Stacks Image 85

 

GENETICA

 

- Proeven i.v.m. menselijke erfelijkheid
- Proef van Bonnier : modificaties bij planten
 

 

PROEVEN I.V.M. MENSELIJKE ERFELIJKHEID

Naast het klassieke proeven van fenylthiocarbamide (experiment dat we gezien de giftigheid van het produkt afraden) kunnen bij de mens ook nog andere factoren nagegaan worden.

Een enkelvoudig dominante factor is het tongrollen (de mogelijkheid om met de tong een gootje te vormen door de zijkanten naar boven te plooien).

De leerlingen maken een stamboom voor hun eigen familie (zijzelf, broers, zusters, ouders, tantes, ooms, grootouders) en zij duiden aan of die mensen al dan niet met hun tong kunnen rollen, en leiden daaruit af of dit kenmerk dominant of recessief is.

Dit gaat als volgt : neem de grootouders als P-generatie; de ouders, tantes en ooms als F1 en de leerlingen met hun broers en zusters als F2.

Volgende tabel geeft de reële gegevens binnen één klas :

tongrollen

ja

neen

totaal

P

24

10

34

F1

76

38

114

F2

54

24

78

totaal

154

72

226

 

Met deze gegevens kun je ook de wet van Hardy-Weinberg controleren, die zegt dat de allelenfrequenties in een voortplantingsgemeenschap die niet zeer klein is, en waar de partnerkeuze toevallig is, van generatie tot generatie constant blijft.

Noemen wij de frequentie van het gen R (tongrollen) = p, de frequentie voor het gen r (niet-tongrollen) = q, dan is de verdeling van de genotypes volgens Hardy-Weinberg :

RR = p2 Rr = 2 pq rr = q2

De frequentie q kan dus berekend worden uit het voorkomen van de niet-tongrollers, gezien de frequentie van dit fenotype overeenkomt met de frequentie van het genotype rr.

—> Top


 

PROEVEN VAN BONNIER : MODIFICATIES BIJ PLANTEN

In de lessen erfelijkheid komen bij de modificaties regelmatig de proeven van Bonnier aan bod. Helaas blijft het hier altijd bij een theoretische uiteenzetting. Men kan de invloed van licht op planten echter ook experimenteel aantonen :

a) met de siernetel (Coleus ) : in volle licht gekweekt hebben bepaalde variëteiten bladeren die bijna helemaal rood zijn : het groene randje is smaller dan 1 mm. Op meer dan 1 m van het raam geplaatst, vormen deze planten bladeren waarbij de groene rand meer dan 5 mm breed is. Terug voor het raam : bladeren van de eerste kleurverdeling enz.

Het feit dat men deze afwisseling verkrijgt bewijst dat er genetisch niets aan de plant veranderde.

b) met de tuingeranium (Pelargonium-zonale-variëteiten) : de bladeren van deze plant vertonen in volle licht een duidelijke roodbruine rand. Deze rand verdwijnt haast helemaal als men de plant in een lichtarme omgeving plaatst. Meer water en mest versterken dit reversibel verschijnsel.

c) met de graslelie (Chlorophytum ) : op een donkere standplaats zijn de witte strepen in de groene, lange lintvormige bladeren weinig ontwikkeld, terwijl op een lichte standplaats de witte strepen overheersen.

—> Top