Kraakbeenvissen in de Antwerpse Zoo (2009)

 

1  Nieuwe systematiek

 

In de superklasse van de vissen horen zes klassen thuis: blinde prikken, prikken, zeekatten, kraakbeenvissen, beenvissen en spiervinnigen (waaronder de cœlacant en de longvissen).

Hier: de klasse van de kraakbeenvissen.

Orden: haaien (kieuwspleten boven de borstvinnen) en roggen (kieuwspleten onder de borstvinnen).

 

2  Kenmerken

 

2.1  Voortbeweging

 

Haaien hebben een kraakbeenskelet. Toch kunnen verkalkingen in de wervelkolom en in de uiteinden van de vinnen (als versteviging) voorkomen.

In tegenstelling tot beenvissen kunnen haaien hun vinnen niet waaiervormig spreiden. De vinnen zijn stijf en kunnen slechts lichtjes bijsturen. (Te vergelijken met vliegtuigvleugels.) Vandaar dat frequent rondzwemmende haaien – in tegenstelling tot bodemhaaien – een groot aquarium nodig hebben. In een te klein aquarium zullen ze makkelijk contact hebben met een hindernis en sterven door inwendige bloedingen.

 

Een ver naar achteren staande eerste rugvin wijst op bodemhaaien (= bentisch type).

Een ver naar voren staande eerste rugvin wijst op soorten die in volle zee leven (= pelagisch type). Sommige van die soorten hebben een geringe wendbaarheid, bv. zwartpuntrifhaai en witte haai. Andere kunnen dan weer korte bochten nemen, bv. hamerhaai en blauwe haai.

Bij alle haaien buigt de wervelkolom achteraan naar boven, zodat de staartvin asymmetrisch is. Algemeen geldt dat een vis sneller is als zijn staartvin de vorm benadert van die van een tonijn. Zo’n staartvin komt voor bij de mako, die recordhouder is bij de haaien. Op korte afstand haalt hij tot 36 km per uur.

 

Haaien hebben twee soorten dwarsgestreepte spieren. De meeste spiervezels zijn wit en worden slechts zwak doorbloed. Bij samentrekking zorgen zij voor korte uitbarstingen van kracht. De smalle, bandvormige, donkere spiervezels zijn rijk doorbloed. Zij staan in voor langdurig, rustig zwemmen.

Kraakbeenvissen hebben geen zwemblaas (meestal wel een grote, olierijke lever). Ze moeten actief zwemmen om op een bepaalde waterdiepte te blijven.

 

2.2  Huidtanden

 

De opperhuid van kraakbeenvissen bevat veel keratine (stevigheid) en melanine (camouflagekleuren).

Als je met een vingertop een stukje haaienhuid aait, kan je dat direct oriënteren. Met een loep zie je talrijke, wit blinkende schubjes, waarvan de scherpe puntjes naar achteren gericht zijn. Wat opblinkt is het glazuurlaagje waarmee de placoïde schubben bedekt zijn. Die huidtanden hebben een specifieke vorm per haaiensoort.

 

De schubben van haaien en roggen hebben een beschermende functie. Rond de ogen zijn ze groot en steken ze ver buiten de huid. Bij bakerhaaien zijn de schubben bij ♀♀ groter en steviger dan bij ♂♂. De borstvinnen zijn het best ‘verpakt’. Volgens verschillende auteurs heeft dat te maken met het ruwe paringsgedrag van het .

De huidtandjes verminderen tevens de wrijving tussen het lichaam en het omringende water.

 

Elke huidtand bestaat uit: glazuur, tandbeen (+ holte met bloedvaten) en een basisschijf (dermaal been).

Huidtandjes vallen uit (tot 20 000 per jaar) en worden stelselmatig vervangen. Hun formaat en aantal nemen toe tijdens de groei.

 

Van haaienhuid wordt segrijnleder vervaardigd, afgeleid van het Franse chagrin (Engels: shagreen).

De opperhuid bevat veel meer keratine dan zoogdierenhuid, waardoor haaienhuid veel slijtvaster is. De tandjes werden al dan niet weggepolijst. Juwelenkistjes werden er mee bekleed en kostbare boeken werden er mee ingebonden. Rond de tubus van duurdere modellen van Culpeper-microscopen treffen we ook dat soort leder aan. Handvesten van samoeraizwaarden werden er mee omwonden; zo kon het zwaard niet wegglippen uit zweterige handen. Ongelooide haaienhuid werd eeuwenlang gebruikt als schuurpapier, bv. door schoenlappers en meubelmakers.

N.B. Eilandjes van haaienhuid in grote brandwondplekken worden door een mens niet afgestoten.

 

2.3  Spiraculum

 

Het spiraculum (‘spuitgat’) is een verbindingsbuis tussen de buitenwereld en de mondholte van kraakbeenvissen. De meeste haaiensoorten hebben een spiraculum aan weerszijden achter het oog. Via de mond wordt O2-rijk water opgenomen. Kieuwspleten en spiraculum zijn dan gesloten. Zo kan de mondholte door volumetoename werken als een zuigpomp. In de kieuwen wordt O2 opgenomen en CO2 afgestaan. (De mond is dan gesloten.)

Het O2-arme water, rijk aan CO2, wordt uitgestoten via de kieuwspleten.

 

Bij sommige bodembewonende haaiensoorten en bij hamerhaaien ontbreekt het spiraculum. Bij enkele andere soorten wordt het, samen met de kieuwspleten, gebruikt als een soort ‘turbomotor’. Vers water wordt opgenomen via de mond, tot de mondholte maximaal gevuld is. Daarna wordt de mond gesloten en de mondholte wordt samengedrukt: de waterstroom wordt krachtig uitgespoten (= extra aanvalssnelheid).

 

Roggen zijn bodembewonende kraakbeenvissen met achter elk oog een opvallend spiraculum. Bij hen verloopt de waterstroming omgekeerd. Zeewater wordt via het spiraculum opgezogen door vergroting van de mondholte. Het water omspoelt de kieuwen, die de gaswisseling uitvoeren. Het water wordt verwijderd via de kieuwspleten aan de buikzijde. Door die ademhalingstechniek vermijden roggen dat ze zand mee naar binnen zuigen.

 

 2.4  Zintuigen

 

Haaien zien zeer goed. Lensspiertjes kunnen de starre lens in de optische as voorwaarts en achteruit trekken: accommodatie. Het netvlies bevat kegeltjes én staafjes; vermoedelijk zien haaien kleuren. Achter het netvlies ligt een spiegelende laag (tapetum), typisch voor nachtdieren. Hoornvlies van haaien wordt getransplanteerd naar ogen van mensen. Nooit werden afstotingsverschijnselen waargenomen. (Bij haaien komt cataract niet voor.)

 

Haaien horen zeer goed, waarschijnlijk door drukverschillen op het inwendige oor.

Vissen hebben alleen maar een inwendig oor. Embryonale cellen die bij andere gewervelde dieren instaan voor de vorming van de buis van Eustachius, vormen bij haaien en roggen het spiraculum. De buis van Eustachius en het spiraculum zijn dus homologe organen.

 

Sommige haaien en roggensoorten hebben neusflappen. Die helpen de waterstroom te dirigeren: instroming via het midden in de neusgroeven en uitstroming via de zijkanten.

De bovenzijde van de tong is bezet met kegelvormige smaakpapillen met ingezonken smaakknopjes.

 

In de lederhuid liggen vertakte zenuwuiteinden. Zij zijn uiterst gevoelig voor aanraking.

Haaien hebben een zijlijn, die net op dezelfde manier functioneert als bij beenvissen.

In de snoet van haaien en roggen zitten putjes. Die zijn verbonden met de ampullen van Lorenzini.

Dieren produceren elektrische stroompjes. Door de informatie van die ampullen vormen de hersenen zich een beeld van een verborgen prooi. Dat systeem werkt slechts tot enkele tientallen cm ver.

 

2.5  Voortplanting

 

Alle kraakbeenvissen hebben een cloaca, de plaats waar de darm, de urineleiders en – bij de ♀♀ – de eileiders in uitmonden. Bij alle ♀♀ van haaien en roggen wordt boven in de schaalklier dooiermateriaal geproduceerd, onderaan een hoornige substantie. Inwendige bevruchting is noodzakelijk en die moet in de eileider of hoog in de schaalklier plaatsvinden.

Bij alle    haaien en roggen is de binnenkant van de buikvinnen verlengd tot een copulatieorgaan. Een van beide ‘claspers’ – analoog met een penis – moet in de cloaca van een vrouwtje geduwd worden, om zo het sperma over te brengen. Doorgaans neemt het een borstvin van het tussen de tanden. Daarop draait zij zich op de rug. Hij zwemt boven haar en brengt één van de claspers in haar cloaca.

 

Een minderheid van haaen leggen eikapsels (bv. hondshaai, kathaai en bamboehaai), enkele roggensoorten (bv. de stekelrog) zijn ook eierleggend (= ovipaar).

Andere soorten (bv. de gevlekte gladde haai) zijn eierlevendbarend (= ovovivipaar). De dooierzak is groot want het embryo moet de volledige voeding daaruit opnemen.

Bij levendbarende soorten (bv. de zwartpuntrifhaai) wordt slechts een dun membraan rond het ei gevormd en de dooierzak is eerder klein. De embryo’s krijgen bijkomende voeding door de wand van de eileider (‘baarmoeder’). We noemen die vivipare soorten ook placentale kraakbeenvissen.

 

 

 

3  Soorten in koud zeewater

 

3.1  ‘Atlantische Oceaan’

 

Ruiten 1 + 2 + 3; 12 à 14 °C; ± 30 m3 (dus ± 30 000 liter).

 

Kathaai (Scyliorhinus stellaris); la grande roussette; largespotted catshark; groszgeflechter Katzenhai.

 

 

Rotskust van Oostelijke Atlantische Oceaan + Middellandse Zee. Zeldzame zomergast bij ons.

Tot 165 cm. Grote vlekken. De neusflappen zijn duidelijk gescheiden en reiken niet tot aan de bovenlip.

Let op de ver naar achteren staande eerste rugvin. Dat wijst op een traag zwemmende haai, meestal een bodemhaai, die wel erg soepel beweeglijk is.

De ♀♀ leggen ca. 20 eieren, waaruit na ± 9 maanden 10 tot 16 cm lange, donker gebande jongen komen.

Als een met de buik naar de aquariumruit toe zwemt, zijn de claspers duidelijk zichtbaar.

 

Gevlekte gladde haai (Mustelus asterias); une émissole tachetée; starry smooth-hound; Glatthai.

 

 

Rotskust van de Oostelijke Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee. Komt frequent voor in de Noordzee. 

Kleine, spoelvormige haai met grote ogen en puntige snuit. Max. lengte 2 m, maar meestal ± 1,20 m.

Vele witte vlekjes op de rug. Heeft flapjes aan de neusholten, net zoals hondshaai, kathaai, verpleegsterhaai en bamboehaai. Let op de stand van de eerste rugvin: dit is geen bodemhaai.

Spitse, maar ‘liggende’ huidtanden: van kop naar staart voelt hij ‘glad’ aan.

Platte, dakpansgewijs gerangschikte tanden in rijen achter elkaar. Niet geschikt om te bijten, wel om te pletten.

Jaagt op kreeftachtigen en weekdieren.

Ovovivipaar. Na ± 12 maanden worden 10-20 jongen geboren, die ± 30 cm lang zijn.

 

Stekelrog (Raja clavata); la raie bouclée; thornback ray; Nagelrochen (= heeft doorns op de rug).

 

 

Oostelijke Atlantische Oceaan van IJsland tot de Kaap en zelfs aan de zuidkust van Madagaskar.

Vooral tijdens de zomermaanden aan onze kust op zanderige en modderige bodem. Ze zwemmen met golvende bewegingen van hun sterk uitgegroeide borstvinnen. (Te koop als ‘roggenvleugels’.) Als roggen op de bodem liggen, zijn de uiteinden van de claspers duidelijk te zien.

In het vroege voorjaar trekken eerst de ♀♀ (≥ 9 jaar) naar ondiep kustwater (10 tot 60 m diep), gevolgd door de ♂♂ (≥ 7 jaar). Van maart tot augustus worden de donkere eikapsels in het water gelegd, dat kan er zelfs 1 per dag zijn. De 4 hoorns hebben open uiteindjes, zodat het water continu ververst kan worden.

Na 4-5 maanden scheurt het eikapsel aan de onderkant open en maakt het roggetje zich vrij. Aanvankelijk leeft het nog van de restanten van de dooierzak, maar begint dan jacht te maken op bodemgarnalen en andere kleine kreeftachtigen. Later wordt ook gejaagd op spiering, jonge haring, sprot en kleine platvissen. Voorkeurvoedsel: krabben en garnalen.

Zoals alle andere kraakbeenvissen hebben roggen een verhoogde concentratie van ureum in het bloed, zodat er in zeewater geen probleem van osmose is. (Ureum is het eindproduct van de afbraak van eiwitten, het wordt in de lever geproduceerd en maakt o.a. bij ons deel uit van de urine. Bij kraakbeenvissen echter blijft het voor een deel in het bloed. Dat brengt de osmotische waarde van het bloed gelijk met die van zeewater.)

 

Pijlstaartrog (Dasyatis pastinaca); la raie pastenague ou le pastenague commun; common stingray; gemeiner Stechrochen.

 

 

Komt voor aan de kusten van de oostelijke Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee. Zeldzaam in Noordzee en Oostzee.

Jaagt op de bodem tot max. 200 m diep op bodemvissen, kreeftachtigen en weekdieren.

Heeft  geen rugvinnen maar wel een lange, scherpe gezaagde gifstekel. Dat kunnen er ook twee zijn. Zo’n stekel gaat max. een jaar mee en wordt dan vervangen. In oudere boeken staat dat het aantal stekels en de wijze van vertanding soortgebonden zijn, dat is echter niet waar (aangetoond met DNA-onderzoek).

Na een draagtijd van 4 maanden worden 4 tot 7 jongen geboren.

 

Doornhaai (Acanthias acanthias, syn. Squalus acanthias); un aiguillat tacheté; spiny dogfish; Dornhai.

 

 

Kleine haai (1 m) met spitse snuit. Vóór elke rugvin staat een doorn, een gespecialiseerde huidtand; een aarsvin is er niet. De soort leeft in scholen en jaagt op vis in koud zeewater (max. 15 °C). Het spiraculum is relatief groot: procentueel wordt er meer zuurstofrijk water via de spuitgaten opgenomen. Doornhaaien zijn eierlevendbarend. Ze zijn echter pas volwassen na 21-25 jaar. Max. 20 jongen worden – na een draagtijd van 18 tot 24 maanden – geboren. De soort komt nog veel voor, maar overbevissing dreigt.

Het vlees wordt frequent aangeboden als ‘zeepaling’. Dat mag niet meer: haai moet haai heten.

Deze ‘zeepaling’ is herkenbaar aan de diepe ‘putten’ in de rug, waar de doorns en de bijhorende gifklieren zijn uitgesneden.  We hebben ooit een doornhaai in het oude ‘Noordzee-aquarium’ gehad.

 

3.2  ‘Noordzee’

 

Ruit 5 (!!!); 12 °C. (Ruit 4: ook ‘Noordzee’ met water van 12 °C herbergt ongewervelden o.a. heremietkreeften, zee-egels en zeesterren.) Uitleg over al die dieren komt in een ander document over zeedieren in het aquarium.

 

Hondshaai (Scyliorhinus caniculus); la petite roussette; smallspotted catshark; kleiner Katzenhai.

 

 

Zandige bodem van Oostelijke Atlantische Oceaan, Middellandse Zee, Noordzee (frequent) en Oostzee.

Slank, max. 100 cm lang, met vele vlekjes op het lichaam. De niet-gescheiden neusflappen reiken tot aan de bovenlip. Jaagt op schaal- en weekdieren en op bodemvissen. Eet ook zieke dieren en vers aas.

(Ook hondshaai wordt nog wel als ‘zeepaling’ verkocht. Eva Enödy heeft in 1990 aan de VUB een “Eindwerk bijzondere licentie in de menselijke ecologie” gepubliceerd. Daarin staat dat door haar onderzochte hondshaai 2,6 mg kwik per kg vis bevatte. En dat is erg veel!)

De ♀♀ leggen ca. 20 eieren (4 à 6 cm); de draden van de hoornige eikapsels kronkelen zich rond zeewier e.d.m. Binnen het eikapsel is het embryo zichtbaar; het is met een dooierstreng verbonden aan de erg grote dooier.

Na circa 9 maanden breken de jongen (9 à 10 cm groot) uit het kapsel; de huidtandjes helpen daarbij.

De jongen moeten zich dan volledig zelfstandig uit de slag trekken.

Hondshaaien worden door sportvissers vaak ‘zandhaaitjes’ genoemd, maar dat is fout.

 

Gewone sidderrog (Torpedo nobiliana); la torpille tachetée; Atlantic torpedo; gefleckter Zitterrochen.

 

 

Oostelijke Atlantische Oceaan, Noordzee, Middellandse Zee en de oostkust van Canada tot Florida.

De lichaamsschijf is veel stijver dan bij andere roggen: hij zwemt met zijn staart. Hij verkiest ondiepe (10-250 m) zand- en modderbodems.

Zijn grote elektrische organen zijn boonvormig en liggen aan weerszijden van de wervelkolom aan de buikzijde. Bovenaan zijn ze + geladen, onderaan –. Bij ontlading kunnen ze schokken tot 8 A bij 45 tot 220 V afgeven.

Zij gebruiken die schokken om prooien te verlammen en om zich te verdedigen. Lichte stroomstootjes worden gebruikt voor de communicatie, oriëntatie en detectie van ingegraven prooien. Jonge roggen verkiezen allerlei kleine kreeftachtigen, grotere dieren jagen meer op bodemvissen, o.a. platvissen die zich ingegraven hebben.

De gewone sidderrog is vivipaar (‘zwangerschap’ = ± 12 maanden).

 

 

4  Soorten in warm zeewater

 

4.1  ‘Middellandse Zee’

 

Ruiten 6 + 7 + 8, dus centraal gelegen; 24-26 °C; ± 40 m3.

 

Zwartpuntrifhaai (Carcharhinus melanopterus); le requin à pointes noires; blacktip reef shark; Schwarzspitzen-Riffhai.

 

 

Meest voorkomende rifhaai van de tropische Stille Oceaan en de Indische Oceaan. Nu ook, via het Suezkanaal, in de Oostelijke Middellandse Zee. Leeft in lagunes en op rifplateaus, vlak onder het wateroppervlak, maar jaagt overdag van 30 cm tot 15 m diep op rifvissen en inktvissen. Deze roofhaai (verwant aan de witte haai) heeft ver naar voren staande rugvinnen en ogen met een knipvlies.

Hij wordt max. 1,8 m lang en is levendbarend (2-4 jongen na 16 maanden, de jongen zijn dan 33-50 cm lang).

 

Bamboehaai (Chiloscyllium indicum); le requin-chabot bambou; slender bamboo shark; schlanker Bambushai.

 

 

Algemeen voorkomende haai in de Westelijke Indische Oceaan. Voorkeur voor lagunes en getijdenpoelen.

Spitse snuit, lange staart en 2 afgeronde, ongeveer even grote rugvinnen. Met de stompe borst- en buikvinnen kan hij op de bodem ‘wandelen’. Hij jaagt daar op vissen en ongewervelden. Max. lengte 1 m.

De eieren worden ‘verpakt’ in draadwieren. De jongen hebben verticale donkere banden (camouflage in groep). De tekening verdwijnt geleidelijk. De volwassen haai heeft nog kleine donkere vlekken en strepen.

 

Blauwgespikkelde pijlstaartrog (Taeniura lymma); la raie à taches bleues ou le pastenague à taches bleues; bluespotted ribbontail ray; Blaupunktroggen.

 

 

Indische Oceaan van Zuid-Afrika tot de Solomon-eilanden en in de Rode Zee.

Verkiest zandbodem tussen koralen. Jaagt daar op zandwormen, garnalen, heremietkreeften en visjes.

Is levendbarend (tot 7 jongen per worp) en wordt max. 70 cm groot.

 

Omdat het aquarium erg ruim is, werden de wobbegong (zie § 4.2) en een volwassen epaulethaai (zie § 4.2) naar hier overgebracht.

 

(Ruit 9: ‘koraalrif’; 24-26 °C. Als hier werkelijk koralen in gekweekt worden, zal de max. temperatuur 24 °C zijn.

Ruiten 10 + 11; 14-15 °C; o.a. vele murenes.

Ruit 12: ondermeer wit hoornkoraal (dode takken worden zwart) en zakpijpen.

Ruit 13: hoofdzakelijk spinkrabben, kreeften en schorpioenvissen.) 

 

4.2  Westelijke Stille Oceaan en Indische Oceaan

 

Aquarium achteraan tussen het grote zoetwateraquarium met cichliden en anderzijds het Amazone-aquarium met de sidderaal; 8 000 liter zeewater; 25 °C. (Meest zichtbaar: koraalduivels.)

 

Gevlekte wobbegong (Orectolobus maculatus); le requin tapis tacheté; spotted wobbegong (syn. ornate wobbegong); Wobbegong (syn. Ornamenten-Teppichhai).

 

 

Orde: tapijthaaien. Families: wobbegongs, bamboehaaien en bakerhaaien.

Westelijk deel van de Stille Oceaan van Japan tot Australië. Leeft op zand tussen rotsige zeebodem in ondiep water, in getijdenpoelen, tussen koraalriffen langs de kant van de lagunes. Komt het hele jaar algemeen voor.

Voorkant van het lichaam afgeplat met brede kop en stompe snuit. Brede bek, bijna eindstandig, deels bedekt door vertakte voeldraden. Huidlobben aan weerszijden van de kop. Ogen ver naar achteren ingeplant, aan de zijkant van de kop.

Twee ver naar achteren geplaatste rugvinnen (een algemeen kenmerk van ‘trage’ haaien, ook bij hondshaai).

Bonte huid met allerlei donkere en lichte vlekken op de rug.

Nachtactief. Voedsel: ongewervelde bodemdieren en vissen. Lange, smalle tanden.

Gevaarlijk, zeker als hij geprovoceerd wordt (bv. bij verplaatsing naar ander aquarium).

Duikers stappen wel eens op hem omdat hij zo gecamoufleerd is en worden dan gebeten.

Langste gemeten exemplaar: 288 cm.

Ovovivipaar. Tot 12 pups van ± 20 cm groot.

 

Epaulethaai syn. oogvlekhaai (Hemiscyllium ocellatum); requin-chabot ocellé; epaulette shark; Epaulettenhai.

 

 

Grote Oceaan (= Stille Oceaan) van Nieuw-Guinea tot Australië.

Heeft op de flanken een grote donkere, ronde vlek met witte omranding.

Koraalriffen, lagunes, dicht bij oppervlak, nachtactief. Eet kleine ongewervelde bodemdieren en vis;  ongevaarlijk voor de mens. Ronde snuit; kan op vinnen wandelen. Ovipaar. Wordt max. 107 cm lang.

 

Grijze pijlstaartrog (Dasyatis kuhlii); la raie à points bleus; bluespotted stingray; blaugepunkteter Stachel-rochen.

 

 

Oostafrikaanse kust, Rode Zee: noordelijk tot Japan en zuidelijk tot Australië.

Verkiest zandige bodem tussen rotsen en koralen. Graaft zich dikwijls in. Jaagt op krabben en garnalen.

Zeer korte snuit. Grijze tot bruine lichaamsschijf met lichtblauwe en zwarte vlekken. Donkere banden op de staart. Korte vin op de bovenkant van de staart, een lange vin aan de onderkant. Gewoonlijk 1 stekel.

Ovovivipaar.

 

 

 

5  Soort in tropisch zoet water

 

In Amazone-aquarium, vroeger samen met sidderaal. Nu voorlopig in de filters (kelderverdieping). Zullen in twee verschillende aquaria gezet worden als de zoetwaterkant volledig af is (geschat in juli 2009).

Volume ca. 5 000 liter, temperatuur ± 25 °C.

 

Pijlstaartrog (Potamotrygon laticeps); ocellated stingray, peacock-eye stingray; Süßwasserstechrochen.

 

 

De familie van de Paratrygonidae omvat zoetwatervissen die tot de orde van de roggen en vleten behoren (Rajiformes).

Verspreiding: Zuid-Amerika, van het stroomgebied van de Orinoco en de Magdalena in het noorden tot Argentinië in het zuiden.

Potamotrygon motoro is een verwante soort die voorkomt in Brazilië, Paraguay en Uruguay. Hun vlekkenpatroon is opvallend door de donkere omlijning van iedere vlek. Die zijn minder talrijk, maar groter dan bij P. laticeps.

 

Ze ‘verkiezen’ een zandige bodem zonder (hinderlijke) bodemplanten. Zeer gevoelig voor watervervuiling.

De roggen leggen zich zó op de bodem, dat de prooi volledig bedekt wordt. Dan blazen ze een waterstraal over de bodem, zodat het bodemzand opwervelt. Ze zuigen de rondwervelende prooien op en spugen het zand terug uit. Prooien: wormen, garnalen, rivierkreeftjes, weekdieren, muggenlarven, levende visjes.

In aquaria worden ook stukjes rundvlees, runderhart en tabletten gevoederd.

 

De benige, getande stekel(s) op de staart kan (kunnen) pijnlijke wonden opleveren. Het gif veroorzaakt zweten, een daling van de bloeddruk, braken, diarree, daarna spierverstijving, verhoogde hartslag en mogelijk de dood.

De stekels zijn zijdelings afgeplat en hebben weerhaken; ze worden jaarlijks twee- tot driemaal vervangen.

Vernieuwing van de gifkliercellen is noodzakelijk. De autochtonen gebruiken de stekels als pijlpunten.

 

Voor baders wordt de ‘stingray shuffle’ aanbevolen. De mensen schuiven langzaam met hun voeten door de bovenste zandlaag. De rog wordt die beweging tijdig gewaar en zwemt (meestal) weg.

 

: lichaamslengte max. 36 cm + 18 cm staart, breedte max. 33 cm; gepaard copulatieorgaan (claspers).

: lichaamslengte max. 43 cm + 25 cm staart; breedte max. 41 cm.

Tijdens de copulatie bijt het het . De wondjes genezen snel en laten schijfvormige littekens achter. Twee à drie maanden na de copulatie verschijnen er bulten op de rug van de drachtige ♀♀. In elke bobbel ziet men een embryo bewegen. De jongen zij vrij groot (9 tot 13 cm lang), gelijken op de ouders en beginnen onmiddellijk te jagen. In een aquarium werd de tijd tussen twee worpen vastgesteld op 3 à 4 maanden; een grote worp telde vier jongen (record: 12). De jongen krijgen in aquaria fijngehakte wormen, visvlees en slakken.

 

 

Snelheid in water (enkele records in km/uur op korte afstand, naar R. Flindt)

 

Zwaardvis 90 (= de topper)

Tonijn: 75

Orka: 65

Dolfijn: 46 (tuimelaar: 25 km/u volgens het K.B.I.N.)

Mako: 36 (dat komt overeen met een héél snelle mens die de 100 m loopt in 10 sec.)

Ezelspinguïn: 36

Californische zeeleeuw: 35

Gewone zeehond: 20

Paling: 12

IJsbeer: 10

Mens (crawl): 7

Mens (schoolslag): 6

Ringslang: 2,9

Geelgerande watertor: 1,8

 

 

Naslagwerken

 

Mebs D., 2000. Gifttiere: ein Handbuch für Biologen, Toxikologen, Ärzte und Apotheker. Wissenschaftliche Verlagsgesellschaft, Stuttgart, 350 p.

Mojetta A., 1998. Haaien: de evolutie, het leven en het gedrag van de heersers van de zee. Zuid Boekproducties, Lisse, 168 p.

Tricas T. & all, 1997. Sharks & rays, the ultimate guide to underwater predators. Harper Collins publishers, London, 288 p.

Flindt R., 2000. Biologie in Zahlen. Spektrum Akademischer Verlag, Gustav Fischer, Heidelberg/Berlin, 285 p.

 

 

Dank aan dr. Philippe Jouk, curator, en aan het verzorgersteam van het aquarium.

Met dank aan Magda Opdebeeck, mijn echtgenote, voor het kritisch nalezen.

 

 

 Frans Desfossés, mei 2009