijk waar is (de niet waargenomen uitzondering kan altijd nog opduiken), maar een hypothese kan dusdanig aan de tand worden gevoeld dat het mogelijk is om te bewijzen dat ze niet waar is. Als theoretisch element blijft het principe van de falsificatie omstreden. Als praktisch hulpmiddel om onderzoekers te dwingen hun werk zo waterdicht te presenteren dat er geen fout in kan worden aangewezen, is het van onschatbare waarde.
 

Charles Murray (° 1943).
Amerikaanse cultuurhistoricus,
in "Het menselijk genie. Streven naar het ultieme
in kunst en wetenschap door de eeuwen heen"
(Standaard Uitgeverij, Antwerpen. 2004).
 

[Het aristotelische beginsel gedestilleerd uit de zin van Aristoteles "Leven is een activiteit, en ieder mens past actief zijn favoriete vermogens toe op de objecten waar hij het meest van houdt".] Onder overigens gelijkblijvende omstandigheden genieten menselijke wezens van het aanwenden van hun verwerkelijkte capaciteiten (hun aangeboren of aangeleerde vaardigheden), en dit plezier neemt toe hoe meer ze hun vermogens kunnen realiseren of naarmate de ingewikkeldheid om dat te doen groter is. De intuïtieve gedachte is hier dat menselijke wezens aan een bezigheid meer plezier beleven naarmate ze er vaardiger in worden, en dat ze, wanneer ze in twee activiteiten even goed zijn, de voorkeur geven aan die welke een beroep doet op het grotere reservoir van hun meer complexe en subtiele oordeelsvermogen. Schaken bijvoorbeeld is een gecompliceerder en subtieler spel dan dammen, en algebra is ingewikkelder dan elementaire rekenkunde. Het beginsel zegt dus dat iemand die beide kan, in het algemeen liever zal schaken dan dammen, en dat hij liever algebra studeert dan rekenkunde.
 

John Rawls (° 1921).
Amerikaans filosoof.

 
Het hoofddoel van de exacte wetenschappen is het ontdekken van waarheden, nieuwe waarheden. Hoe meer de onderzoekingen zijn gericht op het ontdekken van de waarheid om zichzelfs wil, zonder rekening te houden met een eventueel praktisch nut, hoe beter de resultaten zijn die zullen worden bereikt. Nieuwe waarheden en kennis hebben vrijwel altijd het menselijk leven op een hoger peil gebracht en toepassingen in de praktijk gevonden. In de regel zijn de mogelijkheden voor ons dagelijks leven groter en belangrijker naar gelang de nieuwe waarheid fundamenteler en moeilijker te begrijpen is. In feite danken wij alles wat wij bezitten, met inbegrip van ons leven zelf, aan de natuurwetenschap, aan haar onderzoekingen. Als alles wat dit onderzoek ons heeft geschonken werd weggenomen, zou onze beschaving ineenstorten en zouden wij naakt staan en weer in holen moeten kruipen.
 

Albert Szent-Györgyi (1893-1986).
Hongaars-Amerikaans biochemicus. Nobelprijswinnaar 1937,
in "De krankzinnige aap" (A.W.Bruna, Utrecht. 1970).

 
 
Intelligentie op zich is niet voldoende als verklaring voor genialiteit, wel de concrete drievoudige combinatie: vaardigheid gepaard met vlijt en hard werken.
 

Francis Galton (1822-1911).
Engels grondlegger van de eugenetica.

 
Zonder fosfor geen gedachten.
 

Jacobus Moleschott (1822-1893).
Nederlands hoogleraar fysiologie.

 
Het lijkt aan geen twijfel onderhevig, dat ook het menselijk gedrag zich ethologisch laat onderzoeken. Het gedragspatroon van de mens bevat aangeboren en aangeleerde elementen en wanneer de mens uit de dierenwereld is geëvolueerd, dan ligt het voor de hand aan te nemen dat het menselijk gedrag zich laat begrijpen door het te bestuderen "van onderen af", d. i. uit de studie van het dierengedrag. Dit impliceert dus een natuurwetenschappelijke verklaring van het menselijk gedrag.
 

Marie Jeuken (° 1916).
Nederlands hoogleraar wijsgerige biologie,
in "Materie, Leven, Geest. Een wijsgerige biologie"
(Van Gorcum, Assen. 1979).
 

In het algemeen is het zo dat telkens wanneer de omstandigheden zodanig zijn dat ze een schadelijke invloed op het organisme hebben, er factoren in het organisme zelf verschijnen die het beschermen of de verstoorde balans herstellen.
 

Walter Bradfort Cannon (1871-1945).
Amerikaans fysioloog.

 
Een complex organisme moet men zien als een verzameling eenvoudige organismen die als natuurlijke elementen in het vloeibare "milieu intérieur" leven. [...] De stabiliteit van het "milieu intérieur" is de voorwaarde voor een vrij en onafhankelijk leven. Alle levensmechanismen, hoe verschillend ze ook zijn, hebben slechts één doel: de levensomstandigheden in het inwendige milieu constant te houden.
 

Claude Bernard (1813-1878).
Frans fysioloog.

 
De toekomst voorspellen is de specialiteit van waarzeggers en niet die van genetici. Genetische tests kunnen niet voorspellen waar en wanneer een bepaalde kwaal zich gaat manifesteren. Toch kunnen in bepaalde situaties genetische tests uitmaken of iemand uitermate veel kans heeft om een bepaalde erfelijke ziekte te krijgen.
 

Eric Legius.
Centrum voor Menselijke Erfelijkheid, Leuven.

 
Wanneer het natuurlijke recht van de sterkste vervangen wordt door het humane principe van zorg voor de zwakkeren, overtreedt de mens de gevestigde wetten van de natuur. Hij overstijgt zijn dierlijkheid om een eigen, meer volkomen bestaan te realiseren.
 

Gerard Bodifée.
Vlaams sterrenkundige en filosoof.

 
 
Kinderen die véél te vroeg geboren worden, na een zwangerschap van 25 of minder weken, houden aan die vroeggeboorte bijna altijd handicaps over. Britse onderzoekers onderzochten 250 zes jaar oude kinderen die hun extreme vroeggeboorte hadden overleeft en bevonden amper acht procent van hen geestelijk en lichamelijk volledig normaal. Vier op tien waren zwaar gehandicapt (zoals spastisch, blind of doof), schrijven ze in het "New England Journal of Medicine", en bijna de helft had leermoeilijkheden. Een normale zwangerschap duurt tussen 38 en 42 weken. Kinderen die worden geboren na een zwangerschap van 22 tot 25 weken, zijn extreem kwetsbaar. Hun longblaasjes zijn nog niet gevormd waardoor hun longen niet werken en ze door zuurstoftekort vrijwel zeker hersenschade oplopen. Dat kan onder meer leiden tot spasticiteit. Ook zijn de ogen van veel te vroeg geboren baby's niet berekend op het felle licht buiten de baarmoeder, zodat ze vaak gezichtsstoornissen krijgen. In sommige landen is 25 weken daarom de grens om premature kinderen in leven te proberen te houden. Kinderen die na minder weken zwangerschap worden geboren, krijgen geen behandeling. België hanteert geen grens, zoals de Verenigde Staten.

In "De Standaard" (14 januari 2005).

 
De tegenstand aan genetische manipulatie kan intens blijven en lang duren, maar de wetenschappelijke kennis en de technische mogelijkheden blijven zich uitbreiden. De vooruitgang zal steeds sneller gaan, nog miljoenen jaren. En het is niet denkbaar dat we deze verbeteringen nooit zullen benutten; Professor Christian de Duve is ervan overtuigd dat "wijzelf de wijsheid vinden om wijsheid te scheppen". Hij is voorstander van een "vorm van eugenetica die gericht is op de gelijktijdige en harmonieuze verbetering van al onze geestelijke vermogens. Dat is bijna een plicht voor de mens, omdat de geestelijke ontwikkeling de meeste hoop biedt – of misschien zelfs de enige – om te ontsnappen aan onze degeneratie, of zelf uitroeiing".
 

Jan Remans.
Belgisch arts en gewezen senator,
in "De boom van goed en kwaad.
Over bio-ethiek, biotechniek, biopolitiek"
(Acco, Leuven. 2005).

 
Sinds de introductie van ggg's op commerciële schaal in 1996 groeit het areaal ggo-gewassen elk jaar met meer dan 10 procent, in 2003 zelfs met 15 procent ten opzichte van het voorgaande jaar. Volgens Clive James en de ISAAA (International Service for the Acquisition of Agri-biotech Applications) stond er in 1997 12,8 miljoen hectare transgene granen op de wereldbol. In 2002 werd wereldwijd een oppervlakte van 58 miljoen hectare landbouwgrond door de biotechnologie gebruikt, in 2003 is deze oppervlakte toegenomen tot 67,7 miljoen hectare. Het leeuwenaandeel van de ggg's staat op Amerikaanse grond. Andere landen volgen op afstand. In volgorde van belangrijkheid zijn dat in 2002 China, Argentinië, Canada, Australië en Mexico. [...] Aan elke wetenschappelijke toepassing zijn risico's verbonden en telkens moeten mogelijke nadelige effecten worden afgewogen tegen de voordelen. Dat men voorzichtig moet zijn met ggg's, is niet zozeer gerelateerd aan de transformatietechniek die men heeft gebruikt, maar wel aan de eigenschappen die men in het gewas gestoken heeft en die direct of indirect gevolgen kunnen hebben op het milieu en de gezondheid van mens en dier. In het debat over de risico's van biotechnologische vooruitgang pleit ik steeds opnieuw voor het zorgvuldigheidsprincipe. Transparante controle op ggo-onderzoek en ggo-praktijk is noodzakelijk voor de "potentiële" ingrijpende gevolgen van biotechnologie. Dat mag echter niet leiden tot een overmatige vertraging en irrationele afwijzing door het "voorzorgsprincipe", dat in zijn radicale vorm een nul-risicosituatie eist. Zeker niet als je de potentiële grote voordelen van ggg's bekijkt.
 

Jan Remans.
Belgisch arts en gewezen senator,
in "De boom van goed en kwaad.
Over bio-ethiek, biotechniek, biopolitiek"
(Acco, Leuven. 2005).