NON-DISJUNCTIE
1. verschijnsel
waarbij tijdens de meiose homologe chromosomen (meiose-I)
of chromatiden van
een chromosoom (meiose-II) niet uit elkaar gaan
Dit resulteert in dochtercellen met een teveel, respectievelijk
tekort, aan chromosomen.
|
|
Non-disjunctie van
homologe chromosomen
tijdens meiose-I
|
Non-disjunctie
van
zusterchromatiden
tijdens meiose-II |
|
Wanneer de non-disjunctie slechts één
chromosoom treft, zoals hierboven wordt afgebeeld,
kan men na versmelting met een normale gameet individuen bekomen
met 2n + 1 chromosomen. Hun cellen zijn aneuploïde (hun
aantal chromosomen is geen geheel veelvoud van n) door
een trisomie
van een bepaald chromosoom.
Wanneer men te doen heeft met een complete
non-disjunctie tijdens een meiose-I kan
men gameten bekomen die diploïde (2n
chromosomen) zijn. Na versmelting met een normale geslachtscel
geeft dit aanleiding tot een individu dat triploïde is (3n
chromosomen).
Wanneer een diploïde zygote een mitose ondergaat,
maar geen cytokinese (celdeling), dan resulteert dit
in een tetraploïde cel, die dan verder wel normaal
kan delen, wat dan uiteindelijk een individu oplevert dat tetraploïde is.
Dergelijke vormen van polyploïdie komen
frequent voor in het plantenrijk, maar zijn zeldzamer bij dieren. (Een
cel is polyploïde, wanneer haar aantal chromosomen een geheel
veelvoud is van n)
2. verschijnsel
waarbij tijdens de mitose chromatiden van
een chromosoom niet uit elkaar gaan
|
|
Non-disjunctie
dochterchromosomen tijdens mitose
|
|
Wanneer dergelijk fenomeen zich voordoet, bekomt
men een individu met euploïde cellen (2n chromosomen)
en met aneuploïde cellen (2n + 1 chromosomen).
Men heeft te doen met een geval van mozaïcisme.
Hieronder geven we een overzicht van enkele
afwijkingen van de mens, die het gevolg zijn van een non-disjunctie:
Non-disjunctie van autosomen (chromosomen
die geen geslachtschromosomen zijn)
Trisomie 13: non
disjunctie van chromosoom 13, resulteert in het zgn. syndroom
van Patau. Het betreft een aangeboren aandoening waarbij
een extra chromosoom 13 aanwezig is. Hierdoor ontstaat een combinatie
van
kenmerken,
zoals: een lip- en/of verhemeltespleet (schisis) en een stoornis
in de aanleg van de hersenen. Meestal is een extra pink aanwezig
(polydactylie). Bij 80% komen er aangeboren hartafwijkingen voor.
De meeste kinderen met Patau syndroom overlijden voor het derde
levensjaar. Trisomie 18: non
disjunctie van chromosoom 18, waardoor een combinatie
van kenmerken ontstaat. Voor de geboorte is er al sprake van
een groeiachterstand. Na de geboorte kan een klein aangezicht
opvallen,
een lange schedel
en laagstaande oren. Het geboortegewicht is laag. Soms is er
sprake van een gehemeltespleet. De handen zijn gebald tot vuisten,
terwijl de vingers over elkaar liggen. In meer dan 90% komen
aangeboren hartafwijkingen voor.
De helft van de kinderen met Edwards syndroom overlijdt binnen
twee maanden.
Als toch de volwassen leeftijd bereikt wordt is er sprake van
ernstig vertraagde verstandelijke ontwikkeling.
Trisomie 21: non
disjunctie van chromosoom 21. Dit wordt in de meeste gevallen
(96%) veroorzaakt door een fout tijdens de celdeling voor of
na de bevruchting.
Door de chromosoomafwijking ontstaat een combinatie van kenmerken,
waardoor mensen met Down syndroom meestal duidelijk herkenbaar
zijn. Bij bijna de helft van de kinderen bestaat een aangeboren
hartafwijking, die in veel gevallen operatief te behandelen is.
Er is sprake van een vertraagde ontwikkeling, zowel lichamelijk
als verstandelijk. Daarnaast is er een verhoogde kans op andere
aandoeningen, zoals bijvoorbeeld gehoorproblemen, oogafwijkingen,
schildklierfunctie stoornissen en maag-darm problemen.
Er bestaat een grote variatie in wat bereikt kan worden wat betreft
lichamelijke en verstandelijke ontwikkeling, waarbij niet alleen
de aanleg van het kind maar ook medische en psychosociale zorg
een belangrijke rol spelen.
Non-disjunctie van geslachtschromosomen
| Turner
syndroom (vrouwelijk, karyotype 45,XO) |
XXX ¬syndroom
(vrouwelijk,
karyotype 47,XXX)
|
Klinefelter-syndroom (mannelijk karyotype 47, XXY) |
XYY-syndroom
(mannelijk
karyotype 47, XYY) |
| Kennen
geen normale seksuele ontwikkeling. Ze behouden infantiele lichaamsbouw
zonder secundaire geslachtskenmerken en weinig ontwikkelde uitwendige
geslachtsorganen. Geen menstruatie en totaal onvruchtbaar. |
Vrouwen met supplementair X-chromosoom.
Gezien de inactiviteit van overige X-chromosoom veronen zij meestal
geen of weinig afwijkingen |
Jongens met naast hun normale XY-combinatie nog een 2de
X-chromosoom bevatten. Ze hebben wel mannelijk fenotype. |
Jongens met een Y-chromosoom teveel.
De meeste zijn volkomen normaal. Hebben normale voortplanting en hun
nakomelingen vertonen geen extra afwijking. |
| Kenmerken:
Klein gestalte maar een brede platte
borstkas, korte hals. Smalle bovenkaak en kleine kin, laag ingeplante
oren een oosters type ogen.
Problemen met hartkleppen doordat ze
geboren worden met een vernauwde aortaboog. Bij de geboorte hebben ze
een lymfeoedeem in de hals en hand- en voetrug. Turners hebben wel normale
intelligentie. |
Kenmerken:
Kunnen zich normaal voortplanten, er
is een selectiedruk naar de nakomelingen toe. Zij worden niet geboren
met een extra X! |
Kenmerken:
Problemen pas merkbaar rond de puberteit:
Kleine testes, afwezigheid van spermatogenese
en dus onvruchtbaar. De secundaire geslachtskenmerken blijven beperkt,
wel grote geslachtsgestalte met ietwat vrouwelijke vetafzetting.
Lichte mentale achterstand is mogelijk |
Kenmerken:
Grotere lichaamslengte en ietwat geringere
intelligentie. |
| Oorzaak:
Nondisjunctie bij de vorming van zaad
¬of eicellen.
Incidentie: 1/3000 meisjes, maar 1%
geboren. (natuurlijk selectie) |
Oorzaak:
Nondisjunctie bij de vorming van eicellen.
Incidentie: 1/800 meisjes |
Oorzaak:
Nondisjunctie tijdens ˙˙n vd meiotische
delingen bij de moeder of vader
Incidentie: 1/1000 jongens |
Oorzaak:
Nondisjunctie tijdens
tweede meiotische deling bij de spermatogenese. De 2 Y-chromatiden komen
in 1 gameet terecht. |
[HOME]
[CONTACT]
|