Kraakbeenvissen in de Antwerpse Zoo (2009)
1 Nieuwe systematiek
In de superklasse van de vissen horen zes klassen
thuis: blinde prikken, prikken, zeekatten, kraakbeenvissen, beenvissen en
spiervinnigen (waaronder de cœlacant en de longvissen).
Hier: de klasse van de kraakbeenvissen.
Orden: haaien (kieuwspleten boven de borstvinnen) en roggen (kieuwspleten
onder de borstvinnen).
2 Kenmerken
2.1 Voortbeweging
Haaien hebben een kraakbeenskelet. Toch kunnen verkalkingen in de
wervelkolom en in de uiteinden van de vinnen (als versteviging) voorkomen.
In tegenstelling tot beenvissen kunnen haaien hun vinnen niet waaiervormig
spreiden. De vinnen zijn stijf en kunnen slechts lichtjes bijsturen. (Te
vergelijken met vliegtuigvleugels.) Vandaar dat frequent rondzwemmende haaien –
in tegenstelling tot bodemhaaien – een groot aquarium nodig hebben. In
een te klein aquarium zullen ze makkelijk contact hebben met een hindernis en
sterven door inwendige bloedingen.
Een ver naar achteren staande eerste rugvin wijst op bodemhaaien (=
bentisch type).
Een ver naar voren staande eerste rugvin wijst op soorten die in volle zee
leven (= pelagisch type). Sommige van die soorten hebben een geringe
wendbaarheid, bv. zwartpuntrifhaai en witte haai. Andere kunnen dan weer korte
bochten nemen, bv. hamerhaai en blauwe haai.
Bij alle haaien buigt de wervelkolom achteraan naar boven,
zodat de staartvin asymmetrisch is. Algemeen geldt dat een vis sneller is als
zijn staartvin de vorm benadert van die van een tonijn. Zo’n staartvin komt
voor bij de mako, die recordhouder is bij de haaien. Op korte afstand haalt hij
tot 36 km per uur.
Haaien hebben
twee soorten dwarsgestreepte spieren. De meeste spiervezels zijn wit en worden
slechts zwak doorbloed. Bij samentrekking zorgen zij voor korte uitbarstingen
van kracht. De smalle, bandvormige, donkere spiervezels zijn rijk doorbloed.
Zij staan in voor langdurig, rustig zwemmen.
Kraakbeenvissen
hebben geen zwemblaas (meestal wel een grote, olierijke lever). Ze moeten
actief zwemmen om op een bepaalde waterdiepte te blijven.
2.2 Huidtanden
De opperhuid van
kraakbeenvissen bevat veel keratine (stevigheid) en melanine (camouflagekleuren).
Als je met een
vingertop een stukje haaienhuid aait, kan je dat direct oriënteren. Met een
loep zie je talrijke, wit blinkende schubjes, waarvan de scherpe puntjes naar
achteren gericht zijn. Wat opblinkt is het glazuurlaagje waarmee de placoïde
schubben bedekt zijn. Die huidtanden hebben een specifieke vorm per
haaiensoort.
De schubben van
haaien en roggen hebben een beschermende functie. Rond de ogen zijn ze groot en
steken ze ver buiten de huid. Bij bakerhaaien zijn de schubben bij ♀♀ groter en
steviger dan bij ♂♂. De borstvinnen zijn het best ‘verpakt’. Volgens verschillende auteurs
heeft dat te maken met het ruwe paringsgedrag van het ♂.
De huidtandjes
verminderen tevens de wrijving tussen het lichaam en het omringende water.
Elke huidtand
bestaat uit: glazuur, tandbeen (+ holte met bloedvaten) en een basisschijf
(dermaal been).
Huidtandjes
vallen uit (tot 20 000 per jaar) en worden stelselmatig vervangen. Hun formaat
en aantal nemen toe tijdens de groei.
Van haaienhuid
wordt segrijnleder vervaardigd, afgeleid van het Franse chagrin (Engels:
shagreen).
De opperhuid
bevat veel meer keratine dan zoogdierenhuid, waardoor haaienhuid veel
slijtvaster is. De tandjes werden al dan niet weggepolijst. Juwelenkistjes
werden er mee bekleed en kostbare boeken werden er mee ingebonden. Rond de
tubus van duurdere modellen van Culpeper-microscopen treffen we ook dat soort
leder aan. Handvesten van samoeraizwaarden werden er mee omwonden; zo kon het
zwaard niet wegglippen uit zweterige handen. Ongelooide haaienhuid werd
eeuwenlang gebruikt als schuurpapier, bv. door schoenlappers en meubelmakers.
|