A

B

C

D

E

F

G

H

I

J

K

L

M

N

O

P

Q

R

S

T

U

V

W

X

Y

Z

 

OPPPERHUID PLANT

De opperhuid van de plant is de buitenste cellaag van het primaire plantenlichaam. Bladeren, kruidachtige stengels en bloemblaadjes behouden gewoonlijk gans hun levensduur hun epidermis (van het Grieks epi = "op" + derma = "huid".

Houtachtige stammen behouden hun opperhuid voor één tot meerdere jaren, waarna deze vervangen wordt door een zg. periderm (bestaande uit kurkweefsel, kurkcambium en vulweefsel). Bij wortels heeft het epidermis slechts een korte levensduur.

Opperhuid van een blad

De opperhuid heeft verschillende taken, zoals

  • het bieden van bescherming tegen diverse chemische en fysische invloeden, het beschermen tegen vraat en tegen parasieten
  • het beschermen van de plant tegen uitdroging
  • het deelnemen aan gasuitwisseleingen, het afgeven van stofwisselingsproducten en de opname van water en mineralen
  • het opvangen van lichtprikkels en van mechanische stimuli, die helpen om signalen uit de omgeving om te zetten voor de plant.

Om dit alles mogelijk te maken beschikt de opperhuid over verschillende celtypes, die aangepast zijn aan specifieke taken. We onderscheiden drie hoofdtypes:

  1. de 'gewone' opperhuidcellen
  2. de cellen van de stomacomplexen
  3. de trichomen (van het Grieks trichoma = "haar)

De 'gewone' opperhuidcellen

Dit zijn de minst gespecialiseerde cellen, die de overgrote meerderheid van de opperhuidcellen uitmaken. Wanneer men ze van boven bekijkt kunnen ze langwerpig zijn ofwel veelhoekig. Hun wanden zijn vaak gegolfd.
Langwerpige cellen vindt men meestal in plantendelen, die zelf langwerpig zijn zoals stengels, bladnerven of bladeren van eenzaadlobbigen.

 
Opperhuidcellen van vliesje van ajuinrok
 
Opperhuidcellen van een paarse slavariëteit

Meestal bestaat de opperhuid uit slechts één cellaag, hoewel meerlagige epidermissen bekend zijn (bv. bij Ficus, Piperaceae, Begoniaceae...)

De celwand van een opperhuidcel van een blad, die naar de buitenkant gekeerd is, is vaak dikker dan de andere celwanden. Dit is vooral goed te zien bij de opperhuid van naalden van coniferen en bij planten die voorkomen in een droge omgeving (xerofyten).

 

 

Zoals we op bovenstaande figuur kunnen zien zijn de opperhuidcellen bedekt met een waterafstotend laagje: de cuticula. Dit laagje is doordrenkt van en bedekt met wasachtige substanties, waarvan cutine het best gekend is.

De bladeren van de heilige lotus (Nelumbo nucifera) zijn gekend om hun uitgesproken waterafstotende en zelfreinigende eigenschappen. Dit heeft de wetenschappers op het pad gezet om speciale waterafstotende producten te maken voor textielvezels.

 

Waterdruppel op lotusblad

 

De cellen van de stomacomplexen

Om gasuitwisselingen met onderliggende weefsels mogelijk te maken, is het nodig dat de opperhuid openingen vertoont. Deze huidmondjes (stomata, van het Grieks stoma = "mond") zijn een onderdeel van een zg. stomacomplex, bestaande uit twee bladgroen bevattende sluitcellen en twee tot vier helpstercellen.

Volgens de onstandigheden openen of sluiten de sluitcellen het huidmondje, waardoor de gasuitwiselingen geregeld worden. Het aantal stomata kan sterk variëren naargelang de plantensoort en het beschouwde onderdeel:

 
Bladstand en plant
Stomata (aantal/cm2)
  Bovenepidermis Onderepidermis
Horizontale bladstand
Appel 0 38 760
Boon 4 031 24 806
Eik 0 58 140
Pompoen 2,791 27 132
Vertikale bladstand
Maïs 9 800 10 800
Den 12 000 12 000
Ui 17 500 17 500

 

De trichomen

Zijn epidermale aanhangsels die sterk variëren in vorm, structuur en functie. Zij ondersteunen en beschermen het blad, vormen kliertjes of dienen voor wateropname (wortelhaartjes). Zij kunnen één- of meercellig zijn.

 
Salvia sclarea L.
 
Kliertrichomen van Salvia sclarea L.

 
Coleus sp.
 
Trichomen van Coleus sp.

 

 

[HOME] [CONTACT]