NIER
Orgaan in de buikholte, dat betrokken is bij de uitscheiding
of excretie (vooral van ureum) en homeostase
(door het handhaven van de osmotische waarde, de pH en andere factoren van het
bloed).
De menselijke nieren zijn boonvormige organen, die aan de boven
rugzijde van de buikholte gelegen zijn, aan weerszijden van de
wervelkolom. De rechter nier zit achter de lever en de linker onder
het middenrif tegen de milt. De rechternier zit
iets lager dan de linker.
Ligging
van de nieren
Aan de bovenkant van elke nier zit een bijnier :
Bij een normale volwassene is de nier ongeveer 12 cm lang en
ongeveer 5 cm dik. Van buiten naar binnen onderscheiden we
het nierkapsel: een omhulsel van bindweefsel
de schorslaag of cortex: deze bevat het bovendeel
van de nefronen, nl de glomeruli en
de gekronkelde delen van de nierbuisjes. De schorslaag heeft uitlopers
tussen de volgende laag (het niermerg). Deze uitlopers noemt men nierzuilen.
het niermerg: wordt gevormd door zo'n 10 à 20 nierpiramiden,
waarin de verzamelbuizen en de lussen van Henle liggen
(zie nefron) De smalle top van elke nierpiramide mondt
via een papil
uit in een nierkelk
en elke kelkk geeft uit op het nierbekken, dat niets anders is dan een
verbreding
van de urineleider (ureter)
|
|
1. Nierkapsel
2. Vet
3. Nierbekken
4. Grote nierkelk
5. Kleine nierkelk
6. Adertjes en slagadertjes
7. Mergstukje
8. Stukje uit schors
9. Eerste kronkel nierkanaaltje
|
10. Glomerulus
11. Tweede kronkel
12. Verzamelkanaal
13. Lus van Henle
14. Nierpiramide
15. Slagadertje
16. Adertje
17. Papil
18. Nierslagader
19. Nierdader
|
|
Bouw
van de nier
Voor de nierwerking verwijzen we naar de werking
van een nefron.
[HOME]
[CONTACT]
|