A

B

C

D

E

F

G

H

I

J

K

L

M

N

O

P

Q

R

S

T

U

V

W

X

Y

Z

 

NEURON

Zenuwcel, bestaande uit een cellichaam en celuitlopers.

De dendrieten vangen de prikkel op, wat resulteert in een actiepotentiaal. De celmembraan wordt gedepolariseerd en een impuls verplaatst zich via de membraan.

Deze impuls bereikt via het axon de eindknopjes, waar het signaal kan doorgegeven worden aan een ander neuron of aan een uitvoerend orgaan zoals een spier.

Het axon kan omgeven zijn door een myelineomhulsel dat ontstaat uit de cellen van Schwann. Dit omhulsel vertoont insnoeringen: de knopen van Ranvier.

 

 

Men kan neuronen onderverdelen naargelang de functie en naargelang de vorm.

Functioneel maken we het onderscheid tussen bewegings- of motorische neuronen, gevoels- of sensorische neuronen en associatie- of schakelneuronen.

Motorische neuronen zijn efferente neuronen; zij enerveren spieren, wat resulteert in een beweging.

Gevoelsneuronen zijn afferente neuronen. Het zijn zijn receptorendie hun informatie (prikkel) krijgen uit de omgeving.

 

Gevoelsneuronen

 

Schakelneuronen geven de prikkel door van één type neuron aan een ander.

Naar de vorm kunnen we unipolaire, bipolaire en multipolaire neuronen onderscheiden, naargelang het aantal uitlopers dat van het cellichaam vertrekt:

 


De prikkeloverdracht tussen neuronen gebeurt meestal via neurotransmitters, maar kan ook elektrisch gebeuren.

 

 

[HOME] [CONTACT]