A

B

C

D

E

F

G

H

I

J

K

L

M

N

O

P

Q

R

S

T

U

V

W

X

Y

Z

 

OVERGANGSVORM

Soort die, met betrekking tot zijn eigenschappen, het midden houdt tussen een oud taxon en een daaruit geëvolueerd nieuw taxon.

Tegenwoordig worden (evolutieve) verwantschappen strikt uitgedrukt in zogenaamde cladogrammen (zie ordening), waarin de reële vertakkingen van de evolutionaire lijn worden weergegeven. De verschillende natuurlijke ofwel monofyletische groepen vormen in elkaar geneste eenheden die niet overlappen. Binnen deze vorm van classificeren is er in principe geen sprake meer van overgang tussen categorieën, maar van differentiatie binnen categorieën.

In deze context kunnen overgangsvormen gedefinieerd worden als de verschillende aftakkingen van een cladogram tussen één bepaalde aftakking en de kroongroep, d.i. de groep die aan het uiteinde van het cladogram wordt geplaatst.

Vaak worden de termen 'overgangsvorm' en 'tussenvorm' als synoniemen gebruikt. Nochtans is het wenselijk een onderscheid tussen beide te maken:

  • Een overgangsvorm is morfologisch sterk gelijkend op de voorouder èn op de nakomeling
  • Een tussenvorm (zoals het vogelbekdier) heeft een reeks unieke kenmerken behouden van zijn voorganger, die men niet terugvindt bij verwanten die behoren tot eenzelfde groep (in casude zoogdieren)

Enkele voorbeelden van overgangsvormen

De Archaeopterix:

deze oervogel heeft kenmerken van vogels en van reptielen. Typische vogelkenmerken zijn de veren en de duim die, net als bij ons, tegenover de andere vingers kan worden gezet. Reptielenkenmerken zijn onder andere de bek met tanden, de niet vergroeide lendenwervels en de vorm van de hersenen. Uit de vele reptielenkenmerken blijkt dat Archaeopteryx, en dus ook de moderne vogels, afstamt van de dinosauriërs.

 

Fossiel van Archaeopterix

De ouderdom van de fossielen van Solnhofen (Zuid-Duitsland) is 140 miljoen jaar.

De Ambulocetus:

amfibisch, krokodilachtig zoogdier dat aan de basis staat van de walvisstamboom. In 1994 (en verder in 1996) werd in Pakistan een prachtige vondst gedaan: toen werden de resten van Ambulocetus in een afgelegen gebied ontdekt Met diverse mooie fossielen en één kompleet skelet is onze kennis over de voorouders van de walvissen met sprongen vooruit gegaan.

 

Skelet van Ambulocetus

Ambulocetus leefde zowel in het water als op het land, hij leek op een grote otter, maar zijn jachttechniek was waarschijnlijk ongeveer zoals die van een krokodil. Hij verborg zich onder water aan de rand van een meer of rivier en wachte tot er een dorstige prooi voorbij kwam. Als die zich te dicht bij het water begaf sprong Ambulocetus naar voren, en de enorme kaken deden de rest. Uit de stoffen die in de tanden zijn gevonden weten we dat hij zowel in zoet als zout water heeft geleefd.

 

Reconstructie van Ambulocetus

 

Ambulocetus had geen oren. Hij hoorde met een zogenaamd s-vormig gehoorsbeentje, dit is wat moderne walvissen al hebben, dus dat geeft aan dat de Ambulocetus, hoewel een vroege walvisachtige, al over dat ontwikkelde systeem beschikte. Walvissen hebben dit systeem ontwikkeld om onder water te kunnen horen. Met gewone oren voor boven water hoor je wel geluid onder water, maar je kunt de richting niet bepalen vanwaar het komt. Walvissen hebben dus een aangepast oor zodat ze wel goed kunnen horen onder water.

Het zwemgedrag is bij de "oudere dieren", die al langer bestaan, verschillend van die korter geleden zijn ontstaan. Vissen, amfibieën en reptielen, de "oudere dieren" zwemmen door met hun staart heen en weer golvende bewegingen te maken, en zo door het water te peddelen. De zeezoogdieren, (Met uitzondering van zeehonden en walrussen, die zwemmen ook met heen en weer bewegingen.) daarintegen bewegen hun staart op en neer, hun ruggengraad is veel meer geschikt om golvende bewegingen op en neer te maken dan zijwaarts. Eigenlijk zijn de bewegingen van de ruggengraat van een zwemmende walvis dezelfde als die van een hond of een kat als die hard rent. Dus de manier van zwemmen van walvissen is ontstaan uit het galloperen van hun op het land levende voorouders.

De Tiktaalik:

in 2006 werden in het ijs op het Ellesmere eiland (Canadees noordpoolgebied) de fossiele resten van drie exemplaren van een overgangsvorm tussen vissen en landdieren gevonden. De ontdekkers (Ted Daeschler, Neil Shubin en Farish Jenkins) gaven het de naam Tiktaalik roseae; een naam die is ontleend aan de plaatselijke taal en betekent 'grote vis in ondiep water'.

Fossiel van Tiktaalik roseae

 

De gevonden exemplaren van het dier zijn 365 miljoen jar oud en variëren in lengte van anderhalf tot drie meter. Het dier heeft een driehoekige, afgeplatte kop, zoals een krokodil. Het platte, brede lichaam doet denken aan dat van viervoeters, maar is bedekt met schubben. Echt vissig aan de nieuwe soort zijn verder de primitieve onderkaak en de vinnen. Maar de rest van zijn anatomie wijst erop dat Tiktaalik hard op weg was om het water uit te kruipen.

Zo konden hoofd en schouderpartij onafhankelijk van elkaar bewegen, wat het dier extra bewegingsvrijheid gaf. Bij vissen zijn hoofd en schouder met elkaar verbonden - ze hebben geen nek - en bewegen als een geheel. De ribben van Tiktaalik zijn verder breder dan die van een gemiddelde vis, en liggen dakpansgewijs over elkaar. Daardoor krijgt het lichaam meer stevigheid - handig, als je zonder hulp van de opwaartse kracht van het water wilt kunnen bewegen. Ook de vorm van het middenoor lijkt op die van viervoetige landbewoners.

Maar de allerbelangrijkste aanwijzing dat Tiktaalik voorzichtig aan land moet zijn gegaan, zijn de borstvinnen. Die bestaan uit een serie botjes die ten opzichte van elkaar kunnen bewegen, precies zoals de ledematen van een viervoeter. De onderzoekers onderscheiden primitieve schouder-, elleboog- en polsgewrichten. Het dier kon daardoor waarschijnlijk op zijn borstvinnen steunen. Met licht gebogen schouder en elleboog, en de uiteinden - wat bij ons de vingers zijn - plat op de grond. Zeker kon het op die manier door het ondiepe water scharrelen, maar vermoedelijk ook op het land. Daar wijzen de stevige borstkas en het beweeglijke hoofd op.

Tiktaalik heeft dus zowel trekken van een vis als van een viervoeter.

 

[HOME] [CONTACT]