OSMOREGULATIE
Het min of meer constant houden van de osmotische
waarde van vloeistoffen in het organisme. Vloeistoffen
in een organisme zitten altijd in begrensde ruimtes
en kunnen voorkomen onde de vorm van
- bloed en lymfe
- weefselvloeistof
- cytosol (cytoplasmatische vloeistof)
Water is essentieel voor alle levende organismen.
Deze kunnen aan water geraken door
- te drinken
- door het op te nemen via vast voedsel, waar
het vrij kan in voorkomen of als hydraatwater
- via hun stofwisseling (condensatiereacties)
- rechtstreeks via het celoppervlak door osmose
- ...
Organismen kunnen op diverse manieren hun waterbalans
in evenwicht houden:
Veel eencelligen beschikken
over eigen technieken om hun osmotische balans
in evenwicht te houden. Een mooi voorbeeld is het
pantoffeldiertje (Paramecium sp.). Dit
organisme leeft gewoonlijk in een hypotonisch midden,
waardoor water via de membraan door osmose wordt
opgenomen. Het overtollige water wordt vervolgens
met behulp van kloppende vacuolen actief
uit de cel gepompt. Deze vacuolen zijn blaasjes,
die met radiaal uistralende buisjes in verbinding
staan. Het zijn deze buisjes die hetwater aanvoeren
naar de vacuole. Wanneer deze met water gevuld
is, trekken buisje en blaasje samen, waardoor water
uit de cel wordt geperst.

Paramecium met
kloppende vacuolen
Verder beschikken pantoffeldiertjes
en andere protisten over nog een ander systeem
om de waterbalans te regelen: in hun cytoplasma
zitten zoutkristallen, die zoutionen vrijmaken
wanneer de waterconcentratie in het organisme
te groot wordt. Hierdoor stijgt de osmotische waarde
van het plasma , waardoor verdere wateropname
wordt
tegengegaan. Bij de meeste dieren mogen
er geen grote schommelingen optreden tussen
de interne osmolariteit (aantal mol opgeloste
stof per liter oplossing) en de externe. Zij
zijn stenohalien (van het Grieks stenos
= "nauw" + hals = "zout").
Sommige dieren kunnen zich wel gemakkelijk
aanpassen aan schommelingen in de uitwendige
zoutconcentratie (vb. de zalm). Zij zijn euryhalien
(van het Grieks eurys = "breed" + hals
= "zout").
Waar de celmembraan de grens vormt tussen
de cel en haar directe omgeving, vormen de
huid, longen, kieuwen, nieren e.d. de grens
tussen
het lichaam en de buitenwereld.
Waterverlies kan optreden door verdamping
(bij landdieren), faeces en urine. Via de excretie
worden er ook constant een zeker hoeveelheid
zouten uit het lichaam verwijderd. De osmoregulatie
moet ervoor zorgen dat er een evenwicht tot
stand komt.
We zullen nu enkele voorbeelden geven van
osmoregulatie bij diverse diergroepen.
Zoetwaterdieren:
Zijn
altijd hyperosmotisch: dit betekent dat ze
een hogere osmotische waarde hebben dan hun
omgeving.
Dit resulteert in een neiging tot zoutverlies en
het opnemen van water. Dit wordt gecompenseerd
door
- verdunde urine: veel water uitscheiden
en weinig zouten
- zoutopname: actief proces (kost
energie)
- huid impermeabel houden (slijmlaag)
- niet drinken.
Osmoregulatie bij een zoetwatervis
Zoutwaterdieren:
Je
hebt iso-osmotische dieren waar
de osmotische waarde van de lichaamsvloeistoffen
gelijk is aan die van het zeewater,
(bv bepaalde invertebraten).
Zij moeten dus geen arbeid leveren om hun
osmolariteit op peil te houden. 
De meerderheid van de dieren
zijn echter hypo-osmotisch: ze hebben een
lagere osmotische waarde dan de omgeving. Hierdoor
verliezen ze veel water aan de omgeving en
nemen veel zouten op. Het waterverlies wordt
gecompenseerd door zeer veel te drinken,
terwijl zouten actief via de kieuwen worden
verwijderd (actief transport van chloride-ionen,
waarna natriumionen passief volgen)
Osmoregulatie
bij een zoutwatervis
Zeezoogdieren
kunnen geen water drinken en moeten al
het vocht uit hun voedsel halen.
Landdieren:
Worden voortdurend aan uitdroging
blootgesteld. Waterverlies via de huid
wordt zoveel mogelijk beperkt door
- een waslaagje op het exoskelet
van insecten
- de huisjes van landslakken
- de lagen van dode, gekeratiniseerde
cellen op de opperhuid bij vertebraten
Niettegenstaande deze
voorzieningen verliezen landdieren
heel wat water in urine,
zweet, in hun uitwerpselen en via de
ademhalingsorganen. Zij compenseren
dit waterverlies door veel te drinken
en vochtrijk voedsel op te nemen.
Sommige diersoorten zijn
zeer goed aangepast aan extreme omstandigheden.
Een mooi voorbeeld vormt de kangoeroerat. Dit
diertje dankt zijn naam aan zijn huppelende
maniervan voortdbewegen en komt voor
in de Amerikaanse woestijnen. Het beestje
verliest zo weinig water, dat het 90
% van zijn waterverlies kan compenseren
met water geproduceerd door zijn metabolisme.
Deresterende 10 % wordt gehaald uit
zaden die het eet als voedsel.

[HOME]
[CONTACT] |