DE GEOLOGISCHE TIJDSCHAAL VOORGESTELD IN DE BIOLOGIEKLAS

 

In 2004 werd door de “International Commission on Stratigraphy”, een onderdeel van de “International Union of Geological Sciences”, een nieuwe, officiële geologische tijdschaal voorgesteld.

 

De nieuwe tijdschaal verschilt van de oude. Zo begint het Cambrium nu niet meer 600 of 570, maar 542 miljoen jaar geleden. Het Jura eindigt nu 145,5 miljoen jaar geleden en niet meer 135 miljoen jaar geleden.

 

Niet alleen werden er data die behoren bij de tijdperken herzien, maar betere metingen en onverwachte ontdekkingen hebben ook geleid tot het aannemen van nieuwe en het schrappen van oude tijdperken en ook tot het vastleggen van nieuwe namen voor bepaalde tijdperken. Verder onderzoek zal in de toekomst leiden tot nog meer aanpassingen.

 

Een zeer gedetailleerde afbeelding van de nieuwe tijdschaal kan men vinden op de webstek:

 

http://www.stratigraphy.org/cheu.pdf

 

Het is voor iedereen en zeker voor scholieren moeilijk om goed te beseffen dat de tijd die we met alle gemak historisch min of meer kunnen overzien, zoals bijvoorbeeld vanaf het jaar nul tot op heden, eigenlijk in de geschiedenis van onze aarde maar een heel korte tijdspanne inneemt. Ook daardoor blijft het moeilijk om bij de bespreking van de evolutie van de organismen duidelijk te maken dat vele soorten organismen soms miljoenen jaar geleefd hebben vooraleer ze van de aardbol verdwenen waren.

 

In deze bijdrage geven we een vereenvoudigde versie van de officiële geologische tijdschaal en doen we ook enkele middelen aan de hand om de tijdschaal zo goed mogelijk voor te stellen.

 

 

Vereenvoudigde versie van de geologische tijdschaal

 

 

(1)

Hoofdtijdperk

 

(2)

Periode

(3)

Tijdvak

(4)

Aanvang (miljoen jaar geleden)

(5)

Duur

(miljoen jaar)

Cenozoïcum

Neogeen

Holoceen

0,011

0,011
( 11.000 jr.)

Pleistoceen

1,8

1,79

Plioceen

5,3

3,5

Mioceen

23

17,7

Paleogeen

Oligoceen

34

11

Eoceen

56

22

Paleoceen

65

9

Mesozoïcum

 

Krijt

 

145

80

Jura

 

200

55

Trias

 

251

51

Paleozoïcum

 

Perm

 

299

48

Carboon

 

359

60

Devoon

 

416

57

Siluur

 

444

28

Ordovicium

 

488

44

Cambrium

 

542

54

Deze drie eonen vormen samen het

Precambrium

Eon

Proterozoïcum

 

2.500

1.958

Archeïcum

 

3.800

1.300

Hadeïcum

 

4.600

800

 

TABEL 1: Vereenvoudigde versie van de geologische tijdschaal (afgeronde aantallen)

 
 

Kolom 1: Hoofdtijdperk, ook era genoemd.

Afkomstig uit oudere indelingen worden ook nog twee sub-era of sub-hoofdtijdperken onderscheiden: (1) het Quartair: van 2,6 miljoen jaar geleden tot heden; en (2) het Tertiair: van 65 miljoen jaar geleden tot 2,6 miljoen jaar geleden.

Kolom 2: Periode; in deze kolom staan ook drie eonen vermeld: het Hadeïcum, het Archeïcum en het Proterozoïcum. Deze drie eonen vormen samen het Precambium, het eerste tijdperk in de geologische geschiedenis van de aarde dat ongeveer 4,058 miljard jaar geduurd heeft. Er wordt dus aangenomen dat de aarde ongeveer 4.600 miljoen of 4,6 miljard jaar geleden ontstaan is.

Kolom 3: Tijdvak, ook epoche genoemd.

Kolom 4: In miljoen jaar, het aantal jaar geleden dat het tijdperk een aanvang nam.

Kolom 5: In miljoen jaar, de duur van elke tijdperk (afgeronde aantallen). Het Holoceen waarin we nu leven nam ongeveer 11.000 jaar geleden een aanvang.
 
 

 

(1)

Tijdperk

(2)

Aanvang

(miljoen jaar geleden)

 

(3)

Duur

(miljoen jaar)

(4)

Tijdbalk

(aantal cm per 1.000 cm)

(5)

Duur

(dagen en uren in één jaar)

(6)

Aanvang

(data in de loop van één jaar)

Cenozoïcum

Neogeen

Holoceen

0,011

11.000 jr.

0,002

1 min.

31 dec. 23.59 u.

Pleistoceen

1,8

1,79

0,40

3 u.

31 dec. 21.00 u.

Plioceen

5,3

3,5

0,75

7 u.

31 dec. 14.00 u.

Mioceen

23

17,7

4

1 d. 10 u.

30 dec.   4.00 u.

Paleogeen

Oligoceen

34

11

2

21 u.

29 dec.   7.00 u.

Eoceen

56

22

5

1 d. 18 u.

27 dec. 13.00 u.

Paleoceen

65

9

2

17 u.

26 dec. 20.00 u.

Mesozoïcum

Krijt

145

80

17

6 d. 8 u.

20 dec. 12.00 u.

Jura

200

55

12

4 d. 9 u.

16 dec. 3.00 u.

Trias

251

51

11

4 d. 1 u.

12 dec. 2.00 u.

Paleozoïcum

Perm

299

48

10

3 d. 19 u.

8 dec. 7.00 u.

Carboon

359

60

13

4 d. 18 u.

3 dec. 13.00 u.

Devoon

416

57

12

4 d. 13 u.

29 nov. 00.00 u.

Siluur

444

28

6

2 d. 5 u.

26 nov. 19.00 u.

Ordovicium

488

44

10

3 d. 12 u.

23 nov. 7.00 u.

Cambrium

542

54

12

4 d. 7 u.

19 nov.

Precambrium

Proterozoïcum

2.500

1.958

426

156 d.

16 juni

Archeïcum

3.800

1.300

283

103 d.

5 maart

Hadeïcum

4.600

800

174

63 d.

1 januari

 

TABEL 2: Verhoudingsgewijze omzettingen voor de hele geologische geschiedenis
 
 

 

Kolom 1: Tijdperk

Kolom 2: Aanvang van het tijdperk, aangegeven in miljoen jaar geleden

Kolom 3: Duur van het tijdperk in miljoen jaar

Kolom 4: Verhoudingsgewijze omzetting van de duur van elke tijdperk in centimeter voor een tijdbalk van 1000 centimeter of tien meter (afgeronde aantallen).

Kolom 5: Verhoudingsgewijze omzetting van de duur van elk tijdperk in dagen en uren voor een periode van één jaar of 365 dagen (afgeronde aantallen).

Kolom 6: Aanvang van elke tijdperk verhoudingsgewijze omgezet naar data in de loop van één jaar.

 
 

Voorstellingen van de geologische tijdschaal

 

Om aan leerlingen een indrukwekkend idee te geven van de geologische tijdschaal en van de duur van de verschillende tijdperken, kan men gebruik maken van een voorstelling met een tijdbalk, of van de verhoudingsgewijze vergelijking met de duur van de tijdperken in de loop van een jaar of van de data waarop verhoudingsgewijze een tijdperk in de loop van een jaar een aanvang neemt of met de verhoudingsgewijze tijd aangegeven door een 12-urenklok.

 

1. Tijdbalk van tien meter voor de volledige geologische geschiedenis

 

Met behulp van een band stevig behangselpapier van precies tien meter lang kan men een tijdbalk maken waarop de geologische tijdschaal illustratief voorgesteld kan worden. Een dergelijke tien meter-lange tijdbalk kan men op de vloer, hetzij in de klas, hetzij in een gang, openrollen, vastleggen en erbij de nodige uitleg geven. Na gebruik kan men de band weer netjes oprollen en kan men er vele jaren van genieten.

 

In TABEL 2 staat in kolom 3 van elk tijdperk de duur in miljoen jaar aangegeven. Deze duur werd dan in kolom 4 verhoudingsgewijze uitgedrukt in centimeter ten opzichte van een lengte van 1.000 centimeter (tien meter), die overeenkomt met de tijd van het ontstaan van de aarde, 4.600 miljoen jaar geleden, tot het heden.

 

Deze omzetting werd telkens berekend met de regel van drieën, bijvoorbeeld:

 

De totale leeftijd van de aarde van 4.600 miljoen jaar komt overeen met 1.000 cm

 

1 miljoen jaar   komt overeen met 1.000 cm / 4.600

                                                                                                                      

57 miljoen jaar van bijvoorbeeld het Devoon komt overeen met 1.000 cm x 57 / 4.600 = 12,39 cm (afgerond tot 12 cm)

                                                                                                          

                                                                                                            

 

Voor het gemak worden afgeronde getallen gebruikt. Immers, in de officiële geologische tijdschaal is de aanvang van een tijdperk ook maar benaderend aangeduid. Zo staat voor het begin van het Devoon aangegeven: 416,0  ± 2,8 miljoen jaar geleden. Dit betekent dat dit begin ligt tussen 413,80 en 418,80 miljoen jaar geleden. Als we dan aannemen dat het Devoon een einde nam op 359,2 miljoen jaar geleden, dan ligt de duur van het Devoon tussen 54 en 59,60 miljoen jaar.  In onze omrekening naar centimeter ten opzichte van een lengte van 1.000 centimeter zou dat respectievelijk een duur geven overeenkomend met 11,84 cm en 13,07 cm en nu nemen we gewoon 12 cm aan.

 

We starten met het maken van de tijdbalk aan een dwarse rand van het behangselpapier en meten eerst 174 cm af, d.w.z. 1,74 m, nauwkeurig af. Deze breedte komt dus overeen met het Hadeïcum. Vervolgens meet men voor het Archaeïcum 283 cm of 2,83 m af, en zo verder tot men de 19 tijdperken “afgemeten” heeft. Als men dan heel nauwkeurig gewerkt heeft, zou de band dan precies op een lengte van 10 meter moeten uitkomen. Het is natuurlijk onvermijdelijk dat het Precambrium al 883 cm inneemt… Voor de tijdperken van het Cenozoïcum is er voor de aanduidingen maar een beperkte ruimte beschikbaar. Eventueel kan men voor het Cenozoïcum een afzonderlijke tijdbalk maken (zie punt 6).

 

2. Tijdbalk voor een muur van een bepaalde lengte

 

Als men een blijvende tijdbalk over de hele geologische geschiedenis tegen een muur van een bepaalde lengte wil vastmaken, moeten uiteraard bijzondere berekeningen uitgevoerd worden.

 

Veronderstel dat de tijdbalk 12,5 meter of 1250 centimeter lang moet worden. Met behulp van de gegevens in kolom 4 van TABEL 2 kan met dan met de regel van drieën de verhoudingsgewijze breedte van elk tijdperk als volgt berekenen:

 

1.000 cm moet overeenkomen met 1250 cm

1 cm komt overeen met 1250 cm / 1000

lengte van een tijdperk in cm (kolom 4) komt overeen met 1250 x lengte in cm/ 1000= lengte in   cm voor een tijdbalk van 1250 cm    

                                                                                                                                                                               

3. De geologische geschiedenis verhoudingsgewijze uitgedrukt in dagen en uren in het geheel van een jaar

 

Een zeer illustratieve voorstelling van de geologische geschiedenis van de aarde, is de verhoudingsgewijze omzetting van de duur van de tijdperken in dagen en uren die samen een jaar van 365 dagen vormen.

Deze verhoudingsgewijze omzetting vergt enig rekenwerk met de regel van drieën. Een jaar telt 365 dagen, d.i. 8.760 uren. Voor elk tijdperk kan men berekenen met hoeveel dagen en uren een periode overeenkomt.

 

4.600 miljoen jaar komt overeen met 8.760 uren

1 miljoen jaar komt overeen met 8.760 uren / 4.600

57 miljoen jaar van bv. het Devoon komt overeen met   8.760 x 57  uren / 4600 = 108,54 uren (afgerond 4 dagen en 13 uur)

Het resultaat van de berekeningen vind men in kolom 5 van TABEL 2.

 

Het Precambrium neemt al 322 dagen in van de 365 dagen. En het Holoceen duurt verhoudingsgewijze amper één minuut!

 

4. De geologische geschiedenis samengedrukt in de duur van één jaar

 

Interessant is ook als men op een tijdbalk de aanvang van elk tijdperk met een datum kan aanduiden, alsof heel de geologische geschiedenis van de aarde zich zou afspelen in de loop van één jaar. De aarde begint dan haar ontstaan op 1 januari en met behulp van de gegevens uit kolom 5 van TABEL 2 wordt dan telkens de duur van elk tijdperk, uitgedrukt in dagen en uren, bij elke nieuwe datum gevoegd. Het resultaat daarvan ziet men in kolom 6 van TABEL 2.

 

Eén minuut voor het begin van een nieuw jaar nam het Holoceen een aanvang. Als we aannemen dat de moderne mens – Homo sapiens sapiens – ongeveer 200.000 jaar geleden ontstaan is, dan zou dat, als we de geologische geschiedenis van de aarde samendrukken tot één jaar, gebeurd zijn op 31 december om 23.37 uur, of 23 minuten voor het einde van het jaar.

 

 

Tijdperk

Aanvang

(miljoen jaar geleden)

Evolutieve ontwikkeling

van de organismen

Paleozoïcum

Perm

299

Veel varens en naaldbomen.

Opkomst van eerste reptielen.

Eerste ammonieten. Uitsterven van de trilobieten.

Carboon

359

Weelderige wouden van varens, wolfsklauwen en naaldbomen: de steenkoolwouden.

Primitieve, echte amfibieën en reptielen.

Vliegende insecten, reuzeninsecten.

Devoon

416

Eerste zaadplanten en boomvarens.

Eerste beenvissen in zoet water. Aan het eind van het tijdperk ontstaan van amfibieën uit vissen. Eerste reptielen.

Bloeiperiode van koralen, brachiopoden. Uitsterven van de graptolieten. Eerste insecten en spinnen.

Siluur

444

Ontwikkeling van landplanten.

Veel gepantserde, kaakloze vissen. Eerste kaakvissen.

Opbloei van koraalriffen, eerste schorpioenen.

Ordovicium

488

Eerste planten op het land.

Eerste gepantserde, kaakloze vissen.

Bloei van trilobieten, graptolieten, tweekleppige schelpdieren en brachiopoden.

Cambrium

542

Ontwikkeling van bacteriën, wieren en zwammen.

De Cambrische explosie: eerste dieren met een hard kalkskelet en vertegenwoordigers van alle stammen van ongewervelde dieren. Bloeiperiode van de trilobieten. Vooral zeebodembewoners: brachiopoden, koralen, graptolieten, schelp- en schaaldieren en veel ongewervelde dieren waarvan nu geen ermee verwante dieren nog leven.

Precambrium

Proterozoïcum

2.500

Bloei van eencellige wieren in zee, eerste eencellige wieren in zee, eerste meercellige wieren met geslachtelijke voortplanting, eerste meercellige dieren zonder harde delen (wormachtigen, holtedieren).

Archeïcum

3.800

3 miljard jaar geleden: oudste fossiele bacteriën (cyanobacteriën).

3,5 miljard jaar geleden: eerste chemische sporen van leven.

Hadeïcum

4.600

4,6 miljard jaar geleden: ontstaan van de aarde.

 

TABEL 3.1: De evolutieve ontwikkeling van de organismen

 

 

In de TABELLEN 3.1 en 3.2 worden voor elk tijdperk enkele opmerkelijke stadia in de evolutieve ontwikkeling van de organismen weergegeven.

 

Tijdperk

Aanvang

(miljoen jaar geleden)

Evolutieve ontwikkeling

van de organismen

Cenozoïcum

   Neogeen

Holoceen

0,011

Grote zoogdieren, zoals mammoet, bizon en Ierse eland, sterven uit. Dodo uitgeroeid. Culturele ontwikkeling van de moderne mens.

Pleistoceen

1,8

Opkomst, ontwikkeling en verdwijnen van verschillende soorten mensen. 200.000 jaar geleden: ontstaan van de moderne mens. Aanwezig: holenbeer, mammoet, wolharige neushoorn.

Plioceen

5,3

Huidige flora van het gematigde klimaat in Europa.

Verschillende voorlopers van de moderne mens.

Grote zoogdieren.

Mioceen

23

Ontwikkeling van graslanden ten koste van bossen.

Grote opkomst van zoogdieren en haaien. Mensapen en misschien 6-7 miljoen jaar geleden eerste voorouders van de mens.

   Paleogeen

Oligoceen

34

Ontwikkeling van paardachtigen en andere moderne zoogdieren. Baleinvissen. Mensapen in Afrika.

Eoceen

56

Bomen, struiken en kruidachige planten. Eerste grassen.

Ontstaan van de voorouders van de paarden. Ontwikkeling van de walvis uit een landzoogdier. Verdere ontwikkeling van zoogdieren en van aapachtige voorouders.

Paleoceen

65

Moderne planten; tropische regenwouden zonder grassen.

Dinosauriërs sterven uit. Eerste aapachtige voorouders. Geleidelijke ontwikkeling van iets grotere zoogdieren. Opkomst van slangen.

Moderne slakken en tweekleppige weekdieren.

Mesozoïcum

Krijt

145

Ontwikkeling van planten met bloemen.

Grote reptielen verdwijnen geleidelijk: dinosauriërs, zeereptielen, vliegende reptielen. Verschijnen van echte vogels, slangen, salamanders, buideldieren, insecteneters, kleine spitsmuisachtige zoogdieren.

Uitsterven van ammonieten en belemnieten.

Jura

200

Nog altijd veel varenpalmen, varens en naaldbomen.

Bloeiperiode van de reptielen in zee, op het land en in de lucht; veel dinosauriërs. Eerste vogels met tanden. Aanwezig: Archaeopteryx. Kleine, primitieve zoogdieren.

Bloeiperiode van ammonieten en belemnieten.

Trias

251

Veel naaldbomen, varenpalmen, paardenstaarten en varens.

Drie kwart van de diersoorten sterven uit. Wel talrijke reptielen: eerste dinosauriërs, zeereptielen, vliegende reptielen. Eerste kleine, primitieve zoogdieren.

Bloeiperiode van ammonieten, eerste belemnieten.

 

TABEL 3.2: De evolutieve ontwikkeling van de organismen

 

5. De evolutieve ontwikkeling van de organismen in een tijdbalk

 

Eventueel kan men op de tijdbalk ook gegevens weergeven van de evolutieve ontwikkeling van de organismen. TABEL 3.1 en TABEL 3.2 leveren daarvoor enkele gegevens. In verschillende bronnen vindt men een dergelijke tabel en inhoudelijk zijn er soms grote verschillen.

 

6. Tijdbalk van vijf meter over de geschiedenis van het Cenozoïcum

In een tijdbalk van bijvoorbeeld tien meter voor de hele geologische geschiedenis, neemt het Cenozoïcum ongeveer 14 centimeter in, wat heel weinig is om de verschillende tijdvakken duidelijk van elkaar af te grenzen en het is dan ook moeilijk om bijvoorbeeld aan te duiden op welk ogenblik de moderne mens ontstaan is. Daarom kan een tweede tijdbalk die alleen maar betrekking heeft op het Cenozoïcum en bijvoorbeeld vijf meter lang is, een nuttige aanvulling vormen.

 

In TABEL 4 staat dan aangeduid hoeveel centimeter elke tijdvak van het Cenozoïcum in een tijdbalk van 500 centimeter mag innemen.

 

Als men aanneemt dat de moderne mens ongeveer 200.000 jaar geleden ontstaan is, dan is dat aan te duiden op 1,5 centimeter van de rand waar het Holoceen eindigt. Volgens de regel van drieën werd dat als volgt berekend. Het Cenozoïcum is 65 miljoen jaar geleden begonnen en die periode komt overeen met de 500 centimeter van de tijdbalk.

 

65 miljoen jaar komt overeen met 500 cm

1 miljoen jaar komt overeen met 500 cm / 65

0,2 miljoen jaar (200.000 jr.) komt overeen met 500 x 0,2 cm / 65  = 1,5 cm

 

 

 

(1)

Tijdperk

(2)

Aanvang

(miljoen jaar geleden)

(3)

Duur

(miljoen jaar)

(4)

Tijdbalk

(aantal cm per 500 cm)

Cenozoïcum

   Neogeen

Holoceen

0,011

11.000 jaar

0,08

Pleistoceen

1,8

1,79

14

Plioceen

5,3

3,5

27

Mioceen

23

17,7

136

   Paleogeen

Oligoceen

34

11

85

Eoceen

56

22

169

Paleoceen

65

9

69

 

TABEL 4: Verhoudingsgewijze omzetting voor het Cenozoïcum

 

 

Kolom 1, Kolom 2 en Kolom 3 zoals in TABEL 2.

Kolom 4: Verhoudingsgewijze omzetting van de duur van elk tijdvak van het Cenozoïcum in centimeter voor een tijdbalk van 500 centimeter of vijf meter.

 

Ongeveer bij het begin van het Cenozoïcum hebben de voorouders van de aapachtigen (halfapen, echte apen, mensapen) en van de mens zich afgesplitst van de voorouders van de andere zoogdieren. Aangezien het ontstaan van de mens altijd de grootste belangstelling kan opwekken, is het misschien interessant om de evolutie van de aapachtigen tot de mens in een tijdbalk over het Cenozoïcum op te nemen. De informatie daarvoor kan men aantreffen in TABEL 5. Deze gegevens zijn volledig ontleend aan het boek van Carl Zimmer, Waar komen we vandaan? (Standaard Uitgeverij, 2006). Nieuwe vondsten van fossielen van voorouders van de mens zullen ongetwijfeld in de toekomst tot nieuwe gegevens leiden.

 

 

(1)

Tijdperk

(2)

Aanvang

(miljoen jaar geleden)

(3)

Evolutieve ontwikkeling van de voorouders van de aapachtigen en de mens tot de mens van nu

Cenozoïcum

   Neogeen

Holoceen

0,011

* Mens van nu. Culturele evolutie.

Pleistoceen

1,8

* 200.000 jaar geleden: ontstaan van de moderne mens Homo sapiens.

* Aanwezigheid van verschillende soorten mensen die uitsterven, o.m. Homo ergaster, H. erectus,

H. neanderthalensis, H. heidelbergensis, H. habilis.

Plioceen

5,3

* 2 miljoen jaar geleden: uiteengaan van de voorouders van de chimpansee en de bonobo.

* Aanwezigheid van verschillende soorten mensen die uitsterven, o.m. Australopithecus-soorten, Paranthropus-spp., Homo-spp., o.m. Homo habilis.

Mioceen

23

* 6-7 miljoen jaar geleden: voorouders van de chimpansee en de bonobo splitsen zich af van de voorouders van verschillende soorten mensen.

* 7-9 miljoen jaar geleden: voorouders van de gorilla splitsen zich af van de voorouders van de chimpansee, de bonobo en de soorten mensen.

* 12-15 miljoen jaar geleden: voorouders van de orang-oetan splitsen zich af van de voorouders van de mensapen en de mens.

* ± 18 miljoen jaar geleden: voorouders van de lagere mensapen, zoals de gibbon, splitsen zich af van de voorouders van de hogere mensapen en de mens

Paleogeen

Oligoceen

34

* ± 25 miljoen jaar geleden: voorouders van de echte apen splitsen zich af van de voorouders van de mensapen en de mens.

Eoceen

56

* 55-56 miljoen jaar geleden: voorouders van de halfapen en lemuren splitsen zich af van de voorouders van de echte apen, de mensapen en de mens.

Paleoceen

65

* ± 65 miljoen jaar geleden: voorouders van de aapachtigen (halfapen, echte apen, mensapen en de mens) splitsen zich af van de voorouders van de andere zoogdieren.

 

TABEL 5: Evolutieve ontwikkeling van de aapachtigen tot de mens

 

7. De geologische geschiedenis voorgesteld in een 12-urenklok

 

 

(1)

Tijdperk

(2)

Duur

(miljoen jaar)

(3)

Duur

(in een 12-urenklok)

(4)

Aanvang

(in een 12-urenklok)

Hadeïcum

800

2 u. 5 min.

0.00 u.

Archeïcum

1.300

3 u. 24 min.

2.05 u.

Proterozoïcum

1.958

5 u. 6 min.

5.29 u.

Paleozoïcum

291

46 min.

10.35 u.

Mesozoïcum

186

29 min.

11.21 u.

Cenozoïcum

65:

10 min.:

11.50 u.

Paleoceen

9

1 min. 23 sec.

11 u. 50 min.

Eoceen

22

3 min. 23 sec.

11 u. 51 min. 23 sec.

Oligoceen

11

1 min. 42 sec.

11 u. 54 min. 46 sec.

Mioceen

17,7

2 min. 43 sec.

11 u. 56 min. 28 sec.

Plioceen

3,5

32 sec.

11 u. 59 min. 11 sec.

Pleistoceen

1,79

17 sec.

11 u. 59 min. 43 sec.

Holoceen

0,011

0,10 sec.

11 u. 59 min. 59,90 sec.

 

TABEL 6: De geologische tijdschaal in een 12-urenklok

 

 

Tenslotte kan men de geologische geschiedenis van de aarde ook weergeven in een 12-urenklok.

 

Weeral met de regel van drieën kan men op die klok de duur van elk tijdperk weergeven. Een 12-urenklok telt 720 minuten. Voor de duur van bijvoorbeeld het Paleozoïcum, die 291 miljoen jaar bedraagt, verloopt dan de berekening als volgt:

 

4.600 miljoen jaar komt overeen met 720 minuten

1 miljoen jaar komt overeen met 720 minuten / 4.600

291 miljoen jaar komt overeen met 720 minuten x 291 / 4.600   = 45,54 min. (afgerond 46 min.)

                                                                       

We bepalen eerst de duur van de drie eonen van het Precambrium en dan van de drie hoofdtijdperken en van de tijdvakken (kolom 3 in TABEL 6). Vervolgens brengen we die gegevens over op een 12-urenklok, waarbij het ontstaan van de aarde begint bij 0.00 uur (zie figuur).

 

We stellen daarbij vast dat het Cenozoïcum, dat 65 miljoen jaar duurt, de laatste 10 minuten inneemt. We kunnen dan ook berekenen wanneer elk tijdvak van het Cenozoïcum begint. Het Holoceen, het tijdvak waarin wij leven, begint dan één tiende van een seconde voor twaalf uur.

 

Als we aannemen dat de moderne mens ongeveer 200.000 jaar geleden ontstaan is, dan zou dat, gerekend op een 12-urenklok, gebeurd zijn om 11 u. 59 min. 58,20 sec. of 1,80 seconden voor twaalf.

 

Walter Deconinck

Kortrijk