KERNACHTIGE UITSPRAKEN - REEKS XII
In de wetenschappen probeert men de mensen iets op een zodanige wijze uit te leggen dat iedereen dat iets begrijpt, wat ervoor niet het geval was. In de poëzie gebeurt net het omgekeerde.
Paul Dirac (1902-1984).
Brits hoogleraar wiskunde. Nobelprijs 1933.
Rijkdom schept de mogelijkheid om tijd vrij te maken of zich zelfs geheel terug te trekken uit het economische leven en zich te storten op het hogere: de kunsten en wetenschappen. Om die reden kan in een rijk land ook het algemene ontwikkelingspeil van de bevolking veel hoger zijn dan in een arm land: men kan de kinderen vrijstellen van werk, om naar school te gaan.
Andreas Kinneging.
Nederlands hoogleraar rechtsfilosofie,
in “Geografie van goed en kwaad”
(Het Spectrum, Utrecht. 2005).
De manier om de aandacht van de student te trekken is een demonstratie geven waarbij het mogelijk is dat de docent erbij sterft.
Jearl Walker (° 1945).
Amerikaans hoogleraar fysica.
Lezingen waren eens nuttig. Maar nu, als iedereen kan lezen en er veel boeken bestaan, zijn lezingen overbodig. Als je aandacht wegvalt en je mist een deel van de lezing, dan is de inhoud ervan verloren; je kunt niet op het verloren deel terugvallen, zoals je dat met een boek kunt doen. Toch hebben de mensen de eigenaardige idee dat alles met lezingen moet onderwezen worden. Ik zie niet in dat lezingen het beter zouden kunnen doen dan de boeken te lezen waaruit de lezingen genomen zijn. Ik ken niets dat beter met lezingen onderwezen zou kunnen worden, behalve als experimenten gedemonstreerd moeten worden. Je mag chemie onderwijzen met lezingen. Je mag ook het maken van schoenen onderwijzen met lezingen.
Samuel Johnson (1709-1784).
Engels essayist.
Voor de huidstructuur is er een speciaal orgaan, dat verantwoordelijk is voor de haarproductie, bepaald door klimaat en ligging, dat reeds voorgeprogrammeerd is in het embryo. Vanaf de achtste en de tiende week van de foetus nestelen deze structuren zich en klaarblijkelijk treden er dan genen in werking die de duur en hernieuwing van de diverse cycli haarzakjes predefiniëren voor de rest van je leven. Later worden deze genetische prints onthuld aan de observator in u en mij.
Dominique Van Neste.
Belgisch dermatoloog,
in “Janus” (31 maart 1999).
Wij zijn geen “naakte apen”, want we hebben bijna overal haar. Alleen handpalmen en voetzolen zijn onbehaard. Wij zijn biologische parvenu’s omdat we de natuurlijke haargroei op het lichaam controleren. Een van de voordelen bestaat erin dat we minder snel oververhit raken als we langdurige inspanningen leveren.
Dominique Van Neste.
Belgisch dermatoloog,
in “Janus” (31 maart 1999).
Bloed en urine zijn de spiegel van de chemie van het inwendige van de mens en deze chemie geeft informatie over de functie en het harmonische samenwerken van de verschillende organen van het lichaam.
Anoniem.
Onze voorouders hebben vele tienduizenden jaren samengeleefd met rook. Zouden de klaarblijkelijke gevaren van rook, niet alleen voor kanker, maar ook voor toegenomen infecties, geleid hebben tot een zekere weerstand? De te toetsen hypothese is dat bij mensen kleine deeltjes uit de ademhalingsorganen sneller weggezuiverd worden dan bij andere primaten en dat we meer weerstand kunnen bieden aan de gevolgen van rook.
Randolp Nesse.
Amerikaans onderzoeker,
in “Onderzoekingen waarvan ik zou wensen dat iemand ze eens zou aanpakken”.
Heeft een virus profijt van een lopende neus omdat het zo verspreid wordt of heeft de zieke profijt omdat de neus gereinigd wordt, of spelen beide factoren? Om de hypothese te testen dat een zieke profijt zou hebben van de lopende neus, zou men bij honderd personen met een neusverkoudheid aan de ene helft een neusspray kunnen toedienen waardoor de neusafscheiding opdroogt en aan de andere helft gewoon een zoutspray. Ik durf voorspellen dat de personen die de eerste spray krijgen een beetje langer ziek zullen blijven.
Randolp Nesse.
Amerikaans onderzoeker,
in “Onderzoekingen waarvan ik zou wensen dat iemand ze eens zou aanpakken”.
Bij het onderwijs van kinderen is er niets beter dan het opwekken van interesse en affectie; zoniet maak je alleen maar veel domoren volgepropt met boeken.
Michel Montaigne (1533-1592).
Frans filosoof.
Het onderwijssysteem in grote staten zal op zijn best maar middelmatig zijn, om dezelfde reden als maaltijden uit grote keukens ook op hun best maar middelmatig zijn.
Friedrich Nietzsche (1844-1900).
Duits filosoof.
Het is immoreel om hoogmoedig te zijn of om te proberen indruk te maken (…) bij het tentoonspreiden van je kennis. Want je bent onwetenden. We kunnen van elkaar verschillen in de weinige dingen die we weten, maar in het licht van onze onmetelijk grote onwetendheid, zijn we allen gelijk.
Karl Popper (1902-1994).
Oostenrijks-Engels wetenschapsfilosoof.
Veel kritiek op moderne biologische en evolutionaire inzichten is veeleer gebaseerd op emotionele weerstand dan op kennis of dergelijke argumenten. Mensen vinden het niet leuk om te horen dat we, hoewel we een heel bijzondere soort zijn, toch niet zoveel van de rest van het dierenrijk verschillen als we lang hebben gedacht. Het is weinig verheffend te vernemen dat we een groot deel van ons DNA delen met de fruitvlieg. We willen niet van ons zelfgemaakte voetstuk vallen.
Griet Vandermassen
Filosofe,
in “De Standaard (14 juli 2006).
We gaan hier [d.w.z. in een opsomming van de “lagere dieren”] voorbij aan de ontelbare microscopische organismen die, rondvliegend in de lucht, aan de ene kant die nuttige gistingen veroorzaken waaraan we het bier, de wijn, de alcohol en het brood danken, en die, aan de andere kant, onder verschillende namen de atmosfeer verpesten en overal waar ze voorbijkomen de dood veroorzaken.
We herhalen en eindigen daarmee. Neen, de “kleintjes” hebben niet minder dan de “groten” hun welbepaalde plaats in de economie van de natuur: ze vervullen in de hedendaagse tijd, net zoals ze dat in de voorbije jaren met niet minder orde en maat gedaan hebben, de verschillende functies in het grote laboratorium waarin het leven zich voortdurend onttrekt aan de dood. De mens heeft het aantal nuttige planten en dieren kunnen vermenigvuldigen en hij heeft de niet nuttige en schadelijke kunnen vernietigen. Maar de wetenschap staat machteloos om een dijk op te werpen tegen het binnendringen van al die microscopische organismen die onder de naam van “oidium” [druivenziekte] of “phylloxera” [druifluis] in enkele uren een provincie kunnen ruïneren, een staat kunnen bedreigen en het bestaan van een natie in gevaar kunnen brengen.
Pierre Joseph Van Beneden (1809-1894).
Hoogleraar biologie Katholieke Universiteit Leuven,
in “Patria Belgica”, deel 1, (Brussel, 1873).
Om goed te kunnen denken, heeft een kind les in denken nodig.
Om goed feiten te kunnen onthouden, heeft een kind les in onthouden nodig.
Om goed problemen te kunnen oplossen, heeft een kind les in probleemoplossen nodig.
Om zijn hersenen op creatieve wijze te kunnen gebruiken, heeft een kind les nodig in creatief denken.
En tenslotte: om al de bovenstaande dingen te kunnen, heeft een kind motivatie en zelfvertrouwen nodig.
David Lewis.
In “Ontwikkel het I.Q. van uw kind”
(Unieboek, Houten. 1981).
Om een goed onderwijzer of leraar te kunnen worden moet men de behoefte hebben ideeën en kennis over te dragen, om jonge geesten in ontwikkeling te stimuleren en bij te staan in hun groei, en om de kinderen zo geen liefde voor het eigen vak, dan toch tenminste enige enthousiasme en belangstelling bij te brengen voor datgene wat men onderwijst – genoeg enthousiasme om het schoolwerk serieus te kunnen nemen en goede cijfers te kunnen halen. Want naar de maatstaf van die resultaten worden de competentie en professionele waarde van een leraar beoordeeld. In dergelijke omstandigheden is het niet verbazend dat leerkrachten de kinderen die ze “eer aandoen” prefereren boven die welke daar minder toe in staat zijn, en dat ze liever kinderen in hun klas hebben die hun waardering niet actief in de weg staan dan kinderen die dat ogenschijnlijk wél doen. Intelligente kinderen die ook nog netjes, ordelijk, gehoorzaam, beleefd en meegaand zijn, worden op scholen dan ook het hoogst aangeslagen.
David Lewis.
In “Ontwikkel het I.Q. van uw kind”
(Unieboek, Houten. 1981).
Leerkrachten, opvoeders, ouders en anderen die zich bezig houden met de menselijke aspecten van het onderwijs moeten niet bang zijn voor het IQ en het de waarde toekennen die het verdient, en meer niet. Het IQ is niet heilig en met de toekomst van het kind heeft het zelf niets te maken.
Kenneth Bancroft Clark (1914-2005).
Amerikaanse psycholoog en pedagoog.
Om zinnig over de evolutietheorie te spreken, is het noodzakelijk om de duidelijke verschillen te beklemtonen tussen het evolutieproces en de fylogenie en tussen de evolutietheorie en de fylogenetische beschrijving. Evolutieprocessen zijn de mechanismen waardoor de soorten evolueren, fylogenie is het product. De evolutietheorie karakteriseert het proces, de fylogenetische beschrijving het product.
David L Hull.
Amerikaans wetenschapsfilosoof,
in “Philosophy of Biological Science”
(Prentice-Hall, Englewood Cliffs, New Jersey. 1974).
We moeten een onderscheid maken tussen wat zou kunnen genoemd worden het “verhaal” van de evolutie en de “theorie” van de onderliggende mechanismen van mutatie en natuurlijke selectie.
Carl Gustav Hempel (1905-1997).
Duits-Amerikaans wetenschapsfilosoof.
Er is een oneindig grote variëteit van manieren waarop, sinds het verschijnen van “The Origin of Species” in 1859, het algemene idee van de evolutie vernietigd zou kunnen worden. Nemen we bijvoorbeeld de fossielen – gegevens uit de paleontologie waarvan in de dagen van Darwin nog maar weinig gekend was. De ondubbelzinnige ontdekking van een fossiele populatie van paarden in rotsen daterend van vóór het Cambrium [meer dan 490 miljoen jaar geleden] zou de onjuistheid van het evolutieverschijnsel aantonen. Meer algemeen genomen zou een op de kop gezette opeenvolging van fossielen ons ertoe dwingen om onze theorie te herdenken. Maar totnogtoe is er geen enkel dergelijk geval aan het licht gekomen. Zoals Darwin al erkende zou één enkele geografische ongerijmdheid qua evolutieve ontwikkeling leiden tot een krachtige vernietiging van de evolutietheorie.
Steven M. Stanley
Amerikaans hoogleraar paleontologie.
Creationisten hebben beweerd dat mensen en dinosauriërs tezelfdertijd leefden… Als die gewichtige uitspraak waar zou zijn, zouden de namen van de ontdekkers voor eeuwig bekend blijven als de personen die een van de meest opmerkelijke ontdekkingen van de twintigste eeuw gedaan hebben.
Ernst Mayr (1904-2005).
Duits-Amerikaans hoogleraar biologie.
Men zou zogezegd beenderen van mensen gevonden hebben in afzettingen van het Carboon [ van 360 tot 300 miljoen jaar geleden]. Indien die beenderen inderdaad van menselijke oorsprong zouden zijn, zou heel de theorie van de evolutie weggeveegd kunnen worden.
Richard Dawkins (° 1941).
Engels hoogleraar dierkunde.
Er zijn zekere gegevens over fossielen waarvan elke evolutionist verwacht dat ze waar zijn. We zouden bijvoorbeeld verbaasd zijn indien we fossiele resten van de mens zouden vinden afkomstig uit een periode die voorafgaat aan die waarin de zoogdieren ontstaan zijn. Indien één schedel waarvan zorgvuldig nagegaan werd dat hij van een zoogdier afkomstig is, aangetroffen zou worden in gesteenten die 500 miljoen jaar oud zijn, zou de hele moderne theorie van de evolutie totaal vernietigd worden.
Richard Dawkins (° 1941).
Engels hoogleraar dierkunde.
Naar schatting lijden honderdduizenden mensen in de wereld aan ziekten, die terug te voeren zijn tot verontreinigd voedsel.
Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO).
In het algemeen geldt dus dat de levensduur van iets waarover verder geen informatie beschikbaar is – bijvoorbeeld omdat het volstrekt uniek is – met 95 procent betrouwbaarheid kan worden voorspeld: het zal langer bestaan dan 1/39 van de tijd dat het al bestaat, en korter dan 39 keer die periode. En dat is ook wel logisch: de tijd dat iets bestaat, is een indicatie voor de standvastigheid, niet alleen in het verleden maar ook in de toekomst. Zolang mijn positie als waarnemer niet bijzonder is, mag ik deze redenering toepassen.
(…)
Deze redenering kan ook worden toegepast op Homo sapiens, de mensensoort die thans de planeet bevolkt. Deze ontstond ruwweg 200.000 jaar geleden. Bij gebrek aan vergelijkingsmateriaal is een goede schatting van onze toekomstige levensduur derhalve tussen 5.100 jaar en 7,8 miljoen jaar. Dat komt redelijk overeen met de geologische levensduur van andere diersoorten: die ligt tussen de één en elf miljoen jaar. Zoogdieren bestaan zelden meer dan twee miljoen jaar, onze voorouders Homo erectus slechts 1,4 miljoen jaar en de Neanderthalers niet meer dan 200.000 jaar. Soorten met een intelligentie vergelijkbaar met de onze maken het dus niet zo lang – intelligentie verlengt het verblijf op aarde niet.
Hans van Maanen.
Wetenschapsjournalist,
in “Echte mannen willen niet naar Mars.
Rafelranden van de wetenschap”
(Promotheus, Amsterdam. 2002).
Het nut van de plantkunde en van de natuurwetenschappen in het algemeen wordt thans door verlichte geesten niet meer betwist. Deze wetenschappen kenden zo’n grote vooruitgang en trokken zo de aandacht door hun briljante verworvenheden, dat de pedagogische gewoonten van vele eeuwen zullen moeten wijken voor de vereisten van de toekomst. Jammer genoeg worden deze gewoonten nog altijd aangehangen door heel wat lui die er belang bij hebben dat ze verdergezet worden. Heel wat posities zouden verzwakt worden door het binnendringen van de natuurwetenschappen in alle graden van het onderwijs. Onder meer door de leraars van de dode talen die hun onderwijs verantwoord hebben of willen verantwoorden door zorgvuldig de oudheid te willen uitleggen aan jongeren die toch in het heden leven en zich willen voorbereiden op de toekomst. Hetzelfde geldt voor de leraars geschiedenis en literatuur die maar niet kunnen begrijpen dat de natuurwetenschappen een belangrijke plaats in de leerplannen van het onderwijs zouden moeten innemen. Wat er ook moge gebeuren, wat ook de redenen mogen zijn om de natuurwetenschappen maar een secundaire rol te laten spelen in de leerprogramma’s, toch zullen die wetenschappen zich opdringen en eindigen om een van de voornaamste takken van het onderwijs te worden.
De politici hebben de laatste tijd goed begrepen dat de toekomst bij de natuurwetenschappen ligt en onze regering doet inspanningen om het onderwijs ervan in de verschillende klassen van het middelbaar onderwijs te organiseren. Men voelt thans zelfs de behoefte om het onderwijs van de plantkunde in te voeren in de lagere school.
François Crépin (1830-1903).
Directeur van de Nationale Plantentuin,
in “Guide du Botaniste en Belgique”
(Bruxelles. 1878).
Rond fouten hangt in onze maatschappij naar mijn gevoel een iets te groot taboe. Ze horen er nochtans onlosmakelijk bij. Ik zie het bijna als stapstenen in ons leven. Ook in ons onderwijssysteem worden fouten iets te streng met de rode stift behandeld. Terwijl we daarvoor juist naar school gaan: om fouten te maken. Elke fout is een stap vooruit in het leerproces. Net zo in het leven. Met een verlammende koudwatervrees kom je niet ver.
Peter Algoet.
Vlaams filosoof,
in “Knack Weekend” (26 juli 2006).
De mens is een voelend, overwegend, denkend wezen, dat vrij over de aarde loopt, dat aan de top lijkt te staan van alle andere dieren over welke het heerst, dat in gemeenschap leeft, dat kunsten en wetenschappen heeft uitgevonden, dat een eigen goedheid en kwaadheid bezit, dat zich meesters stelt en dat wetten heeft gemaakt.
Denis Diderot (1713-1784) en Jean Le Rond d’Alembert (1717-1783).
in “Encyclopédie ou dictionnaire raisonné
des sciences, des arts et des métiers” (1751-1772).
De mens is een warmbloedig dier met een behaarde huid dat ademt door longen en waarvan de jongen levend geboren en gezoogd worden.
Gavin Rylands de Beer (1899-1972).
Brits hoogleraar dierkunde.
De 21ste eeuw wordt de eeuw van de biologie.
Bill Clinton (° 1946).
Gewezen Amerikaans president in 2001.
Wat het leven voortdrijft is dus een kleine elektrische stroom, onderhouden door het zonlicht.
Albert Szent-Gyorgyi (1893-1986).
Amerikaans biochemicus en Nobelprijswinnaar 1937.
De evolutie is slechts een hypothese, maar een met een hoge graad van waarschijnlijkheid, verifieerbaar in al haar talrijke gevolgen en die men niet kan verwerpen zonder ze te vervangen door een andere hypothese die op zijn minst even aannemelijk is. Dat men zich niet vergisse, een bioloog die op de hoogte is van de thans beschikbare gegevens, heeft praktisch gezien niet het recht om geen evolutionist te zijn als hij de feiten niet op een andere manier kan verklaren. […] Het begrip evolutie volgt uit het ontelbaar groot aantal feiten waarvan men de draagwijdte alleen volledig kan inzien dan door een grondige kennis van talrijke wetenschappen, zoals de anatomie, de embryologie, de histologie, de cytologie, de fysiologie, de genetica, de paleontologie en de geologie. Hoe beter men het levend organisme leert kennen, hoe meer het begrip evolutie vanzelfsprekend wordt.
Georges Vandebroek.
Vlaamse hoogleraar anatomie KU Leuven (in 1950).
Ik dacht voorts dat bij de voorbereiding voor een leven, dat zich zou hebben te wijden aan de rationalisering in betrekking tot natuur en maatschappij, zou moeten worden uitgezien naar de wiskunde als kernvak. Immers de gehele moderne wetenschappelijke en technische civilisatie is uit de natuurwetenschappen voortgekomen. De wetenschappen van de mens hebben van de kennis, die daarbij vergaderd is, en de methoden, die daarbij zijn toegepast, veel geleerd. […] Welnu de principiële grondslag ligt hierbij in de wiskunde, waarin het principe van de analytische exactheid het zuiverst is gerealiseerd. De rationaliteit, die in heel deze wereld van natuuronderzoek en techniek geldt, is van mathematische oorsprong. Daarbij zal de opleiding dus moeten aanknopen. Maar ook hier gaat het uiteraard niet precies om het vak wiskunde, zoals het op ons leerprogramma staan. Dit heeft met het wetenschappelijke wiskundige denken geen gelijke tred gehouden en zal moeten worden herzien. Maar bovendien de doorwerking van de beginselen van de moderne wiskunde in de natuur- en scheikunde, in de biologie, in de techniek, in de wijsbegeerte andermaal, is in deze denksfeer begrepen. Het gaat er bij mij om de grote cultuurstroom aan te duiden, die Europa mede gemaakt heeft tot wat het is. Ons wereldbeeld is er in zijn wezen door bepaald. Ook hierin vertoont zich een stuk geestelijke zelfrealisatie van de mens, welke het onderwijs, naar de tijd en de gelegenheid toestaan, in haar grootse gang en indrukwekkende resultaten zichtbaar moet maken. En dan niet slechts in de weg van het geschiedenisonderwijs, dat ik eerder noemde. Het gaat erom dat de leerling door eigen oefening en beoefening deelgenoot der rationaliteit wordt.
Ph. J. Idenbrug (1901-1995).
Nederlands hoogleraar pedagogiek,
in “Taak en vorming van de intellectueel
in het nieuwe Europa” (Meulenhoff, Amsterdam. 1962).
Mensen hebben ook de neiging zich te gedragen zoals je verwacht dat ze zich gedragen. In een beroemd experiment van Robert Rosenthal kregen de leerkrachten van een aantal klassen de gegevens toevertrouwd dat twintig van hun leerlingen een uitzonderlijk hoog IQ hadden. De leerlingen waren willekeurig uitgekozen, zonder de IQ’s te kennen. Toen acht maanden later de IQ’s echt gemeten werden, waren die van de uitverkoren kinderen inderdaad hoger. Ze hadden onbewust meer aandacht, ondersteuning en waardering gekregen, waardoor ze beter gingen presteren. Veel gevolgen van racisme en discriminatie worden door hetzelfde effect gevoed: zwarten, vrouwen, allochtonen en kinderen worden op een bepaalde manier behandeld en beginnen zich daar na een tijd ook naar te gedragen.
Geerdt Magiels.
Bioloog en wetenschapsfilosoof,
in “Freud & Darwin op de sofa”
(Houtekiet, Antwerpen. 2006).
De soort is dit stadium van het evolutieproces waarop een groep individuen, die tot dan toe onderling kruisten of kruisen konden, zich in twee of meer groepen heeft gesplitst, die fysiologisch onbekwaam tot kruising geworden zijn.
Theodosius Dobzhansky (1900-1975).
Russisch-Amerikaans geneticus.
Zijn soorten, de ene ten opzichte van de andere, groepen waarvan het erfelijk patrimonium natuurlijk afgezonderd blijft of zou blijven zelfs indien ze in eenzelfde verspreidingsgebied zouden voorkomen.
Georges Vandebroek.
Vlaamse hoogleraar anatomie K.U. Leuven,
in “De oorsprong van de mens”
(Paul Brand, Bussum. 1952).
De vormen die het niveau van soort bereikt hebben, zijn fysiologisch zo ver afgeweken, dat zij zich opnieuw in de natuur kunnen ontmoeten zonder te kruisen.
Ervin Streseman (1889-1972).
Duits hoogleraar biologie (in 1919).
De leraar is interpretator voor zijn leerlingen. Hij maakt ook een pedagogische interpretatie van deze materie [die onderwezen wordt]. Hij maakt de materie “onderwijsbaar”. Dit is een hele kunst. Hij neemt belangrijke pedagogische beslissingen: dit stuk moet ik in een directe instructie verklaren, daar ligt een kans tot onderzoek en onderzoeken, hier is het nodig te oefenen, en nu is het moment gekomen voor een persoonlijk werkje, enz. Hij moet voortdurend rekening houden met het bereikte niveau van begrijpen van zijn leerlingen, om de zone van naaste ontwikkeling te kunnen vinden. Hij is sterk begaan met zijn leerlingen en begrijpt hun begrijpen, doordat hij zich sterk op het standpunt van anderen kan stellen met de nodige inleving. Doceermomenten zijn noodzakelijk opdat de leerlingen iets correct zouden kunnen verstaan. Zonder het uiteenzetten, het verklaren van de leraar is er geen begrijpen door de leerlingen. Maar “doceren” betekent voor de leraar dat hij samen met de leerlingen, weliswaar onder zijn leiding, waarheid zoekt. Zijn spreken is gebaseerd op echt zoekend denken of interpreteren. Hij dreunt dus geen cursus af. Hij heeft feeling voor de mogelijkheden, de moeilijkheden en de vragen van de leerlingen. Men kan zeggen dat hij al sprekend onderweg is met zijn leerlingen. Doceren is dus geen synoniem met simpele overdracht van kennis alsof het hier om “een ding” zou gaan, door de leerlingen daarna netjes te reproduceren. Precies omdat het hier om eenmalige dialogen gaat tussen heel concrete mensen in heel concrete situaties is zelfs het doceren een productief gebeuren. Men kan niet zeggen dat de leraar de meester is van deze dialoog, die begin en einde van de dialoog zou beheersen. Nee, de leraar is partner van een “spel” met de leerlingen als partner én de cultuur als derde partner.
Valeer Van Achter,
Vlaams leraar pedagogiek en onderwijsfilosoof,
in “De onderwijskunde voorbij. Reflecties”
(Academia Press, Gent. 2006).
De milieubeweging is al sinds begin jaren negentig vooral bezig doemscenario’s te schetsen. Over poolkappen die smelten, grondstoffen die vijf jaar geleden op zouden zijn, ga zo maar door. Geen enkel scenario is uitgekomen. Maar wat wél is gebeurd: mensen zijn door die rampverhalen murw gebeukt. Het milieubewustzijn van het publiek verschrompelt daardoor…
Jozef Keulaert.
Nederlands hoogleraar duurzaamheid en levensbeschouwing,
Radbout Universiteit, Nijmegen, in “Terra”, juni 2005.
In een postscriptum van een brief uit 1854 schrijft Darwin het volgende: “Ik heb zojuist in de praktijk getoetst hoe het niet gebruiken van lichaamsdelen inwerkt op het slinken ervan; ik heb skeletten gemaakt van wilde & tamme eend (o, de geur van goedgestoofde adellijke eend!!) & nu ontdek ik dat de twee vleugels van een tamme eend, die op basis van onze vergelijking met het wilde prototype samen 360 gram zouden moeten wegen, slechts 317 gram wegen, of 43 gram minder, ofwel 1/7de deel van het gewicht van zijn twee vleugels: dit vind ik zeer interessant.” De reden waarom hij [Darwin] dat zo interessant vindt, is zijn vermoeden dat een lidmaat dat minder gebruikt wordt in omvang en sterkte zal afnemen en dat dus tamme eenden die alleen maar op het erf rondwaggelen kleinere en zwakkere vleugels zullen hebben.
Geerdt Magiels. Bioloog en wetenschapsfilosoof, in “Freud & Darwin op de sofa” (Houtekiet, Antwerpen. 2006).
Eén van de grote doorbraken in de moderne darwinistische benadering is de belangrijke rol die vertrouwen speelt in de menselijke evolutie. Door vertrouwen kunnen niet alleen verwanten met elkaar samenwerken. De mens is een van de weinige diersoorten waar vertrouwen een zo grote rol speelt. Wij hebben dan ook een stel hersenen waarmee we heel veel verschillende individuen kunnen herkennen en een scorebord bijhouden van onze relaties met al die mensen. Zo kunnen we de oneerlijke profiteurs eruithalen en tegenmaatregelen nemen. We hanteren de vuistregel dat wie ons eerlijk behandelt, door ons ook eerlijk behandeld wordt. Wie ons één keer bedriegt, krijgt een tweede kans, maar geen derde. Mooie studies van mensen in speelsituaties die normale omstandigheden nabootsen, geven dat keer op keer aan. We leven niet meer in een eindeloze strijd om te overleven, maar in een eindeloos heen-en-weer tussen egoïsme en altruïsme. Als de evolutionaire psychologie één ding aantoont is het misschien dat wel. De biotoop van de mens is niet de prehistorische savanne, maar de samenleving van nu en daarin houden tegengestelde krachten van voor zichzelf opkomen en met anderen samenwerken elkaar in evenwicht. Het is een optimistische visie op de wereld en het leven daarop (zonder daarom onrealistisch te worden).
Geerdt Magiels.
Bioloog en wetenschapsfilosoof,
in “Freud & Darwin op de sofa”
(Houtekiet, Antwerpen. 2006).
Het probleem van veel allochtone jongeren begint bij hun geboorte in een kansarm milieu. Ze hebben al een taalachterstand opgelopen voor ze naar het eerste leerjaar gaan. En in de middelbare school glijden ze meteen af naar het technisch en beroepsonderwijs. Hoewel ze een intrinsieke intelligentie hebben die hen zou toelaten om andere studies te doen. Andere studies, die dan hun énige hefboom zouden zijn om sociale promotie te maken. Dus wat krijg je dan? Scholen vol met leerlingen die intellectueel én materieel niet aan hun trekken komen. Zulke jongeren kunnen afglijden naar de kleine criminaliteit. De oplossing is: onderwijs, onderwijs, onderwijs.
Glenn Audenaert.
Directeur van de federale gerechtelijke politie,
in “Knack” (6.09.2006).
We weten dat jongeren tussen twaalf en achttien niet evenwichtig eten. Twintig procent van de kinderen tussen negen en twaalf vertoont al overgewicht. Een op de drie jongeren rookt. Een op de vijf jongeren kijkt elke schooldag minstens vier uur televisie of video, een op de tien jongeren doet nooit aan sport.
Freddy van de Casseye.
Directeur van de Belgische Cardiologische Liga,
in “De Standaard” (18.09.2006).
De Leuvense enquête bij 2.500 jongeren [tussen 12 en 18 jaar] leverde nog meer op. Zo kwam Jan Van Mierlo te weten dat de gemiddelde jongere per week 22 uur televisie kijkt. Ruim 96,5 % onder hen eet ondertussen snacks en drinkt calorierijke drankjes. Op die manier krijgen ze per uur televisiekijken 653 kJ binnen. Dat is 17 % van de energie die ze dagelijks mogen innemen. Jongens doen het daarbij slechter dan meisjes. Zij slaan bijna één vijfde van de hun toegestane energie op voor de buis in de luie stoel. Bij zulke cijfers voelen preventiewerkers hun vingers kriebelen. Hun boodschap is dus: kijk minder tv. Uit onderzoek weten we echter dat jongeren, als ze geen tv meer mogen kijken, veelal overschakelen op andere passieve media zoals computerspelletjes. Daarom lijkt het zinvoller om tv-kijken en eten uit elkaar te halen, maar dat is dan weer een taak voor de ouders. We weten dat kinderen al heel jong de twee-eenheid tv/eten in zich opnemen. Zonder het te beseffen, zadelen ouders die hun baby voor de televisie te eten geven, hun kind op met overgewicht in hun latere leven.
Jan Van Mierlo.
Communicatiewetenschapper KU Leuven,
in “Bodytalk” (oktober 2006)
Om de evolutie van een gen te begrijpen moet je het beschouwen als een recept op een bladzijde in een kookboek van het genoom. Het grootste deel van de bladzijde is gevuld met koeterwaals – AFDFJADKJZCXVNZCV – met hier en daar een duidelijke mededeling: VOEG SUIKER TOE, ZEEF DE BLOEM enzovoort. Als zich in de delen van de bladzijde die het recept bevatten een mutatie voordoet, kan die van invloed zijn op het uiteindelijke gerecht. De meeste mutaties zullen het recept waardeloos maken – doordat ze meel door water vervangen bijvoorbeeld. Maar sommige mutaties kunnen het recept verbeteren. Mutaties die eiwitten zodanig veranderen dat ze hun functie beter vervullen, kunnen door de natuurlijke selectie worden bevoordeeld en zich binnen een soort verbreiden. Veel andere mutaties zijn noch nuttig noch schadelijk – ze hebben geen effect op het eiwit dat door het gen wordt gecodeerd.
Carl Zimmer.
Wetenschapsjournalist,
in “Waar komen we vandaan?”
(Standaard Uitgeverij, Antwerpen. 2005).
Het grootste belang van de appendix i |
