OPPPERVLAKTEWATER
Water op aarde, waarvan het oppervlak in rechtstreeks
contact staat met de atmosfeer. Dit is niet het
geval met grondwater.

Het
volume van al het oppervlaktewater zou zeker
geen groter volume innemen dan de blauwe bol
op het aardoppervlak...
Oppervlaktewateren kunnen natuurlijke of kunstmatige
wateren zijn.
Bij de natuurlijke onderscheiden
we:
- oceanen: min of meer zelfstandige
wereldzeeën tussen de continenten; kan meerdere
(kleinere) zeeën bevatten. Het woord oceaan
komt van het Griekse Okeanos, wat in de mythologie
de personificatie van de wereldzee is.
De oceanen en zeeën nemen ongeveer 2/3 van
het oppervlak van de aarde in, terwijl het land
1/3 van het oppervlak bestrijkt.
- zeeën (inclusief binnenzeeën):
een zee is een grote hoeveelheid zout water,
die in verbinding
staat met een andere zee of met een oceaan,
die ook als zee kan worden aangeduid, zij het
dat een
oceaan een zelfstandig geheel vormt met een
eigen circulatie (zeestroom).
Een zee daarentegen, heeft
een bodem die bij een continent behoort (Continentaal
Plat). Als de verbinding tussen zeeën
smal is en uit een of meer zeestraten bestaat,
of als
de zee volledig omgeven is doorland, spreekt
men van een binnenzee.
Zeeën worden gevoed door rivieren en door
regenwater.
- meren en plassen: een meer
(afhankelijk van de grootte soms: plas) is een
door land omringde
watervlakte, meestal met een 'voedende' en
een 'afwaterende' rivier. Het laatste is echter
geen
regel.
- vennen: Een ven is een redelijk
klein, meestal rond meer. Meestal is het gelegen
in een bos of een heidegebied. Een ven kan
ontstaan
in een pingoruïne of in een verstuivingskuil
Een ven dat ontstaan is op de plek waar vroeger
een pingo (ijslens) aanwezig was, is meestal
diep (alhoewel het ven verland kan zijn). Een
ven ontstaan
als
gevolg van het verstuiven van het zand is meestal
relatief ondiep. Geologisch onderzoek kan aantonen
hoe het ven ontstaan is.
De vennen zijn ontstaan in de ijstijd, maar
pas na afloop van de ijstijd (in het Holoceen)
zijn
ze met water gevuld geraakt.
- kolken of wielen: langs rivier-
en zeedijken zijn kolken de overblijfsels van
dijkdoorbraken. Door
het rondkolkende water zijn diepe gaten ontstaan,
nu vaak kleine, diepe poelen. Bij het doorbreken
was de kracht van het water vaak zo groot,
dat de dijk niet meer te dichten was. Om de kolk
werd
dan een nieuw stuk dijk gebouwd.
- rivieren en beken: rivieren
zijn min of meer natuurlijke waterstromen.
We onderscheiden oceanische rivieren
(ook "stroom" genoemd) die in een zee of oceaan
eindigen, en continentale rivieren die in een
meer, een moeras
of woestijn eindigen. Een beek is de aanduiding
voor een kleine rivier. Tussen beek en rivier
ligt meestal een bijrivier.
Elke rivier ligt in een stroomgebied. Dat is
het totale omringende gebied waarbinnen al
het overtollige
water via die ene rivier wordt afgevoerd. Bijvoorbeeld:
het stroomgebied van de Schelde: al het water
van alle bijrivieren van de Schelde. De scheidingslijn
tussen twee stroomgebieden wordt de waterscheiding genoemd.
De bepaling van de linker- en de rechteroever
van een rivier gebeurt vanaf de bron (in de
richting van de stroming) van de rivier gezien.
Kunstmatig zijn:
- stuwmeren: een kunstmatig
stuwmeer ontstaat doordat mensen een stuwdam in
een rivier plaatsen die het water tegenhoudt.
- aquaducten: is
een brug voor een waterloop (rivier, kanaal)
of waterleiding
- kanalen of vaarten:
zijn door de mens (al dan niet met machines)
gegraven vaarwegen, meestal in een rechte lijn
aangelegd
- grachten e.d.:
een gracht (ook singel) is een gegraven greppel
met
water, die hoofdzakelijk voorkomt in oude steden.
Het woord komt van graft, waarin het woord
graven duidelijk te herkennen is
- sloten: een sloot
is een watergang die gebruikt
wordt om land in percelen te verdelen
- greppels: zijn
lange geulen in akkers en weilanden. Ze worden
gebruikt
om overtollig water af te voeren naar de sloot
 [HOME]
[CONTACT] |