A

B

C

D

E

F

G

H

I

J

K

L

M

N

O

P

Q

R

S

T

U

V

W

X

Y

Z

 

ABO-SYSTEEM

Systeem van bloedgroepen in 1901 ontwikkeld door de Oostenrijkse arts Karl Landsteiner (Wenen, 14/06/1868 - New York, 26/06/1943).

Men onderscheidt 4 types: A, B, AB en O, waarbij het type bepaald wordt door het al dan niet voorkomen van bepaalde sachariden op de membraan van rode bloedcellen. Deze sachariden zitten vast op eiwitten en lipiden die deel uitmaken van de celmembraan van de rode bloedcel. Doordat hun aanwezigheid de vorming van antistoffen kan induceren, zijn het antigenen.

Fuc = fucose; Gal = galactose; GalNAc = N-acetylgalactosamine; GlcNAc = N-acetylglucosamine

Personen die het antigen (hemoagglutinogeen) type A hebben behoren tot de bloedgroep A en zij die het antigen type B hebben behoren tot de bloedgroep B. Er zijn ook personen die beide antigenen hebben op de membraan van hun rode bloedcellen; deze personen behoren tot de bloedgroep AB. Tenslotte zijn er individuen die noch het antigen A, noch het antigen B hebben; zij behoren tot de bloedgroep O.

De antistoffen die reageren met de bewuste antigenen zijn serumeiwitten. Doordat de antistoffen meerdere 'armen' hebben, kunnen ze binden op antigenen van verschillende bloedcellen en deze zo samenhouden. Gebeurt dit op massieve schaal dan treedt er klontervorming op.

Iemand met bloedgroep A heeft in zijn serum de antistof (hemoagglutinine) anti-B en een persoon met bloedgroep B heeft de antistof anti-A. Personen met de bloedgroep AB hebben geen hemoagglutininen, daar waar individuen met bloedgroep O zowel anti-A als anti-B in hun serum hebben.

Samengevat:


Bloedgroep
Antigen(en) aanwezig op de rode bloedcellen
Antistoffen in het serum
A
type A
anti-B
B
type B
anti-A
AB
type A en type B
geen
O
geen van beide types
anti-A + anti B

 

Bloedgroepen en bloedtransfusies

Bij bloedtransfusies probeert men zoveel mogelijk een isotransfusie toe te passen (een transfusie van hetzelfde bloedtype). Voor transfusies van niet te grote hoeveelheden mag men ook bloed van andere bloedgroepen toedienen, waar voor de compatibiliteit rekening wordt gehouden met de antistoffen van de ontvanger (deze binden immers direct op de corresponderende antigenen van het binnenkomend bloed).

De antistoffen van de donor hebben bij de transfusie van kleine hoeveelheden slechts een beperkte invloed, doordat ze direct verdund worden in het grote bloedvolume van de ontvanger.

Op de onderstaande afbeelding zie je in welke gevallen klontering optreedt en waar niet:

Zo zien we dat O in principe aan iedereen (kleine hoeveelheden) bloed kan geven; het is de universele donor.

AB kan van iedereen bloed krijgen; het is de universele ontvanger.

Naast de indeling in bloedgroepen volgens het ABO-systeem bestaan er nog andere, zoals het MNS-systeem, of een indeling die steunt op het voorkomen van de resusfactor.

Vermelden we ook nog dat de antigenen A en B niet alleen voorkomen op de membraan van rode bloedcellen, maar dat ze o.a. ook voorkomen op de membraan van heel wat epitheel- en endotheelcellen.

Erfelijkheid van bloedgroepen

De vorming van de hemoagglutinogegenen wordt bepaald door drie allelen waarvan de locus ligt op chromosoom 9; deze allelen zijn respectievelijk A, B en o.

De allelen A en B zijn codominant, terwijl het allel o recessief is.

Volgende combinaties zijn mogelijk (de corresponderende bloedgroepen staan in het rood):

 

Allelen van de
ouders  

A B O
A AA
(A)
AB
(AB)
AO
(A)
B AB
(AB)
BB
(B)
BO
(B)
O AO
(A)
BO
(B)
OO
(O)

 

Normaal zou je verwachten, dat ouders slechts een kind met bloedgroep O kunnen krijgen, wanneer ze beiden het o-allel hebben. Dit is ook meestal zo, maar men kent gevallen waar de moeder bv. het genotype AA heeft en de vader het genotype AB en waar het kind toch de bloedgroep O heeft.

Dit kan, wanneer beide ouders recessief zijn voor het allel dat codeert voor het H-antigen, een voorloper van het A- of B-antigen. Als het kind de allelencombinatie hh erft kan het deze voorloper niet produceren en dus ook niet de bewuste antigenen. M.a.w. het kind zal de bloedgroep O hebben. Men spreekt hier van het Bombay-fenotype, naar de Indische stad, waar dit fenomeen voor het eerst werd beschreven.

 

[HOME] [CONTACT]