A

B

C

D

E

F

G

H

I

J

K

L

M

N

O

P

Q

R

S

T

U

V

W

X

Y

Z

 

REFRACTAIRE PERIODE

Stimulatie van een neuron of van een spiercel veroorzaakt een depolarisering van de celmembraan, waardoor een actiepotentiaal ontstaat. De depolarisering verplaatst zich over de mebraan van de cel, waardoor de prikkel vervoerd wordt.

Nadat een exciteerbare membraan van een zenuw- of spiercel geprikkeld werd duurt het steeds een zekere tijd vooraleer hij opnieuw op een stimulus reageert, eens hij naar de rusttoestand is teruggekeerd. Deze tijdspanne noemt men de refractaire periode. Dit interval kan opgesplitst worden in een absolute refractaire periode en een relatieve refractaire periode.

De absolute refractaire periode is het interval waarbinnen het onmogelijk is om een nieuwe actiepotentiaal te genereren, hoe sterk de stimulus ook is. De lengte van de absolute refractaire periode valt nagenoeg samen met de totale duur van de actiepotentiaal. In neuronen heeft dit te maken met het feit dat de Na+-kanalen niet opnieuw kunnen openen, vooraleer de rustpotentiaal is hersteld.

De relatieve refractaire periode volgt ogenblikkelijk op de absolute en is de periode waarbinnen een nieuwe actiepotentiaal wel kan opgewekt worden, op voorwaarde dat de stimulus sterk genoeg is.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[HOME] [CONTACT]