A

B

C

D

E

F

G

H

I

J

K

L

M

N

O

P

Q

R

S

T

U

V

W

X

Y

Z

 

OÖCYT

Zowel de primaire als de secundaire oöcyt vormen tussenstappen in de ontwikkeling van de eicel (de oögenese)

De primaire oöcyt

Tijdens de embryonale ontwikkeling ondergaan moedercellen in de eierstokken van het vrouwelijk embryo (oögonia) voortdurend mitoses, waardoor talrijke dochtercellen gevormd worden. Sommige van deze dochtercellen zullen het begin van de meiose ondergaan, maar blijven wel steken in het diploteen van de profase I. Deze dochtercellen noemt men primaire oöcyten.

Tijdens de omvorming van oögonia tot primaire oöcyten ondergaan de cellen een structuurverandering, waardoor ze tegen het einde van profase I omringd zijn met een laagje afgevlakte follikelcellen. Het geheel noemt men een primordiaal follikel.

 

De secundaire oöcyt

Vanaf de puberteit groeit er periodisch een primordiaal follikel uit tot een groot, met vocht gevuld blaasje: een Graafs follikel. Onder invloed van het luteïniserend hormoon (LH) kent de primaire oöcyt nu het verder verloop van de meiose I. Dit resulteert in twee haploïde dochtercellen; de secundaire oöcyt en het eerste poollichaampje. Van deze twee krijgt de secundaire oöcyt nagenoeg al het cytoplasma mee, terwijl het poollichaampje verder geen rol speelt.

De secundaire oöcyt ondergaat nu meiose II, maar weer is de deling niet volledig. Ze blijft steken in de metafase van meiose II. Het is in dit stadium dat de ovocyt vrijkomt (ovulatie). Hetgeen meestal een "rijpe eicel" genoemd wordt is dus in wezen een secundaire ovocyt, in metafase II van de meiose. Het is maar wanneer deze oöcyt bevrucht wordt, dat de meiose zicht voltrekt.

 

1. Buikholte
2. Follikelvocht
3. Secundaire ovocyt + stralenkrans
4. Follikelcellen

5. Secundaire ovocyt in metafase II van de meiose
6. Stralenkrans
7. Eierstokweefsel

 

 

[HOME] [CONTACT]