A

B

C

D

E

F

G

H

I

J

K

L

M

N

O

P

Q

R

S

T

U

V

W

X

Y

Z

 

ORGAANTRANSPLANTATIE

Ingreep waarbij organen van één individu worden overgebracht op een ander. Dit gebeurt meestal tussen organsimen van dezelfde soort, maar transplantaties tussen individuen van verschillende soort bestaan ook. Deze laatste noemt men xenotransplantaties.

Bij transplantaties tussen organismen van dezelfde soort wordt nog een onderscheid gemaakt tussen

  • autotransplantaties: dit systeem geldt niet voor organen, maar wel voor weefsels. Donor en ontvanger zijn immers hetzelfde individu.

  • allotransplantaties: transplantatie tussen verschillende individuën van dezelfde soort. De meeste transplantaties behoren tot dit type. Men spreekt van een isotransplantatie wanneer het gaat om een transplantatie tussen een eeneiïge tweeling.

Het grote probleem bij transplantaties zijn de afstotingsverschijnselen, die het resultaat zijn van de reactie van het immuunsysteem op het vreemde orgaan. Dit bevat immers vreemde stoffen (antigenen) waartegen vooral T-cellen reageren. T-cellen zijn witte bloedcellen, die een rijpingsproces in de thymus hebben ondergaan. Op hun membraan hebben zij receptoren, waarmee zij op het vreemde antigeen kunnen binden.

Onderstaande figuur toont op welke manier het lichaam van de ontvanger reageert op een vreemd orgaan:

Dendrietcellen verlaten het orgaan van de donor en komen terecht in een lymfeknoop van de ontvanger. Daar stimuleren ze bepaalde T-cellen, waardoor deze cytokinen (signaalstoffen) gaan produceren. Dit resulteert in een massale toename van de T-cellen en extra productie van signaalstoffen. Deze stimuleren B-cellen (een ander type lymfocyten) tot de productie van antistoffen tegen het vreemde antigeen. Geactiveerde T-cellen binden op het vreemde orgaan en gaan dit op verschillende manieren te lijf. Zij kunnen de cellen vernietigen door toxische stoffen of door het mobiliseren van macrofagen of andere witte bloedcellen, die dan de vreemde cellen vernietigen.


Om afstoting te voorkomen passen artsen twee strategieën toe:

  1. matchen, het vergelijken van de weefselkenmerken van het orgaan met die van mogelijke ontvangers
  2. het onderdrukken van het afweersysteem van de ontvanger met medicijnen.

Het matchen gebeurt met het HLA-systeem (human leucocyte antigen). Het laboratorium bepaalt kenmerken van eiwitten op het oppervlak van de afweercellen. Hoe meer ontvanger en donor overeenstemmen, hoe beter.

Een alternatief is het vergelijken van DNA-profielen. Dat kan nu de genetica van het HLA- systeem tot in details bekend is. Het grote voordeel daarvan is dat de typering veel sneller en nauwkeuriger kan.

Mogelijk nog belangrijker is echter de bepaling of de ontvanger antistoffen tegen de HLA-eiwitten van de donor heeft. Is dat het geval dan is een transplantatie uitgesloten; het nieuwe orgaan zou onmiddellijk afgestoten worden. De transplantatie-immunologen beschikken dan ook over een database met alle gegevens over de antistoffen van de mensen die op een orgaan wachten. Voor de zekerheid wordt dit kort voor de operatie door middel van een kruisproef nog eens gecontroleerd.

Medicijnen die de afweer onderdrukken (immunosuppressiva).

De aanzet hier werd gegeven door cyclosporine, een middel waarvan het effect in de jaren '80 werd ontdekt.
Het bindt eiwitten in de T-cel, waardoor deze niet geactiveerd kan worden. Nadeel is wel dat het de activering bij alle T-cellen remt.

Hierdoor is men op zoek gegaan naar middelen die alleen T-cellen blokkeren die een afstoting beginnen. Dit heeft men kunnen bereiken dank zij monoklonale antistoffen.

Andere mogelijkheden zijn het ontwikkelen van stoffen, die enkel geactiveerde T-cellen vernietigen of de T-cellen zodanig beïnvloeden, dat ze het vreemde weefsel 'dulden'.

 

 

[HOME] [CONTACT]