ORDENING
(Taxonomie en systematiek)
Systeem van classificeren, waarbij organismen
gegroepeerd worden volgens bepaalde criteria. Deze
groepen kunnen dan weer volgens andere, gemeenschappelijke
criteria verder gegroepeerd worden tor meer overkoepelende
groepen, enz... Elk van dergelijke groepen vormt
een taxon.
Reeds
van voor onze tijdrekening bestond er een systeem
om
levende
organismen te
classificeren:
zo splitste Aristoteles alles wat leefde op
in twee groepen : planten en dieren. Hij steunde
hierbij op de mogelijkheid tot bewegen, de
manier
van voeden en op groeipatronen.

Aristoteles
(384 - 322 v.c.)
In de vierde eeuw hanteerde St. Augustinus nog
enkele andere criteria : zo splitste hij de dieren
op in nuttige, schadelijke en overbodige (dit
laatste getuigde wel van een gebrek aan eerbied
t.o.v. zijn Schepper).
We moeten wachten tot de periode van de renaissance,
vooraleer de eerste min of meer ernstige pogingen
ondernomen werden om een gestructureerd classificatiesysteem
uit te werken.
Van alle vooropgestelde systemen heeft alleen
het binomiale systeem toegepast door Carl von
Linné (Carolus Linneaeus) het min of meer
weten uit te houden tot op de dag van vandaag.
In zijn Systema Natura (1731) rangschikte
hij planten, dieren en mineralen in klassen,
orden, geslachten en soorten.
Taxonomie en systematiek
De taxonomie is de wetenschap die zich bezighoudt
met de classificatie (het ordenen), de nomenclatuur
(naamgeving) en identificatie (beschrijving)
van levende organismen.
Organismen die bepaalde gemeenschappelijke kenmerken
vertonen worden ondergebracht in een taxon.
Zo behoren walvissen, vleermuizen, paarden en de
mens allemaal tot het taxon "Mammalia"
De moderne manier van classificeren maakt o.m.
gebruik van evolutieve verwantschappen. De studie
van deze evolutieve relaties noemt men de systematiek.
Een systematicus reconstrueert de fylogenese
van organismen; hij gaat na in hoeverre zij evolutief
verwant zijn.
Het begrip soort
Het basistaxon vormt de soort. Hoewel het begrip "soort" aan
de basis ligt van de systematiek en de evolutieleer,
bestaat er geen consensus over de definitie
van dit begrip. Zo heeft men b.v. volgende definities
:
- soorten zijn groepen van onderling kruisende
natuurlijke populaties, die reproductief
geïsoleerd
zijn van andere dergelijke groepen (biologisch
soortbegrip)
- een soort is een enkele evolutielijn bestaande
uit organismen met eenzelfde voorouderlijke
afstamming, die verschilt van gelijkaardige
evolutielijnen en daardoor gekenmerkt is
door haar eigen evolutieve eigenschappen en haar
verloop in de tijd (evolutionair soortbegrip)
- een soort is de kleinste onderscheidbare
groep (cluster) van individuele organismen,
waarin een voorouderlijk patroon van afstamming
voorkomt (fylogenetisch soortbegrip)
Welke criteria hanteren
bij het classificeren?
Wil men organismen ordenen, dan moet men hoe
dan ook gebruik maken van bepaalde criteria.
Als men nu weet, dat de aarde bevolkt wordt door
miljoenen verschillende soorten organismen, dan
ligt het voor de hand, dat dit classificeren
geen sinecure is.
Zo kan men bij het classificeren steunen op:
homologe structuren (zie 'homologie')
Hoewel de bovenste (voorste) ledematen van een
mens, schaap, rob en vleermuis uitwendig sterk
van elkaar verschillen, vertonen ze toch eenzelfde
bouwpatroon.
Bij elk
van
deze dieren vinden we eenzelfde rangschikking van
beenderen, spieren en zenuwen. Deze homologe
structuren doen vermoeden dat deze organismen
via een divergente evolutie van een gemeenschappelijke
voorganger afstammen.
Homologe
structuren primitieve en afgeleide kenmerken
Organismen die veel punten van overeenstemming
vertonen hebben meer kans om nauw met elkaar
verwant te zijn, dan organismen die dit niet
doen. Kenmerken die lang geleden verschenen
en nu nog waarneembaar zijn, noemt men primitieve
kenmerken. Zij komen voor bij veel verschillende
organismen.
Afgeleide kenmerken zijn meer recent tot stand gekomen;
zij wijzen op een meer recente gemeenschappelijke
voorganger. Een afgeleid kenmerk in een groot
taxon kan een primitief kenmerk zijn in een kleiner
taxon. Zo is de aanwezigheid van middenoorbeentjes
een geschikt primitief kenmerk voor de zoogdieren
en een middel om de aftakking van de reptielen
te bepalen. Doordat deze gehoorbeentjes echter
bij alle zoogdieren voorkomen, moet men naar
afgeleide kenmerken zoeken, om de zoogdieren
onderling op te splitsen.
anatomische en fysiologische kenmerken
Bij het onderbrengen van een organisme in een
bepaalde groep, kan een bioloog bepaalde groepen
van criteria vooropstellen. Zo beantwoorden
de reptielen o.m. aan volgende criteria : huid
bedekt
met schubben, de pasgeboren individuen zijn
miniatuurversies van de volwassen exemplaren, zij
ademen via longen,
zij worden inwendig bevrucht; zij hebben geen
intern systeem om hun lichaamstemperatuur op
peil te houden, zij hebben verschillende beenderen
in de onderkaak (zoogdieren hebben er slechts één),
enz.
Dergelijke criteria worden veelvuldig gebruikt
om een organisme in een bepaald taxon onder te
brengen. Het kan echter gebeuren, dat een bepaald
organisme aan hoegenaamd geen enkel van alle
vooropgestelde criteria voldoet. In dit geval
wordt bewezen dat de taxonomie een dynamische
wetenschap is : men voert doodgewoon een nieuw
taxon in. Voor sommige organismen is dit eerder
een zeldzaam gebeuren. Zo heeft men sinds 1900
slechts een viertal nieuwe fyla ingevoerd in
het dierenrijk : de Pogonophora (1914), de Gnathostomulida (1956), de Loricifera (1983) en de Cycliophora (1995).
aminozuursequenties in eiwitten
Een klassiek voorbeeld is hier de studie van
de aminozuursequentie van cytochroom-C, een
eiwit dat deel uitmaakt van de ademhalingsketen
in
de endomembraan van de mitochondriën.

Cytochroom-C Het
cytochroom-C van een mens en een chimpansee
is identiek, terwijl het met dat van een resusaap
in één aminozuur verschilt. Het
cytochroom-C van een hond daarentegen verschilt
reeds in dertien aminozuren met dat van de
mens. Het ligt voor de hand te concluderen,
dat de
graad van overeenkomst in aminozuren een maat
is voor de graad van verwantschap.
nucleotidensequenties in DNA en RNA
Doordat het gros van de erfelijke eigenschappen
van een individu vervat is in zijn DNA, moeten
organismen waarvan het DNA onderling weinig verschilt,
nauw met elkaar verwant zijn. Vandaar dat men
zijn toevlucht heeft genomen tot DNA als merker
voor het evolutieonderzoek.
Een andere recente onderzoeksmethode maakt gebruik
van het bepalen van de nucleotidensequenties
in ribosomaal RNA (de ribosomale genen blijken
slechts weinig aan verandering onderhevig
te zijn), terwijl nog een andere methode zich toespitst
op het onderzoek van mitochondriaal DNA (mitochondriën
erven slechts over langs moederszijde).
Doordat DNA (en RNA) met een zekere gelijkmatigheid
evolueren, beschikken de biologen hier bovendien
over een soort van moleculaire klokken, waarmee
het mogelijk is een fylogenese op te stellen.
Dank zij -en mede door - deze methodes hebben
de taxonomie en de systematiek de laatste 20
jaar een grondige evolutie gekend.
Taxonomie kent verschillende
invalshoeken
Het groeperen van organismen tot taxa en het
opstellen van stambomen kan gebeuren op basis
van verschillende principes :
het fenetisch model
In dit systeem worden organismen gegroepeerd
op basis van hun fenotype (men kijkt uitsluitend
naar morfologische gelijkenis en vormen). De
organismen worden gegroepeerd volgens het aantal
overeenstemmende kenmerken, zonder dat hierbij
wordt nagegaan of het gaat om homologe gelijkenissen.
Met behulp van numerieke methodes (zoals clusteranalyse)
bekomt men zogenaamde fenogrammen
Fenogram
Deze methode is niet zeer populair bij taxonomisten,
maar wordt wel geapprecieerd - voor zover zij
behulpzaam is - bij kwantitatieve vergelijkingen.
het cladistisch model
Hier worden organismen gegroepeerd op basis
van het gemeenschappelijk bezit van afgeleide
kenmerken (synapomorfieën). Cladisten
concentreren zich op het moment waarop één
groep zich afsplitst van een andere. De groep
moet monofyletisch zijn : hij omvat alle nakomelingen
van de door de synapomorfieën geïmpliceerde
hypothetische voorvader. Zo bekomen de cladisten
een zich vertakkend taxonomisch patroon, dat
men een cladogram noemt.

Cladogram
het evolutieve model
Maakt gebruik van afstamming, zowel als gelijkenis,
om een stamboom te construeren die de evolutie
van de beschouwde groep weergeeft :
Alleen wanneer overeenstemmende kenmerken blijken
afkomstig te zijn van een aanwijsbare gemeenschappelijke
voorouder, worden organismen in eenzelfde groep
ondergebracht. Omgekeerd volstaat het feit van
een gemeenschappelijke voorouder te hebben niet
om twee organismen in eenzelfde groep onder te
brengen. Deze systematici gebruiken vaak parafyletische
groepen.
Uit wat voorafgaat blijkt duidelijk dat het
classificeren van organismen steeds het resultaat
zal zijn van een gevolgde methode en van de aard
van de uitgevoerde observaties : de taxonomische
waarnemingen vormen dan ook geen coherent geheel.
Twee rijken? Drie rijken?
Vijf rijken?...
Tot vorige eeuw was het eenvoudig : men volgde
Aristoteles en men bracht alles wat leefde
onder in twee rijken : het plantenrijk en het dierenrijk.
Maar deze eenvoudige indeling bleek nogal onpraktisch
voor heel wat micro-organismen : sommige hadden
hoofdzakelijk plantaardige kenmerken, andere
dan weer dierlijke en nog andere hadden zowel
plantaardige als dierlijke eigenschappen. Vandaar
dat in 1866 Ernst H. Haeckel, een Duits
zoöloog en leerling van Darwin, voorstelde
een derde rijk in te voeren, namelijk de Protista.
Volgens Haeckel hoorden de bacteriën,
de gisten, de wieren en de protozoa thuis in
dit
rijk. Naarmate men echter meer en meer te weten
kwam over de ultrastructuur van micro-organismen
bleek ook deze indeling niet houdbaar.
Door het bestuderen van de celstructuur van
talloze organismen kwam men tot de bevinding
dat men alles wat leefde in feite kon opsplitsen
in twee grote groepen : de prokaryoten en
de eukaryoten. De prokaryoten (pro, vóór;
karyon, kern) hebben geen echte kern. Hun DNA
wordt niet omringd door een kernwand en ligt
vrij in het cytoplasma. Bij de eukaryoten (eu,
echt) daarentegen wordt het DNA wel omgeven
door een membraanstructuur en hebben we te
doen met
een 'echte' kern. In onderstaande tabel zien
we, dat dit zeker niet de enige verschillen
zijn tussen beide groepen
Kenmerk |
Prokaryoot |
Eukaryoot |
| Afmetingen
van de cel |
Gemiddelde
diameter 0,5 - 3 micrometer |
>
3 micrometer |
| Vorm |
Eencellig
of draadvormig |
Eeencellig,
draadvormig of echt meercellig |
| Erfelijk
materiaal |
Cirkelvormig
DNA, ligt vrij in cytoplasma. Geen echte
kern. Geen nucleolus. |
Lineair
DNA, dat in combinatie met bepaalde eiwitten
chromosomen vormt. DNA in kern. Kern bevat
nucleolus |
| Eiwitsynthese |
Met
behulp van 70S-ribosomen. Geen endoplasmatisch
reticulum bij het proces betrokken. |
Met
behulp van 80S-ribosomen (behalve in mitochondriën
en chloroplasten). Ribosomen zitten meestal
vast op het endoplasmatischreticulum. |
| Organellen |
Zeer
weinig organellen. Geen enkel organel begrensd
door een dubbele membraan. Interne membranen
zijn zeldzaam en indien toch aanwezig, spelen
ze een rol bij de fotosynthese en/of de ademhaling. |
Organellen
zijn talrijk. Verschillende organellen worden
begrensd door een dubbele membraan (Vb. mitochondriën,
plastiden, kern). Grote verscheidenheid van
organellen die door één membraan begrensd
worden. |
| Murïne
in celwanden |
Komt
frequent voor |
Afwezig |
Flagellen
(indien aanwezig) |
Zeer
eenvoudig, zonder microtubuli. Zij zijn extra-cellulair
en worden niet omgeven door een plasmamembraan.
Diameter ca. 0,02 micrometer. |
Complexe
structuur. Op doorsnede ziet men de '9 +
2'-schikking van demicrotubuli. Diameter
ca 0,2 micrometer. |
| Mitose |
Neen |
Ja |
| Fotosynthese |
Geen
chloroplasten. Hetproces doet zich wel voor
op membraanstructuren. |
Chloroplasten
met thylakoiedmembranen. |
| Binden
van stikstof |
Sommige
vormen kunnen stikstof binden. |
Geen
enkele vorm kan stikstof binden. |
In 1969 stelde Robert H. Whittaker voor
het toen gangbare classificatiesysteem (protisten-planten-dieren),
op te splitsen in 5 rijken. Hierbij steunde hij
onder meer op de manieren waarop organismen zich
voeden. Zo stelde hij dat er hoofdzakelijk drie
manieren van voeding bestaan, nl.
1° fotosynthese : het proces waarbij
lichtenergie gebruikt wordt om koolstofdioxide
te reduceren tot energierijke sachariden
2° absorptie : de opname van in
water opgeloste voedingsstoffen
3° ingestie : de opname van niet
opgeloste voedseldeeltjes.
Vereenvoudigd zag de classificatie van Whittaker
er als volgt uit:

Vijf-rijken systeem volgens Whittaker
In dit schema vormen de prokaryoten het rijk
der Monera. Tot
voor kort werd dit beschouwd als het meest
primitieve rijk en vertegenwoordigers ervan,
- bacteriën
en cyanobacteriën (de vroegere blauwwieren)
-, werden aanzien als de voorouders van de eukaryoten.
In het rijk der Protista bracht Whittaker
alle eencellige eukaryoten onder. Hier vinden we
organismen die aan fotosynthese
doen (eencellige wiertjes), organismen die
voedsel opnemen door ingestie (zoals de protozoa)
en
organismen die voedingstoffen absorberen (zoals
de slijmzwammen).
De meercellige eukaryoten werden opgesplitst
in 3 rijken : de Plantae (planten),
die aan fotosynthese doen; de Fungi (zwammen),
die bij gebrek aan fotosynthetische pigmenten
hun voedingsstoffen absorberen en de Animalia (dieren)
die voedingsstoffen door ingestie opnemen.
Of vertrekken we liever
van drie domeinen?...
Ondertussen zaten de moleculaire fylogenetici
niet stil. Carl Woese en zijn medewerkers
van de universiteit van Illinois suggereerden
in 1977 dat de eukaryoten niet afkomstig waren
van de prokaryoten, maar dat beide groepen
los van elkaar evolueerden uit een gemeenschappelijke
voorganger. Zij steunden hiervoor op het vergelijkend
onderzoek van ribosomaal RNA. Tot hun verbazing
ontdekten ze niet alleen, dat eukaryoten en
prokaryoten
een verschillend type ribosomaal RNA hadden,
maar dat er sommige bacteriën waren (de
zgn. archaebacteriën) met een derde type
r RNA. Er bestonden dus in feite twee types
bacteriën!
Verder onderzoek bracht aan het licht, dat
deze twee types (archaebacteriën en eubacteriën)
onderling evenveel van elkaar verschillen,
als dat ze verschillen van de eukaryoten. Dit
bracht
Woese ertoe een nieuw classificatiesysteem
voor te stellen, waarin vertrokken werd van drie
superrijken of domeinen :
de Archaea, de Eubacteria en
de Eukaryoten.

Dat deze 3 groepen zouden afstammen van een
gemeenschappelijke voorganger werd nagenoeg bewezen
in 1996 : dankzij een intensieve samenwerking
tussen een grote groep wetenschappers slaagde
men erin het globale genoom van Methanococcus
jannaschii te ontrafelen. M. jannaschii is
een methaanproducerende extremofiel behorende
tot de Archaea, die zich op zijn best voelt
bij 85 °C.
Wanneer men het genoom van M. jannaschii vergelijkt
met bekende genensequenties van andere organismen,
dan komt men tot de vaststelling dat deze extremofiel
enerzijds zowel kenmerken van eukaryoten als
van eubacteriën heeft, maar er anderzijds
ook grondig van verschilt.
Vele Archaea en sommige bacteriën groeien
lustig in omstandigheden zoals die vermoedelijk
kort na het ontstaan van de aarde voorkwamen
: hoge temperaturen en weinig of geen zuurstofgas.
Dit doet de meerderheid van de onderzoekers veronderstellen
dat Archaea en bacteriën kort na het ontstaan
van het leven uit een gemeenschappelijke voorganger
evolueerden. Het feit, dat het genoom van de
Archaea nauwer verwant blijkt te zijn met dit
van de eukaryoten dan met dit van de bacteriën,
doet veronderstellen dat de eukaryoten geëvolueerd
zijn als een aftakking van de Archaea
Enkele verschillen
tussen de drie domeinen ( of 'superrijken')
De celwand van de meeste Archaea
bevat glycoproteïnen,
terwijl die van de bacteriën mureïne bevat. Eukaryotische celwanden (indien aanwezig)
bevatten geen van beide verbindingen, maar kunnen
daarentegen wel cellulose of chitine bevatten.
De lipiden van de Archaea zijn werkelijk uniek
: zij bevatten etherbindingen, terwijl de lipiden van bacteriën
en eukaryoten ontstaan door esterbindingen tussen
glycerol en de vetzuren.
Ook het enzym RNA-polymerase verschilt tussen de vertegenwoordigers
van de drie domeinen :
- de bacteriën hebben slechts één
type RNA-polymerase dat bestaat uit 4 verschillende
subeenheden.
- de Archaea hebben minstens twee types RNA-polymerase
en deze enzymen tellen 8 tot 10 verschillende
peptiden
- eukaryotische cellen bevatten minstens 3 types
RNA-polymerase waarvan het type dat het
meest voorkomt 10 tot 12 polypeptiden telt.
De synthese van proteïnen gebeurt bij de
bacteriën en de Archaea met behulp van 70S-ribosomen,
terwijl eukaryotische ribosomen groter zijn.
Alle eiwitketens bij bacteriën starten met
het aminozuur formylmethionine, daar waar dit
bij Archaea en eukaryoten methionine is. Inhibitoren
van de eiwitsynthese bij bacteriën hebben
gewoonlijk geen invloed op dit proces bij de
vertegenwoordigers van de andere twee domeinen.
Het toxine dat difterie veroorzaakt verhindert
dan weer de eiwitsynthese bij alle organismen,
behalve bij de bacteriën.
De endosymbionttheorie
Jaren terug waren diverse onderzoekers reeds
geïntrigeerd door het feit dat mitochondriën
en chloroplasten hun eigen DNA en ribosomen
hadden. Deze ontdekking werd voor het eerst
gepubliceerd
in 1963 door Ris en W.S. Plaut en
veroorzaakte heel wat beroering onder de (micro)biologen.
Stel je voor : er kwam bij eukaryoten ook DNA
voor buiten de kern! (Zo maakte Boris Ephrussi,
een Russische geneticus die in Frankrijk werkte,
volgende grap : "There are two kinds of genetics
: "nuclear" and "unclear").
Wie hierover geen grapjes maakte was één
van de studenten van Ris : Lynn Margulis.
Zij wist dat rond de eeuwwisseling de Russische
bioloog Mereschkowsky de hypothese
had geopperd dat planten- en dierlijke cellen
ontstaan
waren uit de symbiose tussen bepaalde types
bacteriën.
Bovendien besefte zij, dat door het gebruik
van de elektronenmicroscoop en door recente
inzichten
in de moleculaire biologie, vermelde hypothese
wel eens kon bewezen worden.
Zij publiceerde voor het eerst haar bevindingen
als reactie op een artikel van de Britse kristallograaf
J.D. Bernall. In dit artikel stond een lijst
van belangrijke onopgeloste biologische problemen
en één van deze problemen was het
ontstaan van de eukaryote cel. Volgens Lynn Margulis
was het antwoord op deze vraag eenvoudig : cellen
met een kern evolueerden uit de versmelting van
twee of meerdere soorten kernloze bacteriecellen
Zo zouden de chloroplasten ontstaan zijn uit
cyanobacteriën en mitochondriën uit
bepaalde purperbacteriën.

Endosymbionttheorie
In 1970 zette zij voorhet eerst in"The Origin
of Eukaryotic Cells" haar argumenten op
een rijtje :
- chloroplasten en mitochondriën hebben
hun eigen cirkelvormig DNA (zoals prokaryoten)
en hun eigen ribosomen (waarvan de samenstelling
goed overeenkomt met die van de prokaryoten)
- zij hebben een systeem waardoor ze op beperket
schaal eiwitten kunnen maken (zij bezitten
o.a. t-RNA moleculen)
- mitochondriën en chloroplasten vermenigvuldigen
zich onafhankelijk van de cel waarin ze
voorkomen
- mitochondriën en chloroplasten zijn net
als bacteriën gevoelig voor bepaalde antibiotica
- mitochondriën en chloroplasten worden
omgeven door een dubbele membraan. De
buitenste membraan zou afkomstig zijn van een
instulping
van de membraan van de waardcel en de
binnenste zou een overblijfsel zijn van de plasmamembraan
van de endosymbiont.
Zoals vaak het geval is in de wetenschappelijke
wereld stuitte haar theorie in het begin op heel
wat verzet.Het zou dan ook nog verschillende
jaren duren vooraleer haar theorie algemeen aanvaard
zou worden. In 1981 publiceerde zij "Symbiosis
in Cell Evolution", een nieuwe versie van
de thesis die zij in haar eerste boek had verdedigd.
De uiteindelijke erkenning kwam er in 1983 toen
zij verkozen werd als lid van The National Academy
of Sciences.
Ondertussen blijft ze verder voor beroering
zorgen met haar theorie, dat flagellen en cilia
van eukaryoten ontstaan zijn uit een endosymbiose
met spirocheten. Deze symbiontische spirocheten
zouden ook aan de basis liggen van de microtubuli,
die een rol spelen in de verdeling van het erfelijk
materiaal tijdens de mitose. Wordt vervolgd ...
Enkele recente strekkingen
in de classificatie bij de eukaryoten
Naarmate nieuwe gegevens aan het licht komen
gebeuren kleine of grotere verschuivingen in
het classificatiesysteem. Hieronder volgt een
indeling die vooral steunt op recente moleculaire
studies.
Grosso modo kunnen we de eukaryoten opsplitsen
in twee groepen : de amitochondriale en de mitochondriale
eukaryoten. De eerste groep omvat alle
eukaryoten zonder mitochondriën (en die
ook nooit in hun wordingsgeschiedenis mitochondriën
hebben gehad). Hiertoe behoorden waarschijnlijk
de eerste eukaryoten die aanleiding gaven tot
heel wat diverse takken aan de stamboom van
het leven. Vele uitlopers van deze takken worden
ingenomen door diverse amoeben en flagellaten.
Later in de evolutie ontstonden (eenmalig?)
de mitochondriale eukaryoten (volgens het endosymbiontprincipe)
en tenslotte de kruin van de stamboom met de
zgn. "kroon"eukaryoten. Deze omvatten o.m.
volgende taxa : de Metazoa (dieren), de Fungi (zwammen),
de Plantae (groenwieren en landplanten),
de Alveolates (dinoflagellaten, sporozoa, ciliaten, enz.)
en de Stramenopiles (bruinwieren, diatomeeën, chrysofyten,
oomyceten, enz.).
Waarschijnlijk zullen deze laatste twee taxa
wel enkele vraagtekens oproepen. Zij werden
ingevoerd door zgn. 'structuralisten' : deze biologen
splitsten
de mitochondriale protisten op in twee groepen,
hierbij onder meer steunend op het uitzicht
van de mitochondriale cristae. Zo groepeerden ze
de planten, dieren en zwammen in één
groep, omdat hun mitochondriën afgeplatte
cistae vertonen, terwijl de resterende
organismen met buisvormige
cristae ondergebracht werden in de tweede
groep.
Het is tot deze laatste groep dat de Alveolates
en de Stramenopiles behoren. De Alveolates vormen
een relatief recent taxon (1991 - Gajadhar e.a.)
dat naast de vermelde vorm van de cristae gekenmerkt
wordt door de aanwezigheid van een reeks blaasjes
(alveoli) onder het celoppervlak.
De Straminopiles hebben ook tubulaire cristae
en ze danken hun naam aan de aanwezigheid
van een structuur met een speciaal type haartjes.
Van sommige vertegenwoordigers is geweten
(diatomeeën)
of denkt men (opalinen), dat ze deze structuur
in de evolutie zijn kwijtgespeeld.
Het creëren van deze groep was het gevolg
van moleculaire studies, die aantoonden dat een
reeks wieren (de Chrysophyta) verwant waren met
andere organismen zoals de oömyceten en
bepaalde heterotrofe flagellaten.
Eén
van de moderne classificatiesytemen,
waar men vertrekt van twee superrijken (Pro-
en Eukarya)
en van zeven rijken.
Verdere onderverdelingen
Domeinen —> Rijken —> Fyla —> Klassen —> Orden
—> Families —> Geslachten —> Soorten
Elk van deze taxa kan nog verder onderverdeeld
worden in subtaxa.
Een voorbeeld : taxonomie
van de huidige mens
| Rang |
Naam |
|
| Domein |
Eukarya |
| Rijk |
Animalia |
| Fylum |
Chordata |
| Subfylum |
Vertebrata |
| Klasse |
Mammalia |
| Subklasse |
Eutheria |
| Orde |
Primaten |
| Suborde |
Haplorrhini |
| Familie |
Hominidae |
| Subfamilie |
Homininae |
| Geslacht |
Homo |
| Soort |
H.
sapies |
Besluit
Wanneer men er de literatuur op naslaat beseft
men dat er niets zo aan verandering onderhevig
is (en discussies oproept) als de taxonomie en
de systematiek. Het is zeker geen voer voor personen
die houden van absolute zekerheden, maar het
is wel een mooi onderwerp voor echte puzzelaars
en voor mensen die er niet voor terugschrikken
diverse denkpistes te bewandelen.
[HOME]
[CONTACT] |