De achthoekige aquaria in de Antwerpse zoo

 

De centraal geplaatste achthoekige aquaria in de zoo hebben elk een volume van 800 liter en bevatten warm zeewater (25 °C). De drie aquaria zijn in de kelder aangesloten op het grote circuit van warm zeewater. Daardoor blijft de waterkwaliteit veel stabieler dan in een afzonderlijk aquarium met eigen omloop.

In de achthoekige aquaria zal een groter verloop van soorten mogelijk zijn. Een vis kan bv. te groot worden en verhuist dan naar een ruimer aquarium.

 

Aquarium nr. 1

 

Bloedgarnaal (Lysmata debelius); la crevette cardinale; fire shrimp; Kardinals-Putzergarnele.

Indische Oceaan en tropische Stille Oceaan.

 

 

Leeft in kloven van het rif in dieper water. Daar overheerst blauw licht en zal de rode kleur van de garnaal een camouflagekleur zijn. De witte delen vallen op, maar die geven, los van elkaar, niet aan dat er een mogelijke prooi of predator aanwezig is. Poetsen doen ze maar occasioneel, daarom liever spreken van bloedgarnaal dan van poetsgarnaal.

Hermafrodiet, zodat ze met gelijk welke soortgenoot een koppeltje kunnen vormen.

Ze zijn territoriaal ingesteld: de ene mag in de buurt komen, de andere niet. Als ze met teveel soortgenoten het aquarium moeten delen, treedt kannibalisme op.

 

 

Dansgarnaal (Rhynchocinetes uritai); la crevette danseuse ou crevette striée; peppermint shrimp or camel(back)shrimp or candy shrimp; gemeine Tanzgarnele.

Ondiepe rotsspleetjes aan de kust van de Indische Oceaan en Rode Zee.

 

 

Vuurgarnaal met witte streepjes op een donkerrood pakje. Het is kleiner en heeft grotere klauwtjes aan het eerste paar looppoten. De gesteelde ogen staan hoog opgesteld.

Is in feite een omnivoor want hij eet zowel dierlijk als plantaardig plankton. Hij ploegt zand om op zoek naar eetbaar detritus. Wordt niet hoog ingeschat als poetsgarnaal, want wordt gemakkelijk verorberd door vissen. Anderzijds nadert hij wel eens prooien alsof hij een poetsgarnaal is.

Groepsdier dat hoofdzakelijk tijdens de schemering actief is.

Zoals andere schaaldieren hebben ze een exoskelet en moeten ze kunnen vervellen. Dat doen ze ’s nachts op een beschut plekje. Ze gaan op de rug liggen en trekken hun te klein wordend ‘jasje’ uit. Het ruimere pakje wordt snel gevormd omdat ze het meeste materiaal recycleren. Een stukje exoskelet op een aquariumbodem betekent dus niet per se dat er een garnaal werd verorberd.

 

Blauwgestreepte zeenaald (Doryrhamphus excisus); une aiguille de mer à bande bleue; bluestripe pipefish; Blaustreifen-Seenadel.

 

 

Ondiepe tropische zeeën, aan het rif gebonden. Jaagt op kleine kreeftachtigen en eet ook plankton.

Verwant aan zeepaardjes. Het draagt de eitjes in een broedbuidel onder de staart.

 

 

Scheermesvisje (Aeoliscus strigatus); un poisson rasoir; razorfish; Rasiermesserfisch.

Indische Oceaan en tropische Stille Oceaan.

 

 

Jaagt op diertjes, bv. tussen de lange stekels van diadeemzee-egels.

Hangen, meestal in kleine groepjes, verticaal met de kop omlaag. Kunnen echter even goed horizontaal en opwaarts zwemmen.

Info van Artis: gedroogd zijn ze zo scherp als een aardappelschiller.

 

Mandarijnvis (Synchiropus splendidus); poisson-mandarin; mandarinfish; Mandarinfisch.

 

 

Pitvissen zijn bodemdieren. Voor ons vallen ze sterk op, maar in hun natuurlijke omgeving zijn ze uitstekend gecamoufleerd. Ze verkiezen immers geen koraalriffen maar algenrijke, tropische lagunes en brandingszones.

Ze eten kleine schaaldieren, wormen en algen. In gevangenschap: pekelkreeftjes.

Het paaien verloopt tijdens het omhoogzwemmen van het koppeltje. De eieren worden in de planktonzone afgezet. Later zwemmen de visjes naar de bodem.

 

 

Jack-in-the-box (syn. goudkop-kaakvis) (Opistognathus aurifrons); opistognathe à tête jaune; yellowhead jawfish; Goldstirn-Kieferfisch.

 

 

Caribische soort kaakvis. De wetenschappelijke naam verwijst naar hun relatief grote kop met wijde bek.

Het zijn bodemdieren die holletjes graven in koraalzand. Bij het minste gevaar trekken ze zich daarin terug, de staart voorop, zodat we dikwijls slechts het kopje zien. Soms liggen er steentjes of een schelpje bij de ingang, zodat ze nog een ‘deurtje’ kunnen gebruiken. Als ze geen holletje kunnen graven zijn ze zeer gestrest. Elk moet over een eigen klein territorium kunnen beschikken. Ze wachten op voedsel dat komt aandrijven: kreeftjes bv., in ieder geval dierlijk voedsel.

Muilbroeder.

 

 

 

Aquarium nr. 2

 

Bruine egelvis (Diodon holocanthus); un diodon ou souffleur épineux; swell-fish; Igelfisch. 

Nauwkeuriger (indien nodig!): le poisson porc-épic à taches; long-spine porcupinefish; Langstachel-Igelfisch.

 

 

Geen buikvinnen, net als bij koffervissen en kogelvissen. Voortbeweging: rug- en aarsvin.

Richtingsveranderingen: borstvinnen en staartvin.

Trage, maar erg wendbare zwemmer, haast ‘ongrijpbaar’ in het koraalrif.

 

De beenschubben zijn vervormd tot stekels, die kunnen worden opgericht.

Diodon (Grieks: twee tanden) verwijst naar de twee scherpe, doorgroeiende tandplaten.

Eet weekdieren (verbrijzelt de schelp!), krab, garnaal, inktvis ...

Hij ‘maakt zich dik’ door inslikken van water; wat stress kan veroorzaken (dus niet opjagen!). Als hij zich met lucht opblaast, gaat hij dobberen en kunnen de kieuwen uitdrogen (dood!). Egelvissen kunnen bij stress giftig slijm afgeven. ‘Onze’ egelvis werd te groot voor dit aquarium en zwemt nu bij de koraalduivels. De nieuwe egelvis is nog te klein om hem nu bij de steenvissen te durven zetten. Voorlopig zwemt hij nog rond in het grote rifaquarium.

 

Steenvis (Synanceia verrucosa); le poisson-pierre; stone fish; Steinfisch oder lebender Stein.

 

 

Schemeringdier van de Rode Zee en de Indische Oceaan. Gereduceerde zwemblaas: ze zwemmen kort en gaan neerliggen op beschutte plekjes in het koraalrif. De stand van de ogen waarborgt een goed stereoscopisch zicht en een breed gezichtsveld naar boven toe. 

Met hun brede, bovenstandige, sikkelvormige bek kunnen ze grote prooien buitmaken.

 

Alle pantserwangigen hebben 2 beenlijsten aan hun kieuwdeksels; op de rand staan stekels. Vele hebben vinstralen met gifklieren. Anders dan bij gifslangen gebruiken vissen hun giftige stoffen uitsluitend als verdedigingsmiddel. Vertegenwoordigers in dalende orde van giftigheid: steenvis, koraalduivel, schorpioenvis en poon.

 

Van alle ‘stekende’ vissen is de steenvis de giftigste ... en de minst in het oog vallende. Rugvin, buikvinnen en aarsvin  bevatten korte, stevige vinstralen met een grote gifklier. De stekels zijn zo stevig dat ze door de dunne zool van een sandaaltje gaan. Het gif (een eiwitmengsel) werkt in op het zenuwstelsel en het bloed.

Een wonde mag nooit worden uitgezogen, ingesneden of afgebonden. Heet en ijskoud water doen meer kwaad dan goed. Ontsmetting is noodzakelijk, behandeling tegen tetanus eveneens. Een inspuiting met tegengif is levensnoodzakelijk. Dodelijke ongevallen zijn gemeld bij vissers, toeristen en aquariumliefhebbers.

Bij het voederen gebruiken de verzorgers een doorschijnend staafje met gebogen uiteinde (een ‘feeding prong’): het dode visje moet ‘bewegen’ en dicht voor de kop van de steenvis worden aangeboden.

Achter de schermen zit een jonge ‘valse steenvis’ (Scorpaenopsis diabolus). Voorlopig is die nog te klein om hem bij de echte steenvissen te plaatsen. Mooi voorbeeld van mimicry!

 

Aquarium nr. 3

 

Knobbelanemoon (syn. tepelanemoon) (Entacmaea quadricolor), anémone vésiculeuse ou anémone bulle, bubble-tip anemone or bulb-tentacle anemone, rote Blasenanemone.

 

 

De naam wijst naar de verdikkingen onder de top van de tentakels, waardoor die uiteinden op tepels lijken.

Hoofdzakelijk in de Indische Oceaan.

Bezitten eencellige wieren, zoöxanthellen, zodat ze gebonden zijn aan sterke verlichting. Je ziet dat ze samentroepen aan de top van de ingebouwde ‘rots’. Ze hebben eveneens een relatief sterke waterstroming nodig. Troepen er te veel soortgenoten samen, dan zullen alleen de best aangepaste zich handhaven. De andere worden gedood.

In riffen met voet in kloven en spleten. Een van de anemonen die het sterkst in symbiose leeft met anemoonvisjes.

 

 

Halsband-anemoonvis (Amphiprion perideraion); un poisson-clown à collier; pink anemonefish; Halsband-Anemonenfisch.

 

 

Anemoonvissen leven in symbiose met een zeeanemoon, maar beide kunnen ook zonder zo’n ‘partner’ overleven. Ze eten algen en plankton.

Waarom eten anemonen geen anemoonvisjes op? Dat weet men nog niet met zekerheid. De meeste onderzoekers denken dat het huidslijm van anemoonvissen in zijn chemische samenstelling op suikers is gebaseerd, en niet op eiwitten, zodat de zeeanemoon de vis niet als voedsel herkent en zijn netelcellen niet afvuurt.

 

Het paart alleen met het dominante . Als het sterft, wordt het dominante een .

De eieren worden op een vlak object afgezet, dicht bij de tentakels van een anemoon. Vooral het verzorgt het legsel. De jonge larven komen ’s nachts uit en stijgen naar de planktonlaag, waar ze fytoplankton en zoöplankton eten. De jonge visjes duiken op zoek naar een anemoon. De meeste vallen tijdens die tocht ten prooi aan rovers.

 

 

De pincetvis (Chelmon rostratus); chelmon à bec médiocre; copperband butterflyfish; Kupferstreifen-Pinzettfisch.

 

 

Het is een bewoner van de koraalriffen in de Indische en Stille Oceaan. Met zijn dunne bek kan hij makkelijk diepzittende diertjes bemachtigen.

In de natuur eet hij kreeftachtigen, poliepen, wormen en algen.

In een aquarium krijgt hij mysis, kreefteneieren, pekelkreeftjes en stukjes inktvis.

Omdat ze ook kleine poliepen eten, worden ze in de zoo o.a. geplaatst in het eerste en derde achthoekige aquarium. Daar bestrijden ze glasanemonen (Aiptasia sp.), die zich soms explosief kunnen vermenigvuldigen. Bij de steenvissen ontbreken pincetvissen: zij zouden worden opgegeten.

 

In tegenstelling tot de meeste goochelaars die slechts een vlek of een zwarte streep over het oog hebben, zijn de verticale strepen van de pincetvis oranje en hier en daar zwart afgeboord. Opvallende zwarte oogvlek op de rugvin. Die zet een aanvaller ‘op het verkeerde been’: de vis heeft schijnbaar een veel grotere kop en die bevindt zich dan aan de andere kant!

Vergelijk met de misleidende tekeningen op sommige vlindervleugels.

 

 

Bamboehaai (Chiloscyllium indicum); le requin-chabot bambou; slender bamboo shark; schlanker Bambushai.

 

 

Bruingebande bamboehaai (Chiloscyllium punctatum); le requin-chabot bambou; brownbanded bambooshark; braungebänder Bambushai.

Eigen kweek van bamboehaaien wordt hier tentoongesteld. De verticale streeptekening zorgt voor camouflage van de kleintjes als ze in groepjes bij elkaar liggen. (Vergelijk met de streeptekening van zebra’s.)

Jonge bamboehaaien hebben te lijden onder contacten met glasanemonen die sterk kunnen netelen. Die anemonen staan in aquariumboeken daarom bij de zgn. ‘plaagdieren’.

In tegenstelling tot andere vissen leren jonge bamboehaaien niet bij: ze blijven in de buurt komen van glasanenmonen, worden keer op keer geneteld en kunnen er zelfs door sterven. Daarom zijn pincetvissen hier zo nuttig.

Voor meer informatie over bamboehaaien: zie document over kraakbeenvissen a.u.b.

 

Wie zelf meer informatie wil opzoeken, tikt best de wetenschappelijke naam in. Anders kun je voor verrassingen komen te staan. Probeer maar eens met jack-in-the-box.

 

Met dank aan het aquariumteam.

 

Frans Desfossés, oktober 2009

 

De volgende vissen staan hier nog beschreven, maar zitten niet meer in de achthoekige aquaria; ook niet als ze nog op een monitor zouden worden vermeld!

 

 

Decora pijlvisje (syn. vuurvisje) (Nemateleotris decora); gobie de feu pourpre; elegant firefish; Dekor Schwertgrundel.

 

 

Pijlgrondel met gestrekt lichaam. De verlengde voorste rugvinstralen geven een signaal aan soortgenoten: afstand bewaren. Schrikachtig visje dat een schuilhol nodig heeft. Daarin kan hij zich vastklemmen door de vinnen op te zetten. Planktoneter.

Kan gevoed worden met pekelkreeftjes, stukjes van kokkel, mossel en inktvis.  

 

 

Saffierblauw juffertje (Chrysiptera cyanea); la demoiselle saphirin; sapphire devil; Saphir-Demoiselle.

 

 

Rifbewoner van Indische en Stille Oceaan. Elk individu heeft zijn eigen schuilplaats, ook voor de nacht. Het dominant visje heeft het veiligste plekje.

Het geslacht is makkelijk te zien aan de genitaalpapil: bij ♂♂ is die slank en spits, bij ♀♀ breder en stomper.

Een dominant paart met alle ♀♀, nadat hij vooraf een stukje rots gepoetst heeft.

Hij bewaakt de eieren en verdedigt de plek. De larven stijgen naar de planktonlaag.

Na 1 à 2 maanden zwemmen ze naar het rif. Daar eten ze dierlijk plankton en algen.