ONTGIFTING
= omzetting van giftige (toxische) stoffen
in niet giftige.
Tot toxische stoffen worden
alle stoffen gerekend die een negatieve invloed
hebben op de werking
van cellen en organen. Bij toxines denken we in
eerste instantie aan exogene (uitwendige)
toxines, afkomstig uit een vervuild milieu en uit
een op onverantwoorde wijze door de industriële
landbouw geproduceerde voeding. Maar we worden
ook belast met endogene (inwendige) toxines
die door het lichaam, als onderdeel van het metabolisme
(stofwisseling) zelf worden gemaakt. Vooral de
darmen zijn een grote bron van toxines, vooral
als de verschillende processen in de darmen niet
goed verlopen.
Exogene toxines
De bronnen van exogene toxines laten zich als
volgt indelen, de belangrijkste bovenaan:
- Voeding
bevat bestrijdingsmiddelen en diergeneesmiddelen
- Milieu:
water, lucht en bodemvervuiling
- Genotsmiddelen:
roken, alcohol, drugs, koffie en thee (behalve
groene en kruidenthee)
- Reguliere geneeskunde:
medicijnen, bestraling en chemotherapie
- Lifestyle:
luchtverfrisser, insectendodendedampen, cosmetica
en sommige vermageringsproducten.
Ziekten zoals kanker, hart en vaatziekten
en diabetes zijn de laatste 100 jaar
explosief in incidentie (aantal gevallen)
toegenomen. Deze toename
heeft bijna
zeker te maken met de toenemende milieuverontreiniging en de
verarming van ons voedsel waarin bovendien
nog grote hoeveelheden landbouwgiften
terecht
komen.
Endogene toxines
Het lichaam produceert zelf ook veel toxines.
Een groot gedeelte van deze toxines worden door
de darmen geproduceerd. Het celmetabolisme produceert
ook toxines, vooral vrije radicalen.
De darm vormt een grote bron van toxines omdat
de darm eigenlijk de “buitenkant” van
ons lichaam is en bovendien samen met de voeding veel toxines te verwerken
krijgt. Het totale darmoppervlak van een volwassen persoon bedraagt 300 vierkante
meter. Het is daarom niet vreemd dat 80% van de B-cellen (onderdeel van het
immuunsysteem) die o.a. verantwoordelijk zijn voor de productie van immuunglobuline
(gebruikt voor het merken van ziekmakers), in de darmen te vinden zijn.
Intestinale permeabiliteit (lekke darm syndroom)
is een van de grootste bronnen van toxines vanuit
de darmen. Bij een intestinale permeabiliteit zijn
de tight junctions (eiwit complexen die de darmcellen
bijeen houden) permeabel geworden zodat er macromoleculen,
afkomstig van niet geheel verteerd voedsel, in
de bloedbaan terecht kunnen komen, waar ze o.a.
een immuunrespons veroorzaken en als toxische belasting
door het lichaam worden gezien.
De ontgifting gebeurt in ons lichaam vooral
| Ontgiftiging
via de lever |
De lever is in staat om toxines
onschadelijk te maken door middel van verschillende
processen.
Toxines worden onschadelijk gemaakt door
ze van structuur te veranderen (bio-transformatie,
fase I) of door
ze te binden (conjugatie, fase II) aan
andere stoffen waardoor ze vetoplosbaar (uitscheiding
via gal) of wateroplosbaar (uitscheiding
via urine) worden gemaakt.
De lever breekt niet alleen toxines af maar zorgt
er ook voor dat bepaalde hormonen worden afgebroken
(gedeactiveerd). Het ontgiftingsproces in de
lever (maar ook
in de darmen) verloopt in twee fasen
Fase I ontgifting: biotransformatie
In
fase I van de ontgifting worden toxines door een
groep enzymen die behoren tot de groep cytochroom
P450 onschadelijk gemaakt. Een deel van
de toxines kan
in zijn geheel worden afgebroken, andere worden omgezet een wateroplosbare of
vetoplosbare vorm zodat ze door de nieren of via de gal kunnen worden uitgescheiden.
Maar er zijn ook toxines die niet op deze manier kunnen worden verwerkt. Deze
toxines worden qua structuur zo veranderd (bio-transformatie) dat zij door de
volgende fase II goed kunnen worden afgebroken. Helaas is deze tussenvorm vele
malen giftiger dan de oorspronkelijke toxine. Een juiste balans tussen de werking
van Fase I en II is daarom heel belangrijk.
Als men aan veel gifstoffen bloot
staat, is fase I actiever dan normaal. Als fase
II van de ontgifting op normale snelheid loopt
of iets te traag is dan zullen de in Fase I gevormde
supertoxines
(de tussenvorm) in het lichaam achter blijven en nog meer schade aanrichten dan
de oorspronkelijke toxines. In zo’n geval spreekt men van een pathologische
(ziekmakende) ontgiften.
Fase I produceert door het werkingsmechanisme veel vrije radicalen. Het is daarom
belangrijk om te zorgen voor voldoende anti-oxidanten: vitamine B, C en E, etc.
Glutathion is de belangrijkste component in de lever bij het onschadelijk maken
van virje radicalen.
De kern van het ontgiftingsproces van fase I wordt
gevormd door de cytochroom P450 enzymen.
Deze enzymen behoren tot tien verschillende
cytochroomgroepen
en zijn in 35 verschillende genen geprogrammeerd. De ontgiftingscapaciteit
van fase I is daardoor duidelijk erfelijk bepaald.
Verschillende toxines worden door verschillende cytochroom P450 enzymen bewerkt.
Zo zitten er enzymen in het complex die actief
zijn bij het deactiveren van hormonen; weer andere worden gebruikt
voor de afbraak van toxines
die ontstaan bij het eten van de bruine korst van gebakken vlees...
Fase II
ontgifting: conjugatie
Fase II in het ontgiftingsproces probeert gifstoffen
te neutraliseren, of te binden (conjugatie) aan andere stoffen waardoor de
gifstoffen oplosbaar
worden
en door de nieren of met de gal uitgescheiden kunnen worden. Vetoplosbare
toxines die via de gal worden uitgescheiden leggen een grotere weg af voordat
ze in
de ontlasting terecht komen dan water oplosbare toxines die via de nieren
en de
urine het lichaam verlaten. Dat is een nadeel van ontgiften via de gal.
Fase
II kent in totaal zeven mogelijkheden van conjugatie: glutathion conjugatie,
methylering, sulfatie, sulfoxidatie, acetylering en glucorondatie. Een
aantal toxines wordt via slechts een van deze paden
gebonden, andere door meerderen.
Voor conjugatie is veel bio-energie (ATP) noodzakelijk. Indien de mitochondria
in de levercellen te weinig ATP produceren, zal Fase II onvoldoende functioneren.
Zoals reeds eerder is uitgelegd ontstaat er dan een situatie waar de supertoxische
tussenvorm,
geproduceerd door fase I, in het lichaam achter blijft en zo het lichaam
vergiftigd.
Glutathion conjugatie
De primaire ontgifting van fase II verloopt via glutathion conjugatie.
Veel toxische stoffen, waaronder zware metalen, pesticide en chemische
oplosmiddelen
zijn allen
in vet oplosbaar, waardoor ze moeilijk zijn uit te scheiden. Uitscheiding
via de gal van vet oplosbare toxines heeft als nadeel dat ze opnieuw door
het lichaam
getransporteerd moeten worden. Glutathion conjugatie maakt vet oplosbare
toxines water oplosbaar waardoor ze via de nieren en de urine uit gescheiden
kunnen
worden.
Aminozuur conjugatie
Via deze ontgiftingsmogelijkheid worden toxines
onschadelijk gemaakt door een binding met een
aminozuur. Daarna kunnen zij in een water oplosbare
vorm door
de nieren uitgescheiden worden. De aminozuren, glycine, taurine, glutamine,
arginine en ornithine worden hiervoor gebruikt. Het meest effectieve aminozuur
is glycine.
Een lage inname van eiwitten (eiwitten worden afgebroken in aminozuren)
en een tekort aan vitamine B6 kunnen dit conjugatie proces verstoren.
Methylering
Bij methylering wordt er een methylgroep aan een
toxine gebonden. S-adenosylmethionine (SAMe)
treedt vaak op als methyldonor (is in staat een
methylgroep af te
staan). SAMe wordt door het lichaam gemaakt uit B6, B12 en Betaïne.
Methylering wordt ook als ontgiftingsmechanisme in de hersenen gebruikt.
Sulfatie
Sulfatie is het binden van toxinen aan zwavelhoudende
componenten. Sulfatieprocessen vinden onder meer
plaats bij de ontgifting van een aantal geneesmiddelen,
additieven, zware metalen en toxinen die door een onevenwichtige darmflora
worden gevormd.
Sulfatie zorgt er voor dat toxinen wateroplosbaar worden gemaakt, waardoor
deze gemakkelijker kunnen worden uitgescheiden. Voorts vindt sulfatie plaats
bij de
uitscheiding van normale lichaamsstoffen zoals steroïde hormonen (oestrogenen),
schildklierhormonen en neurotransmitters. Een groot aantal factoren beïnvloedt
de sulfatie. Sulfatie wordt onder meer geremd door tekorten aan methionine,
cysteïne
of molybdeen en overschotten van molybdeen of vitamine B6 (> 100 mg
per dag).
Acetylering
Conjugatie aan Acetyl-CoA vindt onder meer plaats
bij het elimineren van sulfonamiden zoals bepaalde
soorten antibiotica. De mogelijkheden tot acetylering
zijn in
grote mate erfelijk bepaald. Dit verklaart de grote verschillen in individuele
reacties op dergelijke medicijnen. Er is nog niet veel bekend over de mogelijkheid
om acetylering te stimuleren. Wel is bekend dat deze afhankelijk is van
vitamine B1, B5 en C.
Glucuronisatie
Glucuronisatie, het binden van toxinen aan glucuronzuur,
is afhankelijk van het enzym UDP-glucuronyl transferase
(UDPGT). Glucuronisatie wordt
door het
lichaam
onder meer gebruikt om medicijnen af te breken. Salicylzuurverbindingen,
menthol, vanilline, benzoaten, hormonen en bilirubine (Gilbert's syndroom)
zijn voorbeelden
van stoffen die langs deze weg onschadelijk gemaakt kunnen worden. Een
gelige huidskleur en gelig oogwit kunnen duiden op onvoldoende glucuronisatie
activiteit.
D-limoneen (citrusvruchten behalve grapefruit, dillezaad, karwij) stimuleert
de activiteit van UDPGT.
Sulfoxidatie
Sulfoxidatie is het proces waarbij zwavelhoudende
moleculen, uit bijvoorbeeld geneesmiddelen en
voedingsstoffen, worden gemetaboliseerd. Het
is tevens
de manier waarop het lichaam sulfiden (conserveermiddelen) onschadelijk
maakt. Bij dit
proces worden sulfiden door het enzym sulfiet oxidase omgezet in sulfaten,
die met de urine kunnen worden afgevoerd. Dit proces is onder meer duidelijk
verstoord
bij mensen met astma, die overgevoelig reageren op sulfiet in de voeding.
Het
enzym sulfiet oxidase is mede afhankelijk van molybdeen.
Het lichaam kan ook ontgiften via de darm. Dat
werkt bijna op dezelfde manier als de ontgifting
via de lever. Ook de darm kent een Fase I (biotransformatie)
en een Fase II (conjugatie). Maar er zijn ook verschillen. Er ontbreken
een
aantal Fase I P450 enzymen, o.a. voor het afbreken van cafeïne en
bovendien komt fase II methylering in de darmen nauwelijks voor.
De mens heeft twee nieren, ze zitten aan de bovenkant
van de buikholte, een beetje aan de achterkant.
De nieren filteren het bloed en zorgen voor
de
afvoer van
water oplosbare toxines. Deze worden via de urine uit gescheiden.
Bij een normaal verlopend ontgiftingsproces is de urine goudgeel, helder
en ruikt bijna niet. Urine met een afwijkende kleur die bovendien sterk
ruikt kan op een
ontgiftingsstoornis duiden. De urine wordt rose als er bilirubine in
terecht komt. Bilirubine is een afbraak product van hemoglobine (rode
bloedvloeistof).
Donkerbruine urine kan ook worden veroorzaakt door een leverstoornis,
maar ook door te weinig water drinken.
| Ontgifting
via de huid en de longen |
De huid is in staat om vet oplosbare toxines
uit te scheiden. (DDT, zware metalen zoals lood)
Een aantal huidaandoeningen zoals psoriasis,
wordt
in verband gebracht
met een te hoge toxische belasting in het lichaam. De uitscheiding
van gifstoffen door de huid kenmerkt zich door:
- zweet dat een andere
kleur heeft dan
normaal, bijvoorbeeld door gelige of blauwige kringen in de kleren
- nachtelijke
transpiratie
- onaangename lichaamsgeur.
Longen
kunnen gifstoffen opnemen maar
ook uitscheiden. Bij de uitscheiding
via de longen gaat het dan om vluchtige
toxines. Een
te hoge toxische belasting kan klachten veroorzaken als: astma,
allergische bronchitis
en longemfyseem.
Bron:
http://utopia.knoware.nl/~wwitsel/main/artikelen/cvs.me.ontgifting.lever.1.html
[HOME]
[CONTACT] |