KERNACHTIGE UITSPRAKEN - REEKS X

Ik leer elke dag om ’s anderendaags te onderwijzen.
Émile Faguet (1847-1916).
Frans hoogleraar poëzie en criticus.

 

Na het brood, is de opvoeding de eerste behoefte van een volk.

 
George Jacques Danton (1759-1794).
Frans staatsman.

 

Drinken zonder dorst en op elk ogenblik de liefde bedrijven, mevrouw, dat is het enige wat ons van de dieren onderscheidt.

 
Pierre-Augustin Caron de Beaumarchais (1732-1799).
In “Le Mariage de Figaro”.

 

Plantkunde is de kunst om planten tussen bladen papier te drogen en om ze dan in het Grieks of in het Latijn te beledigen.

 
Alphonse Karr (1808-1890).
Frans schrijver.

 

Vier zaken blijven niet lang verborgen: de wetenschap, de dwaasheid, de rijkdom en de armoede.

 
In “Duizend-en-één-nacht”, verzameling oosterse vertellingen.
 

Wijze ouders laten toe dat hun kinderen zich eens vergissen. Het is goed dat ze nu en dan eens hun vingers verbranden.

 
Mahatma Gandhi (1869-1948).
Indisch volksleider.

 

De ware democratische vooruitgang is niet om de elite op het niveau van de massa te brengen, maar om de massa op het niveau van de elite te brengen.

 
Gustave Le Bon (1841-1931).
Frans sociaal-psycholoog.

 

Een evolutionaire benadering kan een nieuwe dimensie toevoegen aan de feministische analyse van het patriarchaat. Feministen interpreteren mannelijke dominantie meestal als een culturele constructie en als doel op zich. Volgens evolutiepsychologen dateren de wortels van het patriarchaat echter van voor het ontstaan van de menselijke soort; mannelijke dominantie is tenslotte wijdverspreid onder zoogdieren. Vanuit evolutionair perspectief moeten we de motor erachter niet zoeken in een mannelijke obsessie met macht, wel in seksuele selectie: het mannelijke verlangen om vrouwtjes en hun seksualiteit te controleren gaat ultiem terug tot het reproductieve belang van vrouwtjes als de meest investerende sekse.

 
Griet Vandermassen.
Filosofe Universiteit Gent,
in “Darwin voor dames. Over Feminisme en
Evolutietheorie” (Nieuwezijds, Amsterdam. 2005).

 

Een evolutionair perspectief stelt dat het patriarchaat ultiem draait rond controle over de vrouwelijke seksualiteit en het verklaart waarom dat zo is: omdat vrouwen de meer investerende sekse zijn. De radicaal-feministische observatie dat seksuele controle het hart van het patriarchaat vormt, is dus in essentie juist. Het is echter weinig waarschijnlijk dat mannen verenigd zullen zijn in hun belangen. Ze willen reproductief waardevolle vrouwen controleren, maar ze concurreren ook onderling om vrouwen en om de status en middelen, omdat dat hun helpt de andere sekse aan te trekken. Mannen vormen coalities, maar ze doen dat vooral om sterker te staan in hun competitie met andere mannen. Vrouwen zijn evenmin verenigd in hun belangen met hun seksegenoten: ze strijden onderling om mannen met hoge status en gebruiken daartoe onder meer jeugd en schoonheid, om in te spelen op de geëvolueerde partnervoorkeuren van mannen.

 
Griet Vandermassen.
Filosofe Universiteit Gent,
in “Darwin voor dames. Over Feminisme en
Evolutietheorie” (Nieuwezijds, Amsterdam. 2005).

 

De hedendaagse darwinistische theorievorming benadrukt zowel samenwerking als competitie. Evolutie mag ons dan met zelfzuchtige en hebzuchtige trekjes opgezadeld hebben, daarnaast ontwikkelden we ook de capaciteit, en zelfs de noodzaak, om anderen lief te hebben, te respecteren en te helpen. De meesten van ons ervaren automatisch empathie bij het zien van lijden van anderen, zelfs als het om fictieve personages uit een boek of televisieserie gaat. Dat de ultieme wortels van emotie als medeleven en altruïsme liggen in hun bijdrage aan de overleving en voortplanting van onze voorouders, doet niets af aan de realiteit en oprechtheid ervan.

 
Griet Vandermassen.
Filosofe Universiteit Gent,
in “Darwin voor dames. Over Feminisme en
Evolutietheorie” (Nieuwezijds, Amsterdam. 2005).

 
 
Hoe kunnen leraars aan leerlingen vertellen dat ze van apen afstammen en desondanks verwachten dat ze zich niet als apen zullen gedragen?
 
William Jennings Bryan (1860-1925).
Amerikaans advocaat op het Scopesproces
(Apenproces) van 1925. Creationist.

 

Een soort is een geheel van organismen waarover deskundige specialisten het eens zijn om ze dezelfde naam te geven.

 
Theodosius Dobzhansky (1900-1975).
Russisch-Amerikaans geneticus.

 

Studenten, studentinnen, beste vrienden, steek het goed in je hoofd dat men u vandaag nodig heeft, niet zoals men al te dikwijls zegt als sterk gespecialiseerde technici, maar als mannen en vrouwen die vertrouwd zijn met de wetenschappelijke methode. We hebben geen specialisten nodig die heel hun leven lang een bepaalde taak voortdurend herhalen, maar mannen en vrouwen die voldoende cultuur bezitten en met een voldoende soepele geest om zich aan te passen aan de technieken, zowel technieken van de laboratoria als die van de industrie. Men heeft nood aan mannen en vrouwen die de moed hebben om student te blijven tot aan hun laatste ademtocht, mannen en vrouwen die alle gelegenheden aangrijpen om hun kennis aan te vullen of te verbeteren.

 
Lucia de Brouckère (1904-1982).
Hoogleraar chemie U.L.B. Toespraak van 1960.
In 1937 de eerste Belgische, vrouwelijke hoogleraar
in de faculteit van de wetenschappen.

 

We hebben nog niet in het grote boek van de natuur de bladzijden opgegraven, die ons het recht geven te verwachten dat we sporen zullen vinden van de tussenvormen [tussen de apen en de mens] die ons nog ontbreken. Het vaderland van de antropomorfe apen zijn de tropische gebieden van Afrika en de eilanden Borneo en Sumatra. En eigenlijk is het voor deze gebieden nog totaal onbekend of er zoogdieren uit het Plioceen of het post-Plioceen aanwezig zijn.
Op een dag in de toekomst, wanneer we misschien honderden fossielen van “quadrumanen” [mensapen] gevonden zullen hebben, zal de bioloog over dit onderwerp kunnen nadenken. Voor het ogenblik moeten we ons tevreden stellen met een geduldig afwachten en we moeten ons ervan weerhouden om een oordeel over de transformaties [d.i. de evolutie] te laten beïnvloeden door de afwezigheid van bewijzen.
 
Charles Lyell (1797-1875).
Brits geoloog. Grondlegger van de
geologie en inspirator van Charles Darwin,
in “The geological evidence of the antiquity of man” (1863).

 
 
Vraag van de wetenschapsjournalist Joël De Ceulaer:
“Die oerknal, is die écht gebeurd? Mogen we dat “een feit” noemen?” Antwoord van de fysicus Simon Singh: “Dat denk ik wel. In de wetenschap  weet je nooit iets met honderd procent zekerheid. Maar in sommige zaken kun je voldoende vertrouwen hebben om te zeggen dat ze “een feit” zijn. We weten bijvoorbeeld dat de aarde rond is, dat kunnen we een feit noemen. Idem dito voor evolutie: we hebben voldoende fossiel, anatomisch en genetisch bewijsmateriaal om de evolutietheorie “waar” te noemen. Er zitten weliswaar nog wat hiaten in, een aantal zaken die we niet zo goed begrijpen. Maar de theorie is veel meer dan speculatie. En dat geldt ook voor de oerknaltheorie. Het is een goede, wáre theorie, maar er zitten nog hiaten in.”
 
Simon Singh (° 1964).
Engels-Indiase fysicus en auteur van
een bestseller over “De oerknal”,
in “Knack”, 26 oktober 2005.

 
 
Naar Darwin heeft de giraf een lange staart verworven zodat ze zich kan verdedigen tegen vliegen en andere insecten. Hetzelfde treffen we aan bij onze runderen. En in Zuid-Amerika is de verspreiding en het bestaan van het vee absoluut gebonden aan de middelen waarmee de individuen van de kudde zich tegen insecten kunnen verdedigen.
Tegenover deze veronderstelling hebben we een kapitale tegenbedenking. We ontkennen niet dat de staart van het vee van die dieren het aangegeven nut bezit, maar we beweren dat, als die dieren voortijds staartloos waren, de natuurlijke selectie niet in staat was om een staart te laten groeien. Die staart zou toch maar met een heel kleine snelheid langer geworden zijn, en vanaf het aanvankelijk verschijnen, waarbij hij eventueel door kruisingen zelfs verkleind of verdwenen zou kunnen zijn, zal hij bij alle individuen van een soort, na miljoenen jaren misschien een lengte van één centimeter bereikt hebben. Nu vragen we aan Darwin hoe een staart van één centimeter de runderen zou kunnen beschermen tegen vliegen. Natuurlijk niet. Bijgevolg kan de staart van de runderen zich volgens de principes van Darwin nooit gevormd hebben, want door de natuurlijke selectie worden alleen kleine en langzame veranderingen bewaard, voor zoverre dat ze vanaf hun verschijnen nuttig zijn voor het dier dat ze bezit.
 
Kanunnik Alphonse Lecomte (1847-1931).
Hoogleraar biologie KU Leuven, creationist,
in “Le Darwinisme et l’origine de l’homme” (Bruxelles. 1873).

 

De wetenschap produceert kennis, maar het productieproces laat zich niet in kookboekinstructies vangen. Daarvoor is het te onvoorspelbaar. In het verleden dachten wetenschappers dat er wél zo’n recept bestond: de wetenschappelijke methode. Dat was een onfeilbaar instrument weermee de waarheid steeds dichter benaderd kon worden. Het is veelzeggend dat er altijd al verschil van mening is geweest over wat die methode inhield. Het recept had wel ingrediënten die steeds terugkwamen: je moest waarnemingen doen, een theorie bedenken, en experimenten uitvoeren om je theorie te testen. Maar verder overheersten de meningsverschillen. Wat kwam eerst: waarnemingen doen of een theorie bedenken? Hoeveel waarnemingen en experimenten had je nodig om zekerheid te krijgen? En als er een waarneming opdook die niet in de theorie paste, moest je je theorie dan aanpassen of opgeven?

 
Bert Theunissen.
Nederlands hoogleraar wetenschapsgeschiedenis,
in “Diesels droom en Donders’ bril.
Hoe wetenschap werkt” (Nieuwezijds, Amsterdam. 2004).

 

Voor een wetenschapper is het cruciaal dat hij diep vanbinnen níét te veel vertrouwen heeft in wat hij bedenkt, omdat de kans dan groot is dat hij blind blijft voor gegevens die zijn theorie zouden kunnen ontkrachten. Geen enkele wetenschapper loopt graag het risico zijn leven te verspillen aan een foute theorie, en daarom zijn we enorm sceptisch over onze eigen ideeën. De meeste ideeën die wetenschappers hebben, zijn immers verkeerd
. [Vraag van de interviewer: “Is dat zo?”] Zeker, dat is gewoon een feit: de meeste ideeën die in de loop van de geschiedenis zijn geopperd door wetenschappers, waren en zijn verkeerd. Je moet enorm veel lef hebben om nieuwe ideeën te lanceren. En wie lef heeft, vergist zich vaak. Daarom moet je altijd sceptisch zijn. En je idee testen, natuurlijk. Uiteindelijk zijn het toch de gegevens van je onderzoek die bepalen of een idee juist of fout is. Niet je buikgevoel, niet je hart, niet je esthetisch gevoel… Al die dingen kunnen je wel een bepaalde richting uit sturen, maar het uiteindelijke oordeel over een theorie wordt geveld in experimenten.
 
Brian Greene (°1963).
Amerikaans hoogleraar fysica,
in “Knack” (9-15 november 2005).

 

[Vraag van de interviewer: “ Haalt u dan zélf ook troost uit uw werk? Vindt u het leven de moeite waard?”]
Iedereen zoekt troost en zin en betekenis op zijn manier, natuurlijk. Een buschauffeur, een kunstenaar, iedereen. Maar als wetenschapper kan ik putten uit een enorm reservoir aan inspiratie om te vinden dat het leven bijzonder wonderlijk is. Al die wetenschappelijke kennis draagt ertoe bij dat ik het leven zeker de moeite waard vind. Doordat ik probeer te begrijpen wat het leven is, ben ik blij dat ik er deel van uitmaak.
 
Brian Greene (°1963).
Amerikaans hoogleraar fysica,
in “Knack” (9-15 november 2005).

 

Bij bepaalde reptielen van het Secundair, namelijk bij sommige dinosauriërs, leidde de evolutie tot een vergroting van de schedelholte, dus van de hersenen. Als er niet die grote meteoriet geweest was die tot hun afsterven geleid heeft, zouden die dinosauriërs misschien sociaal en intelligent geworden zijn. En, wie weet, misschien zou deze tekst vroeg of laat geschreven zijn door een reptielachtige bioloog, gericht tot dinosauriërachtige lezers.

 
Raymond Rasmont.
Belgisch hoogleraar biologie U.L.B.

 

De opkomst van de moleculaire biologie wordt door wetenschappers en historici vaak aangeduid als een revolutie in de bestudering van de levende natuur. Hoewel deze revolutie niet de kenmerken heeft van een paradigmawisseling in de betekenis die de filosoof Thomas Kuhn daaraan geeft, is het toch onmiskenbaar dat de biologie er op tamelijk radicale wijze door is veranderd. Na Watson en Crick heeft in brede kring het idee postgevat dat DNA het raadsel van het leven vertegenwoordigt. De overtuiging dat het moleculaire niveau de essentiële plaats is voor biologische onderzoekingen wordt erdoor ondersteund. Ook buiten de genetica leidde het moleculaire onderzoek al snel tot opzienbarende uitkomsten, bijvoorbeeld de opheldering van de structuur van de biologisch belangrijke eiwitten myoglobine (1958) en hemoglobine (1959). De theoretische en praktische resultaten van het onderzoek op moleculair niveau hebben belangrijk bijgedragen tot de dominante positie van de moleculaire biologie in de hedendaagse levenswetenschappen. De nieuwe discipline heeft een dermate krachtige stempel gedrukt, dat het zeker voor de buitenwacht soms wel lijkt alsof moleculaire biologie synoniem is met biologie.

 
Bert Theunissen en R.P.W. Visser.
Nederlandse hoogleraars wetenschapsgeschiedenis,
in “De wetten van het leven. Historische grondslagen
van de biologie 1750-1950” (Ambo, Baarn. 1996).

 

Het behoort ook aan de natuurkenner te vorsen naar de oorzaken van de gezondheid en van de ziekte, want van de gezondheid en ziekte kan geen spraak zijn bij de levenloze wezens. Het merendeel van hen die zich met de studie van de natuur onledig houden, en diegenen onder de geneesheren welke over hun kunst het meest wijsgerig nadenken, evolueren enerzijds van de studie der natuur tot de studie van de geneeskunde die er de consequente voleinding van is, en anderzijds vatten zij de studie van de geneeskunde aan met de studie van de natuur.

 
Aristoteles (384-322 v.C.).
Belangrijkste Griekse wijsgeer.

 

Wie zich op gezag verlaat, gebruikt zijn verstand niet, maar zijn geheugen.

 
Leonardo da Vinci (1452-1519).
Italiaans schilder, wetenschapper, enz. (“uomo universale”).

 

Zij die alleen de werken van de Ouden bestuderen en de werken van de natuur verwaarlozen, zijn stiefzonen, geen zonen van de Natuur die de moeder is van alle schrijvers.

 
Leonardo da Vinci (1452-1519).
Italiaans schilder, wetenschapper, enz. (“uomo universale”).

 

Het experiment is nooit mis, ons oordeel is het wel.

Leonardo da Vinci (1452-1519).
Italiaans schilder, wetenschapper, enz. (“uomo universale”).

 

Het verschijnen van
“De Humani Corporis Fabrica” van Andreas Vesalius (1515-1564) luidt de nieuwe tijd in de geneeskunde in. Het boek ging traag zijn weg. Het bereikt nochtans zijn bestemming en zou weldra bestudeerd en afgetakeld worden. Omzeggens niemand begreep in den beginne zijn betekenis. Het bracht, hoe vreemd ook, geen enkele nieuwe ontdekking, maar het was één nieuwe ontdekking, van het begin tot het eind, één nieuw inzicht, één nieuw begrip, te weten: het menselijk lichaam is weliswaar naar hetzelfde bouwplan als dat van andere zoogdieren ontworpen, maar het is geen slaafse kopie van het lichaam van apen of honden, doch een zelfstandig organisme, met eigen architectuur en vorm en inhoud. Het bracht een nieuwe boodschap: wat kan het ons schelen hoe Claudios Galenos (129-200 v.C.) of een andere oude arts hebben geschreven; ziehier wat ik, Vesalius Bruxellensis, gevonden en genoteerd heb; het is allemaal zeer merkwaardig wat die oude heren schrijven; ik heb dat ook gelezen, maar ik keek mijn ogen uit mijn kop, en vind het anders; ik kan het niet verhelpen, maar de lijken die ik geopend heb, spreken een andere taal dan ons aller meester Galenos; kijk zoals ik gekeken heb, en zeg mij of ik een leugenaar ben.
Het was meer dan twaalf eeuwen geleden sinds iemand zo roekeloos dorst te schrijven. Eén enkel voorbeeld. Galenos beweert dat de menselijke onderkaak uit twee symmetrische door een gewricht gescheiden helften bestaat. Eeuwenlang hebben zeer verstandige koppen dat geloofd en elkander nagepraat. Vesalius heeft tientallen volwassen bekkenelen [schedels] op de begraafplaatsen opgeraapt en nagekeken: geen enkel vertoont het mediane gewricht of voeg. Het besluit ligt voor de hand: Galenos heeft het mis. Maar men moet het durven te schrijven.
De “Fabrica” huldigt de observatie; zij wijst de weg aan voor nieuwe observaties; ze stelt de wetenschappelijke controle op de ereplaats; ze verwerpt het dogma in de studie van de biologie; ze breekt af met het gezag van eender wie. Eerst nakijken en daarna aanvaarden. De waarheid inzake natuurwetenschap kunnen we maar kennen, wanneer zij op de keper wordt beschouwd en getoetst, terdege en meer dan eens ontdaan van smuk en fantasie.
 
Leo Elaut (1897-1978).
Vlaams hoogleraar geneeskunde RU Gent,
in “Het medisch denken in de oudheid, de
Middeleeuwen en de renaissance”
(Standaard, Antwerpen. 1952)

 

Biologisch gesproken is de mens het merkwaardigste roofdier, en eigenlijk het enige dat systematisch zijn eigen soort verslindt.

 
William James (1842-1910).
Amerikaans filosoof en psycholoog.

 

Alle bloemen van morgen zitten in de zaden van vandaag.

 
Chinees spreekwoord.
 

Als een mens een tijger wenst te doden, heet dat sport. Als een tijger een mens wenst te doden, heet dat wreedheid.

 
George Bernard Shaw (1856-1950).
Anglo-Iers toneelschrijver en essayist.

 

De botanicus werkt in zijn proeftuin met de volle overtuiging, dat wanneer het hem ten slotte gelukken mag, … een algemene wet der erfelijkheid te vinden, die terstond ook in het andere rijk van toepassing zal zijn. Hij vleit zich met de hoop dat, zij het ook misschien in een verre toekomst, zijn werk ertoe zal kunnen bijdragen een deel van de sluier op te lichten, die thans nog de wetten der erfelijkheid op antropologisch gebied bedekt. En hoe verleidelijk is het denkbeeld, dat een grondige en consequente toepassing van de wetten der erfelijkheid eenmaal zal blijken de machtigste factor te zijn, tot leniging van zo vele maatschappelijke ellenden!

 
Hugo de Vries (1848-1935).
Nederlands hoogleraar plantkunde en genetica,
in 1895.

 

De geleerde, net zoals elke mens en zelfs elk levend organisme, beoefent voortdurend de activiteit van het oplossen van problemen.

 
Karl Popper (1902-1994).
Oostenrijks-Engels filosoof.

 

De natuur- en de scheikunde hebben, in de loop der negentiende eeuw, door hun talloze ontdekkingen, de vooruitgang van de overige wetenschappen aanzienlijk bevorderd, en tevens het aanzijn gegeven aan een aantal nieuwe nijverheden, waarvan wij de voortbrengselen thans geen enkelen dag zouden kunnen ontberen. Het is overbodig hierover uit te weiden.

Uit dit kort overzicht blijkt hoe belangrijk de rol der natuurlijke wetenschappen thans geworden is. Voor ons, Vlamingen, wier land overbevolkt is, wier bodem geen andere rijkdommen voortbrengt dan landbouwproducten, is de kennis der natuurlijke wetenschappen wellicht nog belangrijker dan voor andere volkeren.
Het is nodig in de eerste plaats voor de verschillende vakken der natuurwetenschap een voldoende aantal beoefenaren en deskundigen te vormen, en het peil der wetenschap in ons land zo hoog mogelijk te doen stijgen. Daarenboven mag de taal der wetenschap geen andere zijn dan de taal van het volk dat ons omringt, opdat de deskundigen zouden kunnen optreden als verspreiders der wetenschap en de belanghebbenden kunnen voorlichten met de pen en met het woord. Wanneer geleerden en deskundigen gewoon zijn Frans te spreken en in ’t Frans te denken, gevoelen zij zich als het ware buiten hunne sfeer en gaan aan het stotteren wanneer zij aan Vlaamssprekenden kennis moeten meedelen; zij trachten die onaangename gewaarwording te vermijden, en sluiten zich in hun studeerkamer op, onder voorwendsel dat de wetenschap niet dient verspreid te worden. De verspreiding van wetenschappelijke kennis geschiedt aldus in een onhebbelijken vorm of in het geheel niet, ofwel die taak wordt in vele gevallen overgelaten aan onbekwamen, die niets anders ten beste kunnen geven dan hun goede wil. Het verspreiden van wetenschap onder niet-ingewijden dient trouwens beschouwd te worden als een opoffering, die de geleerde zich moet getroosten uit plichtgevoel. Het houden van wetenschappelijke voordrachten, het schrijven van wetenschappelijke artikels en boeken in algemeen verstaanbaren vorm is een uitnemende oefening, die het wetenschappelijk denken bevordert, en ons daarenboven de kunst leert om onze gedachten op een fatsoenlijke wijze uit te drukken.
 
Julius Mac Leod (1857-1919).
Vlaams hoogleraar plantkunde RU Gent in 1897.

 

De moeilijkheid is niet om kinderen te maken, maar om ze te voeden.

 
Thomas Robert Malthus (1766-1834).
Brits econoom.

 

Onderwijzen is twee keer leren.

 
Joseph Joubert (1754-1824).
Frans filosoof.

 

Wie geen verbazing of verrassing meer kan ervaren, is om zo te zeggen dood; zijn ogen zijn uitgedoofd.

 
Albert Einstein (1879-1955).
Duits-Amerikaans fysicus.

 

Wie alleen maar militair is, is een slechte militair. Wie alleen maar leraar is, is een slechte leraar. Wie alleen maar industrieel is, is een slechte industrieel. De volledige mens, hij die zijn hele roeping wil vervullen, moet zijn lantaarn laten schijnen op alles wat de eer van de mensheid uitmaakt.

 
Louis-Hubert Lyautey (1854-1934).
Franse maarschalk.

 

Ik benadruk de samenhang tussen de mens en de apen, ik vergelijk, ik zoek naar de overeenkomsten tussen menselijk en dierlijk gedrag. Ik ben niet blind voor de verschillen, die zijn behoorlijk groot, maar er zijn al zoveel mensen die zich daarop concentreren, zoals de meeste filosofen en psychologen. Ik doe het andersom. […] Het verschil tussen het genetisch materiaal van de mens enerzijds en dat van de chimpansee en de bonobo anderzijds bedraagt amper 1,5 procent. Terwijl mensen het gevoel hebben dat het 50 procent is!

 
Frans de Waal.
Nederlands primatoloog,
in “Knack” (23-29 november 2005),
auteur van “De aap in ons” (Uitgeverij Contact).

 

Ik ben akkoord dat genen zelfzuchtig zijn, want zo planten ze zich voort. Maar het blijft een metafoor. De mens is in se een sociaal wezen. […] Wij zijn sterk op elkaar gericht. Ik hoorde onlangs de resultaten van onderzoek met ratten, waaruit blijkt dat rattenvrouwtjes die alleen moeten leven 40 procent minder lang leven dat diertjes die met vijf samen in een kooi zitten. Zelfs het immuunsysteem van de diertjes staat onder invloed van de sociale context. Het ergste wat je een mens kunt aandoen, is eenzame opsluiting.
 
Frans de Waal.
Nederlands primatoloog,
in “Knack” (23-29 november 2005),
auteur van “De aap in ons” (Uitgeverij Contact).

 

De beste dokters zijn: dr. Dieet, dr. Rust en dr. Gelukkig.

 
Jonathan Swift (1667-1745).
Engels dichter en prozaïst.

 

Elke ontdekking in de zuivere wetenschap kan ontwrichtend zijn; elke wetenschap moet dikwijls als een mogelijke vijand behandeld worden.

 
Aldous Leonard Huxley (1894-1963).
Brits romanschrijver en essayist.

 

De mens verwerft bij zijn geboorte, door de erfelijkheid, een biologische basis die we moeten beschouwen als iets vaststaand en onveranderbaar. Daarin bevindt zich de natuurlijke drang die de menselijke soort karakteriseert. Daarbovenop verwerft de mens tijdens zijn leven een culturele basis die hij overneemt van de samenleving door communicatie en vele andere vormen van invloeden. Het is die culturele basis die met het verloop van de tijd aan verandering onderhevig is en in belangrijke mate de verhouding tussen een individu en de samenleving bepaalt. De moderne antropologie heeft ons door vergelijkend onderzoek van zogenaamd primitieve culturen, geleerd dat het sociaal gedrag van mensen enorm kan verschillen afhankelijk van de heersende culturele patronen en organisatievormen die de samenleving domineren. Het is hierop dat diegenen die het lot van de mens willen verbeteren, zich baseren: mensen zijn niet veroordeeld omwille van hun biologische afstamming tot het uitroeien van elkaar of om een wreed lot te ondergaan.

 
Albert Einstein (1879-1955).
Duits-Amerikaans fysicus.

 

Een leerkracht moet in de eerste plaats een opvoeder zijn, dan een leraar van de moedertaal en tenslotte een leraar van een vak.

 
Camille Huysmans (1871-1968).
Vlaams politicus en gewezen Minister van Onderwijs.

 

Zolang een onderwijzer minder verdient dat een automonteur zijn we niet goed bezig.

 
Hugo Schiltz (° 1927).
Vlaams politicus.

 

Wetenschappelijk zijn er geen argumenten tegen genetisch gewijzigd voedsel. Het verzet is vooral politiek, economisch en sociologisch geïnspireerd. Als het genetisch gewijzigd voedsel, dat hoofdzakelijk uit de VS komt, in Europa wordt gecommercialiseerd, dan wordt dit gezien als een aanslag op onze landbouw. […] De gentechnologie schept nieuwe mogelijkheden om de monoculturen in de grootschalige landbouw af te schaffen. En we moeten veel minder gevaarlijke chemicaliën gebruiken. Maar ik vrees dat de Bayers en BASF’s van deze wereld dat niet zo graag zien gebeuren.

 
Marc Van Montagu.
Hoogleraar genetica UGent.

 

Wetenschap moet beginnen met mythen, en met het kritiseren van mythen.

 
Karl Popper (1902-1994).
Oostenrijks-Engels filosoof.

 

Leven op aarde is dan misschien duur, maar er is ieder jaar wel een gratis reis rond de zon bij inbegrepen.

 
Anoniem.
 

Albert Michelson [1852-1931, Amerikaans fysicus, Nobelprijs natuurkunde 1907] verkondigde in 1894: “De belangrijkste fundamentele natuurkundige wetten en feiten zijn ontdekt, en die staan nu zo onomstotelijk vast dat de kans dat er nog ooit aanvullingen op zullen komen als gevolg van nieuwe ontdekkingen uiterst klein is… Bij ontdekkingen in de toekomst zal het gaan om cijfers zes plaatsen achter de komma.” […] Michelson zou zijn boude bewering in de loop van zijn leven steeds verder onderuitgehaald zien worden. De ontwikkeling van de kwantum- en kernfysica zou de wetenschap binnen een paar decennia doen schudden op haar grondvesten. En daarbij zouden kosmologen hun inzichten betreffende het heelal volledig moeten bijstellen.

 
Simon Singh (° 1964).
Engels fysicus,
in “De oerknal. De belangrijkste wetenschappelijke
ontdekking ooit” (De Arbeiderspers, Antwerpen. 2005).

 

In de wetenschap probeer je mensen, op zo’n manier dat iedereen het begrijpt, iets te vertellen wat niemand tevoren wist. Maar in de dichtkunst gebeurt precies het tegenovergestelde.

 
Paul Dirac (1902-1984).
Brits natuurkundige.

 

De enige wetenschap is de natuurkunde, de rest is postzegels verzamelen.

 
Ernest Rutherford (1871-1937).
Brits natuurkundige. Nobelprijs 1908, niet voor
natuurkunde, maar voor scheikunde.

 

De wetenschapper bestudeert de natuur niet omdat dat nuttig is; hij bestudeert de natuur omdat hij daar behagen in schept, en hij schept daar behagen in omdat de natuur prachtig is. Als de natuur niet prachtig was, zou het niet de moeite waard zijn haar te leren kennen, en als het niet de moeite waard was de natuur te leren kennen, zou het leven niet de moeite waard zijn. Natuurlijk heb ik het hier niet over de schoonheid die de zintuigen streelt, de schoonheid van eigenschappen en uiterlijkheden; het is niet dat ik weinig of geen waardering heb voor zulke schoonheid, verre van, maar deze schoonheid heeft niets van doen met wetenschap; ik doel op de dieper liggende schoonheid die voortspruit uit de harmonieuze ordening der delen, en die voor een zuiver verstand te bevatten is.

 
Henri Poincaré (1854-1912).
Frans wiskundige, astronoom en natuurfilosoof.
Wetenschap is georganiseerde kennis.
 
Herbert Spencer (1820-1903).
Engels filosoof.

 

Een wetenschapper zal nooit sympathie tonen voor een theorie die hij niet zelf heeft bedacht.

 
Mark Twain (1835-1910).
Amerikaans schrijver.

 

Wetenschap is een reeks oordelen die eindeloos herzien worden.

 
Pierre Emile Duclaux (1840-1904).
Frans bacterioloog.

 

Over het algemeen gaan we bij het zoeken naar een nieuwe wet als volgt te werk. Eerst doe je een gok. Niet lachen, dit is de belangrijkste stap. Vervolgens bepaal je wat daarvan de consequenties zijn en vergelijk je de consequenties met de ervaring. Als de gok niet klopt met de ervaring, is hij onjuist. In die simpele constatering ligt de sleutel tot wetenschap. Het maakt niet uit hoe mooi je gok is of hoe slim je bent of wat je naam is. Als het niet klopt met de ervaring, is het onjuist. Dat is alles.

 
Richard Feynman (1918-1988).
Amerikaans fysicus.
Nobelprijs natuurkunde 1965.

 

Het gezonde verstand is een verzameling van vooroordelen die een mens zich verworven heeft tegen de tijd dat hij achttien is.

 
Albert Einstein (1879-1955).
Duits-Amerikaans fysicus.

 

Bij elke inademing neem je atomen op die gesmeed werden in de verzengende ovens diep binnen de sterren. Elke bloem die je plukt bevat atomen die de ruimte ingezonden werden door stellaire explosies die meer schitterden dan een miljard zonnen.

 
Marcus Chown.
Fysicus en wetenschapsjournalist,
schrijver van “The magic furnace:
the search for the origins of atoms” (1959).

 

Opdat wij kunnen leven, zijn miljarden, tientallen miljarden, zelfs honderden miljarden sterren gestorven. Het ijzer in ons bloed, het calcium in onze botten, de zuurstof die elke keer wanneer we ademhalen onze longen vult – alles is gekookt in de ovens van de sterren die lang voor het ontstaan van de aarde de geest hebben gegeven.

 
Marcus Chown.
Fysicus en wetenschapsjournalist,
schrijver van “The magic furnace:
The search for the origins of atoms” (1959).

 

Wetenschap is een geweldig tegengif tegen het gif van enthousiasme en bijgeloof.

 
Adam Smith (1723-1790).
Schots econoom.

 
Wetenschap is wat je weet. Filosofie is wat je niet weet.
 
Bertrand Russell (1872-1970).
Engels filosoof.

 

Wetenschap kan alleen vaststellen wat is, maar niet wat zou moeten zijn, en buiten het domein ervan blijven allerlei waardeoordelen noodzakelijk.

 
Albert Einstein (1879-1955).
Duits-Amerikaans natuurkundige.

 
Vier stadia van acceptatie:
  1. dit is waardeloze onzin,
  2. dit is een interessante, maar verkeerde zienswijze,
  3. dit is waar, maar volledig onbelangrijk,
  4. ik heb het altijd al gezegd.
John Burdon Sanderson Haldane (1892-1964).
Brits geneticus.

 

Wetenschap is de kennis van de gevolgen en van de afhankelijkheid van het ene feit van het andere.

 
Thomas Hobbes (1588-1679).
Engels filosoof.

 

De mens bedwingt de natuur niet door geweld, maar door inzicht. Daarom is de wetenschap geslaagd waar de magie heeft gefaald: omdat de wetenschap niet heeft geprobeerd de natuur te betoveren.

 
Jacob Bronowski (1908-1974).
Brits wetenschapper en schrijver.

 

Dat is de essentie van wetenschap: een irrelevante vraag stellen, en je bent op weg naar een relevant antwoord.

 
Jacob Bronowski (1908-1974).
Brits wetenschapper en schrijver.

 

Het is voor een onderzoekswetenschapper een goede oefening om zich iedere ochtend voor het ontbijt te ontdoen van een geliefde hypothese. Dat houdt hem jong.

 
Konrad Lorenz (1903-1989).
Oostenrijks zoöloog.

 

Waarheid in de wetenschap is het best te definiëren als de werkhypothese die het meest geschikt is om de weg te openen naar de volgende, betere werkhypothese.

 
Konrad Lorenz (1903-1989).
Oostenrijks zoöloog.

 

Wetenschap is de belangeloze zoektocht naar de objectieve waarheid over de materiële wereld.

 
Richard Dawkins (° 1941).
Engels bioloog.

 

De wetenschap van vandaag is de technologie van morgen.

 
Edward Teller (1908-2003)
Amerikaans natuurkundige.

 

Wetenschap is het verlangen de oorzaak van iets te kennen.

 
William Hazlitt (1778-1830).
Engels essayist.

 

Iedere grote vooruitgang in de wetenschap is voortgekomen uit een nieuwe stoutmoedige vorm van verbeelding.

 
John Dewey (1859-1952).
Amerikaans filosoof.

 

Een wetenschapper is niet iemand die de juiste antwoorden geeft, maar de juiste vragen stelt.

 
Claude Lévi-Strauss (° 1908).
Frans antropoloog.

 

Wetenschapsfilosofie is voor wetenschappers ongeveer net zo nuttig als ornithologie voor vogels.

 
Richard Feynman (1918-1988).
Amerikaans natuurkundige.

 
 
Wetenschap is in wezen een eindeloze zoektocht naar een intelligent en samenhangend begrip van de wereld waarin we leven.
 
Cornelius Van Niel (1897-1985).
Nederlands-Amerikaans microbioloog.

 

Wetenschap is niets meer dan geoefend en georganiseerd gezond verstand en verschilt alleen van het laatstgenoemde zoals een veteraan verschilt van een onervaren rekruut; en de methoden ervan verschillen van die van het gezonde verstand alleen in zover de slagen en steken van de gardesoldaat verschillen van de manier waarop een wilde met zijn knuppel zwaait.

 
Thomas Henry Huxley (1825-1895).
Engels bioloog.

 

Een man houdt op een beginner in om het even welke wetenschap te zijn en wordt een meester in die wetenschap wanneer hij geleerd heeft dat hij zijn hele leven een beginner zal blijven.

 
Robin G. Collingwood (1889-1943).
Engels filosoof.

 

Irma (81 jaar, grootmoeder), Marie-Christine (49 jaar, moeder) en Céline (17 jaar, kind) zijn afkomstig uit Moeskroen. Zij vertegenwoordigen drie generaties en hebben vrijwillig meegewerkt aan een bloedonderzoek. Het onderzoek had betrekking op 107 giftige stoffen die persistent en bioaccumuleerbaar zijn en/of de hormonale werking verstoren. Sommige van die stoffen, zoals DDT en PCB’s, zijn al jaren verboden. Toch blijven ze nog altijd de dierenwereld en de mens besmetten. Elke testpersoon – grootmoeder, moeder en kind – bleek besmet met een cocktail van ten minste achttien chemische stoffen, waarvan de meeste voorkomen in dagelijks gebruikte consumptiegoederen. Van de 107 opgespoorde chemische stoffen werden er 73 aangetroffen in het bloed van de deelnemers aan het onderzoek. Het grootste aantal werd vastgesteld bij grootmoeders, nl. 63, maar het bloed van de jongste generaties bevatte meer chemicaliën, nl. 54, dan dat van hun moeders, nl. 49.

 
In “Panda magazine”, tijdschrift van het
Wereldnatuurfonds (WWF),
oktober-november-december 2005.

 

Wie vlinders wil zien, moet rupsen verdragen.

 
Anoniem.
 

Er zijn slechts twee soorten geleerden: zij die van ideeën houden en zij die ideeën haten.

 
Alain (Emile Chartier) (1868-1951).
Frans filosoof.

 

Wetenschappelijk onderzoek tracht niet enkel bijzondere, individuele verschijnselen in de wereld van onze ervaring vast te leggen, maar tracht regelmatigheden te ontdekken in de stroom van gebeurtenissen om zo algemene wetten te kunnen opstellen.

 
Carl Gustav Hempel (1905-1997).
Duits-Amerikaans wetenschapsfilosoof.

 

Wetenschappelijke systematisering van kennis is uiteindelijk bedoeld om een verklarende en voorspellende orde te brengen in het verbijsterend groot complex van “ervaringsgegevens”, de verschijnselen die door ons rechtstreeks “geobserveerd” kunnen worden.

 
Carl Gustav Hempel (1905-1997).
Duits-Amerikaans wetenschapsfilosoof.

 

Maar als, zoals ik meen, het uiterste streven van de gehele wetenschap erop gericht is de relatie van de mens tot de wereld te verhelderen, dan moet men aan de biologie een centrale plaats toekennen, want van alle wetenschappen tracht zij immers het meest direct door te dringen tot de kern der problemen die men opgelost moet hebben, voordat men in andere dan metafysische termen over “de menselijke natuur” kan gaan praten.

De biologie is voor de mens dan ook de belangrijkste van alle wetenschappen, die welke ongetwijfeld reeds meer dan enige andere heeft bijgedragen tot de vorming van het moderne denken, dat door de opkomst van de evolutietheorie op alle terreinen – van filosofie, godsdienst en politiek – ingrijpend gewijzigd is, en uiteindelijk bepaald.
 
Jacques Monod (1910-1976).
Frans hoogleraar fysiologie, Nobelprijs 1965,
in “Toeval en onvermijdelijkheid. Proeve van
een natuurfilosofie van de moderne biologie”
(A.W. Bruna & Zoon, Utrecht/Antwerpen. 1971).

 

Wanneer een wesp, bij of hommel steekt, komt er wat gif in de huid terecht. De prik is erg pijnlijk en blijft dat ook enige tijd, maar na enkele uren is het leed voor de meeste mensen wel geleden. Behalve wanneer men allergisch reageert op een aantal stoffen in het gif en dat is volgens schattingen bij ongeveer 13 % van de bevolking het geval. Bij hen beginnen de problemen dan pas, hetzij met een grote lokale zwelling (bij 10 %), hetzij met een veralgemeende reactie (bij 3 %). Meestal gaat het hierbij om netelroos. Soms ontstaat er echter ook een ernstige of zelfs levensbedreigende veralgemeende reactie. Snelle hulp is dan noodzakelijk. […] Jaarlijks overlijden in ons land een 4 of 5 mensen aan een anafylactische reactie op een wespensteek.

 
Anne-Marie Kochuyt.
Hoogleraar interne geneeskunde,
KU Leuven, in “UZ Gezondheidsbrief” (augustus 2005).

 

De evolutie van de mens gaat onverminderd door en wel in het orgaan dat ons het meest typeert: ons brein. “De studie van onderzoekers van de universiteit van Chicago geeft aan dat datgene wat ons van mensapen in mensen veranderde – de groei en toenemende complexiteit van onze hersenen – nog steeds niet afgerond is.”, zegt hoofdonderzoeker Bruce Lahn. “Dat mag niet verbazen. Onze omgeving en de vaardigheden die we nodig hebben om erin te overleven, veranderen sneller dan we ons ooit konden voorstellen. Ik zou verwachten dat onze hersenen, die ons tot dusver zo goed hebben geholpen, zich aan deze veranderingen zullen blijven aanpassen.” Evolutie gaat in stappen. Sommige individuen lopen bij toeval een verandering in hun erfelijk materiaal op. Als die variant zo ‘gunstig’ is dat hij hun een grotere overlevingskans bezorgt, verspreidt hij zich in de volgende generaties snel onder de bevolking.

 
Hilde van den Eynde.
Wetenschapsjournalist,
in “De Standaard” (9 september 2005).

 

Biochemici doen nooit iets dat niet door een andere biochemicus gedaan kan worden, zei Harry Mulisch. Dat kon ik niet tegenspreken. Ik heb wel eens dingen ontdekt die niet zo voor de hand lagen, maar in het algemeen ben je als onderzoeker toch niet meer dan een paar maanden voor op de concurrentie. Dat geldt zelfs voor de meest geniale geesten in de bètawetenschappen. Had Einstein de relativiteitstheorie niet geformuleerd, dan had iemand anders het wel gedaan, een paar jaar later. Daarentegen is “Het proces” van Kafka uniek, vond Mulisch. Kafka hoefde zich niet te reppen om zijn “Proces” gepubliceerd te krijgen omdat anders iemand anders het vóór hem zou publiceren. “Het Proces” is uniek, schrijvers zijn uniek, van biochemici zijn er twaalf in een dozijn. Ook dat kon ik niet tegenspreken. Voor jeugdige lezers die het voorbeeld van Mulisch willen volgen, wil ik daar wel aan toevoegen dat middelmatige biochemici nog iets interessants kunnen ontdekken, terwijl derderangs schrijvers nutteloos zijn. Biochemie is additief. Een vrij onbeduidend steentje, bijgedragen door een simpele geest, kan de basis helpen leggen voor een imponerende uitzichttoren. Alle beetje helpen in het biologisch onderzoek en dat geldt niet voor schrijvers. Of Mulisch er toch niet beter aan had gedaan om biochemicus te worden, laat ik in het midden.

 
Piet Borst (° 1934).
Nederlands hoogleraar klinische biologie,
in “NRC Handelsblad” (22 oktober 2005).

 

Dick Swaab, hoogleraar neurobiologie,verdedigde de stelling dat er weinig meer verandert in het brein na je vierde verjaardag, uitgaand van een uitspraak van Charles Darwin: “Opvoeding en omgeving hebben slechts een geringe invloed op de mens en de meeste van onze eigenschappen zijn aangeboren.” […] Swaab beklemtoont wel de plasticiteit van onze hersenen in de vroege ontwikkeling. Onze hersencellen maken verbindingen, zo’n tien miljoen miljard, en die verbindingen worden beïnvloed door de buitenwacht. Japanse kindertjes leren vloeiend Japans, maar probeer als Nederlander op latere leeftijd nog maar eens Japans te leren. De hersenen zijn dan inmiddels voor Nederlands geprogrammeerd en de nieuwe zenuwcelverbindingen, die nodig zijn om Japans vast te leggen, komen maar moeizaam tot stand.

De invloed van externe factoren op ons brein begint al in de baarmoeder en dat is een specialiteit van Swaab. Onze seksuele identiteit wordt bepaald door hormonale effecten op de vroege hersenontwikkeling en als die ontwikkeling eenmaal doorlopen is valt er later niets meer aan te verwrikken. Je vrouw of man voelen – genderidentiteit – of homoseksualiteit worden in de baarmoeder vastgelegd; daar is later met psychotherapie of banvloek weinig meer aan te doen.
 
Piet Borst (° 1934).
Nederlands hoogleraar klinische biologie,
in “NRC Handelsblad” (19 november 2005).

 

Dorret Boomsma, hoogleraar biologische psychologie in de Vrije Universiteit van Amsterdam, is al jaren bezig om de eigenschappen van ééneiige en twee-eiige tweelingen te vergelijken in een collectie tweelingen die de 30.000 begint te naderen. Als een eigenschap genetisch bepaald is, lijken de eeneiige meer op elkaar dan de twee-eiige. Bij karaktertrekken vindt Boomsma een substantiële genetische component. Of kinderen op hun derde agressief, tegendraads of hyperactief zijn, wordt – in onze goedgeordende maatschappij – voor 70 % door aanleg bepaald. Hetzelfde geldt voor angstig, depressief gedrag bij kleuters. Maar ook bij 18-jarigen is probleemgedrag toch nog voor zo’n 60 % genetisch bepaald. Het tweelingonderzoek laat ondubbelzinnig zien hoe belangrijk genetische factoren zijn bij karaktervorming. […] Psychotherapeut Roel Verheul, hoogleraar persoonlijkheidsstoornissen, liet zien dat er meer flexibiliteit is in karakter dan mensen wel denken. Mensen worden consciëntieuzer en altruïstischer bij het klimmen der jaren en zelfs minder neurotisch. Ook bij borderline patiënten neemt de ernst van de stoornis af met de leeftijd. Er zijn natuurlijk aanlegfactoren, maar die werken niet los van de omgeving. Een verlegen ventje (aanleg), dat op school wordt gepest (omgeving), wordt gesterkt in angstig gedrag. Een jongen die neigt tot impulsief gedrag (aanleg) raakt pas in de criminaliteit door criminele vrienden (omgeving).

 
Piet Borst (° 1934).
Nederlands hoogleraar klinische biologie,
in “NRC Handelsblad” (19 november 2005).

 

Men is slechts volledig man als men een boek heeft geschreven, een zoon verwekt en een boom geplant.

 
Arabisch spreekwoord.
 

Als je het een jaar goed wil hebben, zaai dan graan. Wil je tien jaar verder, plant wat bomen. Maar wie honderd jaar rijk wil zijn, moet mensen kweken.

 
Oud spreekwoord.
 

Journalist Clifton Leaf laat in het tijdschrift Fortune van 22 maart 2004 zien dat de 5-jaarsoverleving voor de vier meest voorkomende tumoren in borst, darm, long en prostaat in de afgelopen 30 jaar is toegenomen van 50 naar 63 %. De verbetering is echter voornamelijk bereikt bij patiënten, waarbij de tumor vroeg ontdekt werd en nog op één plaats zat; bij patiënten met uitzaaiingen is de verbetering minimaal. Geen vooruitgang in 30 jaar. De cijfers kloppen, maar verhullen twee belangrijke verbeteringen: in de eerste plaats leven patiënten langer in redelijke gezondheid, ook als ze niet genezen worden. Voor de patiënt maakt dat uit, maar in de 5-jaar overlevingsstatistieken is het niet zichtbaar. Nog belangrijker is dat de statistieken na-ijlen. In de afgelopen tien jaar is de behandeling van kanker verbeterd en dat is nog niet zichtbaar in de cijfers. Neem borstkanker. Door verbetering van de aanvullende (adjuvante) therapie – combinaties van radiotherapie, antihormonale therapie en chemotherapie – is de sterfte gehalveerd. In klinisch onderzoek is dat spijkerhard aangetoond, maar het duurt even voor zo een verbeterde therapie als routine voor alle patiënten wordt ingevoerd, zodat het effect op de totale bevolking en op de sterftestatistieken na-ijlt. Toch laten de meest recente cijfers al zien dat de sterfte aan borstkanker afneemt, terwijl het aantal nieuwe patiënten (de incidentie) nog steeds toeneemt. Halvering van de sterfte aan borstkanker, een tumor die één op de tien Nederlandse vrouwen treft, is niet niks. Minder spectaculaire verbeteringen zullen binnenkort ook zichtbaar worden bij darm-, prostaat- en longkanker.

 
Piet Borst (° 1934).
Nederlands hoogleraar klinische biologie,
in “NRC Handelsblad” (26 juni 2004).

 

Volgens journalist Clifton Leaf deugt het kankeronderzoek niet. Dat onderzoek is te weinig op vroegtijdige opsporing van kanker gericht. Dokters komen pas in actie als iemand al kanker heeft. Ze wachten tot de vlammen uit het dak slaan in plaats van de eerste vonken te doven. Kankerdokters zouden een voorbeeld moeten nemen aan hartdokters; die proberen de bloeddruk en het bloedcholesterol omlaag te krijgen vóór iemand een hersenbloeding of een hartinfarct krijgt. De vergelijking oogt wel aardig, maar is misleidend. Hoge bloeddruk en hoog cholesterol zijn makkelijk te meten, maar hoe vind je een beginnend kankergezwel? Soms zit kanker aan het oppervlak en kan een dokter er makkelijk bij (de sproetenbus, de rondrijdende bus waarin men vreemde plekken op het lichaam kan laten bekijken), maar meestal begint kanker diep in het lichaam, in borst, darm of long. Vroege opsporing is dan meestal onmogelijk. Als het wel kan is het duur, moeilijk, belastend en minder effectief. Een voorbeeld is darmkanker dat vaak vroeg te zien is met een kijkbuis, maar zo’n lange buis in je lijf is geen pretje, nog afgezien van de krachtige laxatie die vooraf gaat. Duur is het ook om alle 50-plussers eens in de 5-10 jaar van binnen te laten bekijken door een kundig maagdarm-arts.

 
Piet Borst (° 1934).
Nederlands hoogleraar klinische biologie,
in “NRC Handelsblad” (26 juni 2004).

 

Het juli 2005-nummer van het tijdschrift ‘Science’ werpt ter gelegenheid van zijn 125
ste verjaardag 125 vragen op die als de grote mysteries van onze tijd beschouwd kunnen worden. Zij staan model voor de huidige gaten in onze kennis. Onder die 125 vragen zijn er 25 vragen die eigenlijk de meest dringende zijn en die voor zestig procent op de biologie betrekking hebben. Wat we nog niet weten kunnen we met die 25 vragen formuleren:
1. Waaruit is het universum samengesteld? 2. Op welke biologische basis berust ons bewustzijn? 3. Hoe komt het dat de mens zo weinig genen bezit? 4. Op welke wijze zijn genetische variatie en persoonlijke gezondheid met mekaar verbonden? 5. Kunnen de wetten van de fysica in één geünificeerd systeem ondergebracht worden? 6. Met hoeveel jaren kunnen we het leven van de mens verlengen? 7. Hoe wordt de regeneratie van organen geregeld? 8. Hoe kan een huidcel omgevormd worden in een zenuwcel? 9. Hoe gebeurt de ontwikkeling van een enkele cel tot een volledige plant? 10. Wat is de functie van het binnenste van de aarde? 11. Zijn we de enige organismen in het heelal? 12. Hoe en waar ontstonden de eerste organismen op aarde? 13. Waardoor wordt de biodiversiteit bepaald? 14. Welke genetische veranderingen hebben tot de
unieke mens geleid? 15. Op welke manier worden herinneringen in de hersenen opgeslagen en weer opgeroepen? 16. Hoe ontstond in de organismen samenwerking? 17. Hoe ontstaat er een totaal beeld uit de massa biologische gegevens? 18. Hoever kan bij organismen de chemische zelfassemblage gaan? 19. Waardoor is het conventioneel rekenen beperkt. 20. Is het mogelijk om selectief immuunreacties uit te schakelen? 21. Verbergen kwantumonzekerheid en non-lokaliteit bepaalde principes? 22. Zullen we binnenkort een vaccin tegen het aidsvirus bezitten? 23. Hoe warm zal het worden in een wereld met een overvloed aan broeikasgassen? 24. Waardoor kan de goedkope aardolie vervangen worden en wanneer? 25. Zal Malthus uiteindelijk het verkeerde standpunt ingenomen hebben?
 
Tijdschrift “Nature” (juli 2005).
 

“Wie vezelrijke voeding eet, vermindert zijn kans om darmkanker te krijgen”, zo klinkt het devies. Maar dat klopt niet, melden wetenschappers deze week in het medische vakblad “Journal of the American Medical Association”. Eerdere studies die een verband zochten tussen de vezelconsumptie en de kans op kanker in het laatste deel van de dikke darm, kwamen tot tegenstrijdige bevindingen. […] Maar dat neemt niet weg dat een dieet rijk aan plantenvezels aan te raden blijft, omdat het samengaat met een lager risico op chronische aandoeningen zoals hartziekten en suikerziekte.
                                       
Bericht in “De Standaard” (15 december 2005).
 

Het genoom van zowel mensen als chimpansees bestaat uit ongeveer drie miljard “letters” of DNA-bouwstenen (nucleotiden). Die lettercode omvat bij beiden ongeveer 20.000 tot 30.000 genen, de aanmaakinstructies voor eiwitten. Zo’n 96 procent van het menselijke genoom overlapt met dat van de chimpansee. In die overlappende DNA-tekst zijn 99 procent van de “letters” identiek tussen mens en chimp en zijn zo ongeveer 35 miljoen bouwstenen verschillend. Genetisch gezien is het verschil tussen mens en chimp tien keer groter dan tussen twee mensen. […] De chimpansee is het vierde zoogdier waarvan het genoom werd ontrafeld, na de mens (2001), de muis (2002) en de rat (2004).

 
Kim De Rijck.
Wetenschapsjournalist, in “De Standaard” (2 september 2005).

 

Het geheim van creativiteit is weten hoe je bronnen te verbergen.

 
Albert Einstein (1879-1955).
Duits-Amerikaans theoretisch fysicus.

 

Ieder kind is een kunstenaar. De moeilijkheid is er een te blijven als je groot wordt.

 
Pablo Picasso (1881-1973). Spaans schilder.
 

Natuurwetten zijn niets meer dan uitspraken die geobserveerde regelmatigheden zo nauwkeurig mogelijk tot uitdrukking brengen.

 
Rudolp Carnap (1891-1970).
Duits-Amerikaans wetenschapsfilosoof.

 

Voor het bereiken van het doel van de wetenschap, namelijk de waarheid ontdekken, moeten we een experiment dat een hypothese falsifieert, als een groot succes begroeten.

 
Karl Popper (1902-1994).
Oostenrijks-Engels wijsgeer.

 
Het lot van een volk heeft vaak afgehangen van de goede of slechte spijsvertering van een eerste minister.
 
Voltaire – François-Marie Aruet (1694-1778).
Frans schrijver.

 

Veel wetenschappelijke “waarheden” zijn gebaseerd op de resultaten van één enkele studie. En de meeste studies hebben foute resultaten. Tot die treurige conclusie komt de Griekse epidemioloog John Ioannidis in het vakblad “PloS Medicine”. […] Veel medische studies gebeuren met kleine aantallen patiënten, en die leveren vaker foute resultaten dan grootschalige onderzoeken. […] Veel studies kunnen beter ontworpen worden, zodat ze degelijker conclusies krijgen. En vooral: betrouwbare inzichten bekomt men pas door de resultaten van meerdere studies over eenzelfde onderwerp samen te leggen. Resultaten van één enkele studie mogen niet zomaar als wetenschappelijke waarheid aanvaard worden. Want het is aantoonbaar dat de meeste resultaten van wetenschappelijke studies fout zijn. Zijn beweringen leiden alvast tot een vervelende paradox: als hij gelijk heeft, is de kans groot dat hij er volledig naast zit.

 
Kim De Rijck.
Wetenschapsjournalist,
In “De Standaard” (2 september 2005).



In 2001 was bij 42 % van alle Vlaamse twaalfjarigen minstens één definitieve tand aangetast door tandbederf. In 95 % van de gevallen betrof het de eerste kies. Het verzegelen van een kies [d.i. het afdekken met een laagje vloeibaar kunsthars] heeft als voordeel dat die kies op die manier voor geruime tijd beschermd is tegen cariës.

 
Dominique Declerck.
Hoogleraar tandheelkunde, KU Leuven,
in “UZ Gezondheidsbrief” (augustus 2005).

 

Ik gebruik de evolutie als een werkhypothese, omdat ik niet kan werken zonder. In geen enkele wetenschappelijke discipline kan er gewerkt worden zonder een paradigma [een maatgevend kader binnen een bepaalde wetenschap]. Evolutie is het paradigma van de biologen. Ik wil evenwel niet ontkennen dat er moeilijkheden, anomalieën en alternatieven zijn, omdat ik die nodig heb voor een volledige beoordeling van de evolutietheorie. Ik ben niet in de eerste plaats geëngageerd in het “ontmaskeren van de critici van de evolutietheorie”, want niet alle kritiek geeft blijk van volledige onkunde of is verkeerd. Door kennis te nemen van de opvattingen van goed geïnformeerde critici – inbegrepen biologen! – leerde ik meer over de evolutieleer dan ik zou geleerd hebben uit studieboeken over de evolutie en populaire verdedigingen ervan. Het bestuderen van de belangrijkste literatuur over de evolutie en van de opwerpingen van critici, heeft er mij van overtuigd dat de evolutietheorie zeker nog onvolledig is. Dat is eenvoudigweg zo omdat er nog hiaten zijn in onze kennis van de levende wereld. Daarenboven is elke theorie fundamenteel onvolledig. Ik heb een en ander van bepaalde critici geleerd, omdat aan de ene kant de critici vooral schrijven over onopgeloste problemen, en evolutionistische biologen gewoonlijk daarover niet spreken. Aan de andere kant weten evolutionistische biologen heel wat over opgeloste problemen en negeren critici gewoonlijk volledig de successen. Kennis nemen van de opvattingen van de critici – inbegrepen de kleine groep biologen die de evolutie in vraag stellen – heeft er mij van overtuigd dat de evolutie een zeer ambitieuze theorie is, vooral als men ziet hoe mechanismen als mutatie en selectie eerder eenvoudig zijn ten opzichte van de verbijsterende verscheidenheid en complexiteit van het leven op aarde.

 
Gert Korthof.
Nederlands bioloog en evolutionist,
in
http://home.wxs.nl/~gkorthof
 

De evolutionaire psychologie voorspelt dat mannen en vrouwen verschillende strategieën zullen volgen bij hun partnerkeuze. Anders uitgedrukt: ze zullen er verschillende seksuele voorkeuren op nahouden. Vanuit evolutionair perspectief investeren mannen immers veel minder in het verwekken van nageslacht. Eén seksueel contact dat leidt tot een zaadlozing kan voldoende zijn. Bovendien kan een man in principe dagelijks kinderen verwekken. Als vrouwen zwanger worden, zijn ze dat echter negen maanden lang. Vergeleken met mannen kunnen ze maar een zeer beperkt aantal kinderen voortbrengen. Volgens de evolutionaire psychologie zullen die verschillen hebben geleid tot de ontwikkeling van verschillende modules voor seksuele en partnervoorkeuren. De gemiddelde mannelijke voorkeur zal eerder uitgaan naar jonge, aantrekkelijke – dus vruchtbare – vrouwen. Indien bij onze voorouders een seksuele preferentie ontstond voor oudere, onvruchtbare vrouwen, zou die zichzelf geëlimineerd hebben, want ze kon zich niet over de generaties heen verspreiden. De gemiddelde voorkeur van vrouwen zal zich daarentegen richten op iets oudere mannen, die aangeven te kunnen instaan voor haar en de kinderen. Het is wellicht niet overbodig om hierbij op te merken dat niet wordt verondersteld dat men cognitief reflecteert over deze voorkeuren. Mensen blijken ze te hebben, zonder noodzakelijk te kunnen uitleggen waarom.

 
Johan Braeckman.
Hoogleraar wijsbegeerte Universiteit Gent,
in “Darwins moordbekentenis” (Nieuwezijds, Amsterdam. 2001).

 

Men weet vandaag dat, vanaf de Bacterie tot de Mens, het chemische apparaat wezenlijk hetzelfde is, zowel in de structuur als in de werking ervan.
  • In de structuur ervan: alle levende wezens zijn zonder uitzondering samengesteld uit dezelfde twee hoofdgroepen van macromoleculen: proteïnen en nucleïnezuren. […]
  • Door de werking ervan: dezelfde reacties, of beter volgorden van reacties, worden bij alle organismen tot stand gebracht door belangrijke chemische werkingen: het mobiliseren en reserveren van de chemische energie; biosynthese van de celcomponenten.
 
Jacques Monod (1910-1976).
Frans hoogleraar fysiologie, Nobelprijs 1965,
in “Toeval en onvermijdelijkheid. Proeve
van een natuurfilosofie van de moderne biologie”
(A.W. Bruna & Zoon, Utrecht/Antwerpen. 1971)

 

De fundamentele biologische onveranderlijke grootheid is het DNA. Daarom vormen de definitie van Mendel van het gen als onveranderlijke drager van de erfelijke eigenschappen, de chemische bepaling ervan door Oswald Avery (en bevestigd door Alfred Hershey) en de opheldering, door James Watson en Francis Crick, van de structurele basen van haar replicatieve onveranderlijkheid, ongetwijfeld de belangrijkste ontdekkingen die ooit in de biologie gedaan zijn. Waaraan de selectieve evolutietheorie moet toegevoegd worden, die overigens pas dankzij deze ontdekkingen haar volledige betekenis en zekerheid kon krijgen.

 
Jacques Monod (1910-1976).
Frans hoogleraar fysiologie, Nobelprijs 1965,
in ‘Toeval en onvermijdelijkheid. Proeve
van een natuurfilosofie van de moderne biologie”
(A.W. Bruna & Zoon Utrecht/Antwerpen. 1971)


 
We zeggen dat deze veranderingen [de mutaties] toevallig zijn, toevallig plaatsvinden. En daar zij immers de enig mogelijke bron van wijzigingen van de genetische tekst vormen die op zijn beurt de enige bewaarder is van de erfelijkheidsstructuren van een levend wezen, volgt daar noodzakelijkerwijze uit dat alleen het toeval de bron is van iedere nieuwe vorm, iedere schepping, in de natuur. Het zuivere toeval, het toeval alleen, een absolute maar blinde vrijheid zelfs in de oorsprong van het wonderbaarlijke bouwwerk van de evolutie: dit centrale begrip van de moderne biologie is heden ten dage niet meer één van de vele mogelijke of op zijn minst denkbare hypothesen. Het is de enig denkbare, omdat het de enige is die verenigbaar is met de feiten van observatie en onderzoek. En er bestaat niets dat ons kan doen veronderstellen (of hopen) dat onze opvattingen op dit punt zullen moeten of zelfs kunnen worden herzien.
 
Jacques Monod (1910-1976).
Frans hoogleraar fysiologie, Nobelprijs 1965,
in “Toeval en onvermijdelijkheid. Proeve
van een natuurfilosofie van de moderne biologie”
(A.W. Bruna & Zoon, Utrecht/Antwerpen. 1971)

 

Er zijn geen zinnen, spreuken of aforismen waarvan men niet het omgekeerde kan beweren.

 
Paul Léautaud (1872-1956).
Frans romanschrijver en essayist.