OÖGENESE
Proces waarbij een eicel gevormd wordt, vertrekkend
van eicelmoedercellen (oögonia).
Wat nu volgt is
een beschrijving van het fenomeen bij de mens.
De oögenese begint reeds
tijdens de embryonale ontwikkeling
wanneer
tussen de 15de en de 28ste zwangeschapsweek moedercellen
(oögonia) sterk in aantal toenemen
door mitoses en
de ermee gepaard gaande celdelingen. Een deel van
deze oögonia begint aan een meiose,
maar dit proces stopt reeds tijdens de profase
van meiose I. Deze cellen noemt men primaire
oöcyten.
Tegen het einde van de embryonale ontwikkeling
zijn alle primaire oöcyten omringd door een laagje
afgevlakte follikelcellen
en het geheel vormt een primordiaal
follikel.
Eerste
fase van de oögenese.
Deze gaat door tijdens de
embryonale ontwikkeling.
Op het ogenblik van de geboorte hebben we in feite
twee structuren, die niet synchroon met elkaar
zullen evolueren. Enerzijds hebben we de primaire
oöcyten en anderzijds het follikelepitheel.
Dit laatste kan zich verder ontwikkelen, zonder
dat er iets met de primaire oöcyt gebeurt.
Het overgrote deel van de follikels blijft in
het primordiaal stadium tot aan de puberteit. Onder
hormonale invloed beginnen verscheidene primordiale
follikels zich te ontwikkelen. De follikelcellen
worden groter en we spreken nu van een primair
follikel.
A = primordiaal follikel
B = primair follikel
1 = primaire oöcyt
2 = follikelcellen
Wanneer het primair follikel niet afsterft ontstaan
meerdere lagen follikelcellen (het stratum
granulosum bestaande uit granulosacellen).
Verder vormt zich tussen deze granulosacellen
en de primaire
oöcyt een glycoproteïnelaag: de zona
pellucida. De primaire oöcyt neemt ondertussen
in volume toe. Het geheel wordt een secundair
follikel. Rondom nestelen zich zgn. thecacellen.
Secundair follikel
1
= primaire oöcyt
2 = zona pellucida
3 = granulosacellen
4 = thecacellen
Als ook het secundair follikel overleeft gaat
er zich tussen de granulosacellen een met vocht
gevulde ruimte vormen. De oöcyt ligt aan één
kant, omringd door granulosacellen. De thecacellen
hebben
zich gedifferentieerd tot twee types bindweefsel:
de theca interna, met grote lipidenrijke
cellen, en
de theca
externa.
Onder hormonale invloed ondergaat in één follikel
(het zg. dominant follikel) de primaire
ovocyt (die verkeerde in profase van meiose
I)
het verder verloop van de meiose, en dit tot aan
de metafase van meiose II. We bekomen een haploïde
secundaire oöcyt en een eerste poollichaampje.
We hebben nu
te doen met een tertiair
follikel, dat verder uitgroeit tot een zg.
Graafs follikel. Het is dit follikel
dat bij de ovulatie zal
openbarsten, waarbij de secundaire ovocyt (in
metafase II van de meiose) vrijkomt.
Tertiair
follikel |
| 1
= secundaire oöcyt |
5
= theca externa |
| 2
= zona pellucida |
6
= follikelvocht |
| 3
= granulosacellen |
7
= granulosacellen |
| 4
= theca interna |
8
= scheidingslaag tussen thecacellen en granulosacellen |
Het is maar wanneer de vrijgekomen
secundaire oöcyt bevrucht wordt, dat de laatste
fasen van meiose II doorlopen worden.
Hieronder heb je een overzicht van
gans het proces:
Overzicht
van de oögenese
[HOME]
[CONTACT] |