Juni 2008

De evolutietheorie in België

Het jaar 2009 wordt het Darwinjaar: 200 jaar na de geboorte van Charles Darwin in 1809 en 150 jaar na het verschijnen van “On the origin of species” – “Het ontstaan van de soorten” – in 1859. Soms wordt gezegd dat dit boek het belangrijkste biologieboek is dat ooit verschenen is.

Maar hoe werd de evolutietheorie van Darwin in België ontvangen? In 2005 promoveerde historicus Raf de Bont aan de KULeuven tot doctor in de geschiedenis met een proefschrift dat op die vraag een antwoord geeft. Een herwerkte versie van dit proefschrift is nu in boekvorm verschenen:

Raf de Bont. Darwins kleinkinderen. De evolutietheorie in België 1865-1945 (Uitgeverij Vantilt, Nijmegen & Uitgeverij Van Halewyck, Leuven. 2008. 523 blz., 34,90 euro).
Voor de periode 1865-1885 worden vooral de opvattingen van de katholieke geoloog Jean-Baptiste d’Omalius d’Halloy (1783-1875) en de vrijzinnig geworden Luikse hoogleraar biologie Edouard Van Beneden (1846-1910) en hun discussies met twijfelaars en voor- of tegenstanders behandeld.

 

 

Er wordt ook aandacht besteed aan Belgische publicisten die schreven over wat onder de algemene term “sociaal darwinisme” gecatalogeerd kan worden. Men kan zich voorstellen dat de opvattingen van Darwin en in het bijzonder de idee van de dierlijke oorsprong van de mens een heftige afkeer verwekten bij diegenen die het toen heersend christelijk wereldbeeld aanhingen. Vooral vanaf de jaren 1870 waren er talrijke katholieke intellectuelen die het darwinisme verketterden, want volgens hen was een verzoening tussen de evolutietheorie en het Bijbelse geloof onmogelijk. Ook aan de Brusselse universiteit waren er enkele hoogleraren die nog sceptisch stonden tegenover de evolutieleer. In de jaren 1880 en volgende waren er Brusselse antropologen die veel aandacht besteedden aan de eigenschappen van de mens en in het kader van de “struggle for life” voorspellingen deden. Volgens een van hen hadden bijvoorbeeld Vlaamse katholieke kiezers inferieure kenmerken en werden ze als “intellectuele fossielen” beschouwd die als gevolg van fatale evolutiewetten zouden verdwijnen.

De in 1886 opgegraven Neanderthalerresten in het dorpje Spy brachten in België natuurlijk felle discussies op gang over de “missing link” tussen aapachtige voorouders en de mens.

Op het einde van de negentiende eeuw en de volgende jaren waren er enkele biologen, vooral personen verbonden met de Brusselse universiteit, die veelvuldig tussenkwamen in het debat over de evolutieleer, met o.m. ook discussies tussen neolamarckisten en neodarwinisten. Daarnaast bleef er natuurlijk ook een ideologische polarisatie tussen katholieken en vrijzinnigen bestaan. De inbreng van de genetica was in de overwegingen nog heel beperkt.

Bij de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw werd de evolutieleer intensief betrokken in de sociologie, een relatief nieuwe menswetenschap. De hamvraag daarbij was in hoeverre de evolutieleer een bijdrage kon leveren bij het beantwoorden van de vraag over de richting waarin de samenleving zou uitgaan. Ook hier waren vooral Brusselse denkers betrokken, maar ook de Vlaamse hoogleraar Julius Mac Leod (1857-1919) mengde zich in de discussie en hield een pleidooi voor de intellectuele maakbaarheid van de mens en voor de noodzaak van de volksverheffing.
In de eerste helft van de twintigste eeuw werd door de meeste Belgische intellectuelen, die of met een universiteit of met een wetenschappelijke vereniging verbonden waren, de evolutietheorie aanvaard. Aan de Leuvense universiteit was men echter heel voorzichtig. De dierlijke oorsprong van de mens werd wel aanvaard, maar voor de oorsprong van de geest – de “ziel” – werd nog voorbehoud gemaakt. Een belangrijke figuur in deze problematiek was de hoogleraar Henry de Dorlodot (1855-1929). Hij kon bijvoorbeeld wel in 1909 op de herdenking van Darwin in het Engelse Cambridge de universiteit van Leuven vertegenwoordigen.

Na de ontwikkeling van de “synthetische theorie” over de evolutiemechanismen, ging in België nu meer aandacht naar de eventuele gevolgen van de evolutieleer voor de opvoeding van kinderen of voor de beheersing van de criminaliteit.

Het boek van de Bont is het resultaat van een overweldigende prestatie. Honderden bronnen werden geraadpleegd en verwerkt in de behandeling van het onderwerp. De opvattingen van tientallen biologen, antropologen en filosofen werden nagegaan. Voor een historisch gevormde moet dat toch zware inspanningen gekost hebben. De evolutieleer was in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw toch een delicaat probleem, waarin de polarisatie nooit ver weg was. De auteur heeft trouwens niet alleen de strikt biologische aspecten van de evolutieleer onderzocht, maar ook de gevolgen op andere terreinen van de menswetenschappen. Het is een geluk dat dit boek uitgegeven kon worden, want het is voor ons land een fundamentele aanwinst.

Walter Deconinck (Kortrijk)



Let's talk about Sex

Naar jaarlijkse gewoonte ging de Conferentie voor het Biologie Onderwijs door begin januari 2008 in Lunteren, bij Utrecht (NL). Deze conferentie werd, voor de 22ste keer al, ingericht door NIBI, onze zusterorganisatie in Nederland.
De conferentie is een tweedaagse (vrijdag en zaterdag) en gaat door in het Congres-hotel De Werelt. Het kostenplaatje ligt wel wat hoger (380 euro) dan voor ‘ons’ congres Leraars Wetenschappen, maar in Nederland heeft elke school (net zoals bij ons) een budget voor nascholing.

Het centrale thema van dit jaar is: ‘Let’s talk about sex’. Seksualiteit en voortplanting op alle organisatieniveaus van het leven, van de kleinste bacterie tot het uitsterven van soorten, van het bespreekbaar maken van homoseksualiteit in een multiculturele klas tot de beroepscontext van de plantenveredelaar. Activerende werkvormen voor het begrijpen van celdeling, de laatste nieuwtjes van de bloembiologie, spel/lesvormen om over relaties te praten, erfelijkheid van probleemgedrag, fysiologie van verliefdheid, een boeiende mix van vakinhoud, vakdidactiek en pedagogische aanpak maken het congres weer elk jaar de moeite waard.

Er worden 5 werkperiodes ingericht van telkens 1u15min, drie op vrijdag en twee op zaterdag (de conferentie eindigt zaterdag met de lunch). Per periode mag je een eerste en een tweede keuze opgeven. Er waren in het totaal 17 lezingen en 31 workshops, hoewel het verschil tussen lezing en workshop niet altijd even duidelijk is. Het gebeurt ook hier (net zoals bij ons) dat je keuzes voor een bepaalde periode volgeboekt zijn, meestal wordt je dan een andere keuze voorgesteld. Je vindt er tevens een didactische beurs, die zich in feite beperkt tot een aantal uitgeverijen van handboeken. De beurs op het Congres Leraars Wetenschappen in Vlaanderen biedt een veel ruimer aanbod.

Hieronder een kort verslag van de gevolgde workshops.

Seksualiteit: wat moeten ze kennen en kunnen?
SLO (Nationaal Expertisecentrum voor Leerplanontwikkeling).
Het maken van toetsvragen met behulp van een mindmap was de opdracht in deze werkgroep.
Het SLO heeft een digitale biologiemindmap gemaakt (zie www.slo.nl, vul in bij zoekterm ‘biologiemindmap). Je hebt hiervoor een viewer nodig die je kan downloaden via
http://www.mindjet.com/eu/download/mindmanager_vierwers/index.php?s=2.

In het nieuwe biologieprogramma (NL) voor HAVO en VWO (vergelijkbaar met onze 2de en 3de graad ASO) worden volgens de conceptcontext-benadering begrippen (concepten) geordend in 5 domeinen. Als invalshoek gebruiken we in deze workshop de voortplanting.
Je kunt deelconcepten benaderen vanuit het organisatieniveau (molecule, cel, orgaan, organisme, populatie, ecosysteem) dat gerelateerd is aan vijf systeemconcepten (biologische eenheid, zelfregulatie, interactie, reproductie, evolutie). De combinatie van alle organisatieniveaus met alle systeemconcepten levert vele (deel)concepten op. Deze kan je ook nog eens bekijken vanuit de contexten leefwereld, beroep, of wetenschap.

Lang leve de liefde
Op veel scholen in Nederland wordt het lespakket Lang leve de liefde gebruikt. Het pakket werd ontwikkeld voor leerlingen van de basisvorming binnen het VMBO (1ste en 2de graad beroepsonderwijs) en werkt ondersteunend naar een gezonde en veilige seksuele ontwikkeling. Het is gemaakt door Soa Aids Nederland. Het omvat een lesboekje, een docentenhandleiding en een video/dvd. Dit alles is te bestellen bij www.soaaids.nl.
Waarom (geen) seks? Voortplanting in de natuur.
In deze lezing werd dieper ingegaan op de vraag: “Waarom blijven beide voortplantingsstrategieën naast elkaar voort bestaan?”
Er wordt dus een antwoord gezocht op de evolutionaire vraag: waarom is er seks? Seks ‘kost namelijk meer’ dan ongeslachtelijke voortplanting, dus zou je verwachten dat het metertijd verdwijnt. Er zijn echter een aantal voordelen aan seks, zodat het blijft bestaan als voortplantingsvorm. Deze voordelen worden geïllustreerd aan de hand van een aantal opvallende voorbeelden uit het planten- en dierenrijk.

Bron: Dr Tatiana’s Sex Advice to All Creation: The Definitive Guide to the Evolutionary Biology of Sex, Olivia Judson. Verkrijgbaar op Internet www.randomhouse.co.uk, typ in de zoekfunctie de naam van de auteur. Kostprijs: £8,99.

Het boek werd ook vertaald in het Nederlands (ISBN 90-274-7677-2, uitgeverij het Spectrum) maar is uitverkocht en kan niet meer besteld worden (misschien nog beschikbaar bij De Slegte?).

Planten, seks en overleving
Aan de hand van een viertal – bedreigde - plantensoorten (rozenkransje, Spaanse ruiter, veldsalie en zaagblad) wordt verduidelijkt dat seks en voortplanting cruciaal zijn voor de duurzame overleving van bijzondere en bedreigde planten.
Een goede zaadproductie, voldoende vestiging van kiemplanten en voldoende kiemplanten die opgroeien tot bloeiende en vervolgens vruchtdragende planten zijn daarbij cruciaal.

Is seks een context?
In het nieuwe, experimentele examenprogramma biologie (ontwikkeld door CVBO = Commissie Vernieuwing Biologie Onderwijs) wordt gewerkt met de context-conceptbenadering. Dit wil zeggen dat leerlingen de centrale concepten uit de moderne biologie aangeboden krijgen in betekenisvolle contexten uit leefwereld, beroep en wetenschap.
Biologische kennis heeft meestal betekenis in meer dan één context. Wendbaar gebruik van deze kennis vereist dus dat je die kennis mee kunt nemen van de context waar je het geleerd hebt naar een volgende context. In de werkgroep werd nagegaan of ‘seks’ een context, dan wel een concept is. De deelnemers kwamen tot het besluit dat seks eerder als concept dan wel als context te beschouwen is.

Marleen Van Strydonck (Borgerhout)



Nog enkele websites

www.bloqs.nl
Op deze website kan je een catalogus downloaden met online leermateriaal voor biologie in de vorm van kant-en-klare bloqs. Je kan je eigen leerlijn arrangeren of projecten samenstellen. Je kunt hierbij kiezen voor leerboeken, werkboeken, samenvattingsboeken, digitaal materiaal of een combinatie ervan. In een vakarrangement zitten voldoende bloqs voor een heel schooljaar. Er zijn vakarrangementen van 6, 12 of soms 18 studiebelastingsuren.

www.natuurinformatie.nl
Indien je informatie zoekt over biologie of geologie, of indien je een natuurvraag wil stellen aan een deskundige.

www.museumkennis.nl
Een schat aan informatie voor een werkstuk of spreekbeurt.

www.twenteacademy.nl/olo
De Online Leeromgeving is een digitale leeromgeving voor VWO leerlingen (3de graad SO). Je vindt er veel animaties, experimenteerruimtes en uitgebreide begrippenlijsten. Daarnaast zijn er oefenvragen, examenopgaven en verslagen voor bijna alle vakken van het VWO te vinden. Je moet je wel registreren.



Tentoonstellingen

1) De tentoonstelling ‘Gebruik je hersens’ nodigt uit om spelenderwijs te ervaren waarin hersenen in verschillende leeftijdsfasen uitblinken en wat na verloop van tijd minder goed en soms ook beter gaat. De reizende tentoonstelling staat in de volgende ziekenhuizen:
- 1 mei tot 1 augustus 2008: Laurentius Ziekenhuis, Roermond
- 1 augustus tot 1 november 2008: Canisius-Wilhelmina Ziekenhuis, Nijmegen
- 1 november 2008 tot 1 februari 2009: Universitair Medisch Centrum, Utrecht
- 1 februari tot 1 mei 2009: Maaslandziekenhuis, Sittard

2) In het Naturalis-museum in Leiden loopt nog tot 31 augustus de tentoonstelling ‘Zo apen, zo mensen’. Deze speelse en interactieve tentoonstelling gaat dieper in op het sociaal gedrag van mensen en apen. (www.naturalis.nl)



Een minder prettig bericht

Mevrouw Theresita (roepnaam Tit) Van Orshoven is uit het leven gestapt. Op 4 april is ze na crematie definitief van ons heengegaan. Er was een herdenkingsdienst in de kerk van Berg bij Tongeren op 19 april.

Jarenlang heb ik met haar mogen samenwerken in de lerarenopleiding van Tongeren en na de verschillende fusies van de Limburgse normaalscholen kwamen we samen terecht in Hasselt aan het toenmalige KHIPSO. Uiteindelijk verhuisde alles nogmaals naar Diepenbeek onder de naam KHLim. Al deze fusies hebben er niet toe bijgedragen om haar een rustig leven te geven als docente biologie.

Haar jeugdjaren in Afrika (toenmalig Belgisch Congo) hebben haar gevormd en haar de liefde voor de natuur bijgebracht. Eens terug in België kwam ze na haar secundair onderwijs, aan de KULeuven terecht waar ze biologie, richting dierkunde, studeerde. Al snel koos ze voor een opdracht in het onderwijs en belandde zo in Tongeren bij de ‘zusters van Landen’. Ze gaf er les in het secundair onderwijs en in de toenmalige normaalschool. Haar vakken waren chemie, biologie en didactiek. Deze twee scholen waren meisjesscholen die de leerprogramma’s van het vrij onderwijs volgden.

Dankzij juffrouw de Ridder, onze toenmalige rijksinspectrice, werd ze lid van de Belgische Vereniging voor Leerkrachten Biologie, later was ze mede stichtend lid van de VOB, in de vroegere Nationale Plantentuin van België in de Koningsstraat te Brussel. Langs deze vereniging kwam ze ook in contact met de collega’s van het toenmalige rijksonderwijs en vooral met de collega’s van de normaalscholen. Didactiek werd hoe langer hoe meer haar stokpaardje en dit in combinatie met de vernieuwingen in het onderwijs in Engeland en later in Nederland. Onder impuls van eerwaarde zuster Dr. Van Dijck, lector aan de KULeuven, heeft ze in Engeland de vernieuwingen op gebied van de veldbiologie leren kennen. Nadien werd ze dan ook gevraagd deel uit te maken van de toenmalige leerplancommissie biologie in de Guimardstraat.

Samen met collega eerwaarde heer Dr. Frans Demeuter, ook al overleden, die les gaf in het Sint Pieters college te Leuven werden de leerplannen van het vrij onderwijs grondig herwerkt en werd er vanuit de wetenschappelijke denkwijze en vooral op praktische basis gewerkt in de lessen biologie. Dit had voor gevolg dat het vak biologie niet meer louter ‘weten’ was maar vooral ‘inzicht en toepassen van kennis’. Terreinwerk en labowerk werden steeds belangrijker. In veel scholen bracht dit een omwenteling teweeg en zo ontstonden de talrijke bijscholingen die georganiseerd werden door de verschillende docenten van de normaalschool.

Tit was ook betrokken bij de uitbouw van het leerboek “Didactiek van de biologie”. Uniek aan dit boek was zeker de vlotte samenwerking tussen verschillende auteurs uit het vrij-, provinciaal- en rijksonderwijs en twee belangrijke biologen van de UGent en de KULeuven.

Gelijktijdig met de vernieuwing van de leerplannen biologie werd het VSO (vernieuw secundair onderwijs) ingevoerd. Het moet gezegd dat dit een turbulente periode was.
Toen besliste men vanuit het ministerie dat er teveel hogescholen waren en dat er moest gefusioneerd worden. Ook Limburg ontkwam daar niet aan en zo werd de rust binnen de normaalscholen grondig verstoord. Tit moest nu plots, als oudste in dienst, lesgeven aan zeer grote groepen die allemaal biologie als onderwijsbevoegdheid kozen. Van de kleine maar degelijke normaalschool in Tongeren bleef niets over. Dit was ook het begin van het computertijdperk in het onderwijs.

Tit zocht uiteindelijk een oplossing in de alternatieve sector. Haar aandacht ging hoe langer hoe meer uit naar het spirituele, het innerlijke en een rustiger leven. Ze kreeg de toelating om te genieten van de TBS 55+ regel en verliet het onderwijs. Onderwijs was toen voor haar een afgesloten hoofdstuk.
Ze heeft nog vele jaren kunnen genieten van haar kinderen en kleinkinderen in haar geliefd Tongeren aan het oude begijnhof.

Tit, in onze herinnering leef je verder, rust zacht. Aan de kinderen, kleinkinderen en de familie wensen we veel sterkte en bieden we ons medeleven aan.

Dr. M. Asperges (Ezemaal 2008-04-20)



Geen dissecties meer nodig in het S.O.

De onderwijskoepels en het gemeenschapsonderwijs zullen in hun leerplannen geen doelstellingen meer opnemen waarvoor dissectie van dieren vereist is. Bovendien worden alternatieven voor dissecties gesuggereerd, zoals softwarepakketten, videofilms en namaakdieren. Dat staat in een protocolakkoord dat ze gesloten hebben na gesprekken met het departement Onderwijs en Vorming van de Vlaamse Gemeenschap, de dierenrechtenorganisaties Gaia en Interniche en professor Johan Braeckman van de Universiteit Gent. Onderwijsminister Vandenbroucke is verheugd dat dit akkoord onder zijn impuls tot stand kon komen.

Sinds 1997 legt het Vlaams parlement via eindtermen vast wat leerlingen moeten kennen en kunnen aan het eind van elke graad van het secundair onderwijs. Deze algemene doelstellingen worden door de scholen, verenigd in onderwijskoepels of het gemeenschapsonderwijs, vertaald in leerplannen. Die leerplannen zijn een soort pedagogisch plan van aanpak voor de leerkrachten van de betrokken school.

Vandaag bevatten sommige leerplannen voor biologie de suggestie, of zelfs de verplichting, om dissecties uit te voeren in de klas. Alle plannen vragen wel dat leerlingen die omwille van welke reden dan ook geen dissecties wensen bij te wonen, een alternatieve opdracht zouden krijgen.

Onder impuls van onderwijsminister Vandenbroucke is men nu akkoord dat geen enkel leerplan nog dissecties als aangewezen methode zal suggereren, laat staan opleggen. Er zal daarentegen wel volop gewezen worden op alternatieven voor dissectie. De onderhandelende partijen verwijzen voor hun beslissing naar de wijzigende opvattingen binnen de samenleving over deze thematiek. Bovendien zijn er steeds meer voorhanden waarvoor geen dieren moeten worden gebruikt.

Het akkoord zal worden toegelicht tijdens het congres van de leraren wetenschappen dat dit jaar op zaterdag 15 november wordt georganiseerd aan de Universiteit Gent. In een workshop zullen de alternatieven voor dissecties daar ook gedemonstreerd worden.

Minister Vandenbroucke: “Vooral dierenrechtenorganisaties en een aantal parlementsleden drongen er al langer op aan om dissecties uit de klassfeer te halen. Dit akkoord is een grote stap in die richting. Merk op dat we dus kiezen voor een strategie waarin leerkrachten aangemoedigd en overtuigd worden van de alternatieven, eerder dan voor een absoluut verbod.”

Persbericht Frank Vandenbroucke
06/03/2008



Voetzoekers

Bereken de ecologische voetafdruk van je klas en maak kans op 2.500 euro voor je school!

Ben je leerkracht in de tweede of derde graad van het secundair onderwijs? Dan kan je met de campagne ‘Voetzoekers’, samen met je leerlingen, de ecologische voetafdruk van je klas berekenen.

Allemaal eten we, verplaatsen we ons, wonen we ergens,... Voor al deze activiteiten verbruiken we natuurlijke hulpbronnen. De ecologische voetafdruk drukt uit hoeveel aardoppervlakte er nodig is om onze levenswijze mogelijk te maken. De ecologische voetafdruk kan berekend worden voor de hele wereldbevolking, voor een land, voor een stad,... en nu dus ook voor een klas!

Voor ‘Voetzoekers’ moeten klassen hun ecologische voetafdruk berekenen met de online calculator, vervolgens engagementen aangaan om hun voetafdruk te verkleinen en die plannen dan ook realiseren. Al de deelnemende klassen krijgen een eigen pagina op de campagnewebsite waar ze al hun leuke acties in de kijker kunnen zetten.

Klassen die deelnemen aan ‘Voetzoekers’ kunnen een eigen project indienen om de voetafdruk van hun klas/school nog verder te verkleinen. De meest interessante en originele projecten zullen gefinancierd worden, met een maximum van 2.500 euro per project. Hoeveel geld er in totaal beschikbaar zal zijn voor het projectenfonds, hangt af van alle deelnemende klassen samen. Hoe kleiner de voetafdruk van de klassen wordt, hoe meer geld er in het fonds komt. De totale oppervlaktebesparing waartoe alle deelnemende klassen zich engageren, en dus ook het bedrag van het projectenfonds, zal te volgen zijn op de website.

Voor de leerkracht is er een lerarenhandleiding met massa’s tips om samen met de leerlingen de nodige gegevens voor de calculator te verzamelen, voorstellen voor lesactiviteiten, verwijzingen naar de eindtermen, de nodige achtergrondinfo,...

Vanaf 30 mei 2008 kan je voor meer info al terecht op www.wwf.be/voetzoekers. Je klas er inschrijven en aan de slag gaan met de online calculator, kan vanaf september 2008. Projecten inzenden voor het projectenfonds kan vanaf de start van de campagne tot 31 maart 2009.

Dit project wordt verwezenlijkt door WWF en Ecolife en is mogelijk met de steun van de Vlaamse overheid.

Veldkoffers

Wie aan natuur- en milieueducatie doet, trekt erop uit. Ook in het onderwijs laten we leerlingen en studenten het liefst zélf de natuur ontdekken. Voor veldwerk heb je echter degelijk materiaal nodig en daar knelt wel eens het schoentje. Goed veldwerkmateriaal is duur en niet altijd beschikbaar.
Daarom stelt de provincie Antwerpen via ANNET veldkoffers ter beschikking.

Meer info of reserveren via www.provant.be/ of bel 015 30 61 24.

Jan Van Hoof
educatief medewerker ANNET

Habitats

Een nieuwe publicatie bij Natuur & Wetenschap-vzw die zich richt op de symbiose in HABITATS.
Deze publicatie is een uitbreiding van de reeds bestaande publicaties: Bodemdieren en samenlevingsvormen.

Het betreft vier habitats die een dierlijke gastheer hebben. Respectievelijk zijn het:
• het leven in een mierenhoop,
• de vijanden van de bladluis,
• dieren op aas,
• dieren die mensen verkiezen.

In de bespreking wordt kennis gemaakt met verschillende gasten.
Er wordt telkens rekening gehouden met de indeling van de verschillende gasten in de onderlinge habitats en de rol die ze hierin vervullen.

Het boek omvat 71 gedrukte pagina’s. Vanuit de cd-rom kan elk item afzonderlijk uitgeprint worden via een eenvoudige drukknop wat interessant is na opzoekingswerk van een leerling.

Kostprijs 5 euro voor boek of cd-rom.
Bestellingen bij J.Lauwers,
Liefkemoreslaan, 1 – 8450 Bredene.
Bedrag te storten op Natuur & Wetenschap vzw p/a J. Lauwers (dito zie hierboven)
775-5952792-20.

Korstmossen, snuffelpalen in ons milieu

Dit is een nieuw educatief project over luchtvervuiling en klimaatverandering. Het Provinciaal Natuurcentrum ontwikkelde dit project in samenwerking met Natuurpunt vzw voor de tweede en derde graad van het secundair onderwijs.

Tijdens het project onderzoeken leerlingen op twee locaties in Bokrijk welke korstmossen er voorkomen op de schors van bomen. Hierbij meten ze de weersgesteldheid en enkele fysische parameters. Aan de hand van deze resultaten en gegevens van vroegere inventarisaties trachten de leerlingen te achterhalen hoe korstmossen gebruikt kunnen worden als indicatoren voor luchtverontreiniging en klimaatopwarming.

Leerlingen gaan zelf aan de slag met enkele speciale materialen. Naast een digitale thermometer, hygrometer en lichtmeter gebruiken de leerlingen een speciaal voor dit project aangemaakte ‘determinatiekaart korstmossen’ en een ‘kleurenkaart ammoniakgevoeligheid’.

Als je met dit project aan de slag gaat, bestrijk je heel wat vakgebonden en vakoverschrijdende eindtermen: biologie, aardrijkskunde, wetenschappen, milieueducatie, leren leren, technisch-technologische vorming en sociale vaardigheden.

Het educatieve project is aangemaakt voor een groep van 25 leerlingen uit de tweede of derde graad van het secundair onderwijs en duurt twee en een half uur. Je kan het project van april tot oktober voor 50 euro volgen in het domein Bokrijk. Bij deze prijs zijn begeleiding door een ervaren gids, het gebruik van alle materialen, een werkboekje voor elke leerling en een leerkrachtenhandleiding inbegrepen.

Korstmossen op bomen hebben in de vijftiger jaren vooral bekendheid gekregen door hun gevoeligheid voor zwaveldioxide. De achteruitgang van heel wat soorten kon hiermee in verband gebracht worden. Begin jaren tachtig werd voor het eerst onderkend dat ze ook sterk reageren op ammoniak. Door hun gevoeligheid aan zwaveldioxide en ammoniak kunnen korstmossen gebruikt worden als bio-indicator om de luchtkwaliteit op te volgen.

Korstmossen zijn ook gevoelig voor de omgevingstemperatuur. Als de gemiddelde temperatuur stijgt, krijgen soorten die een koeler klimaat verkiezen het moeilijker om te overleven. Omgekeerd zullen meer zuidelijke soorten het dan beter gaan doen. Op die manier kunnen klimaatsveranderingen afgelezen worden uit de veranderingen in de korstmosflora.

Om te weten of de toegenomen temperatuur een effect heeft gehad op de korstmossen moeten we kunnen vergelijken met het verleden. Gelukkig bestaan er voor Bokrijk (en gans Midden-Limburg) dergelijke gegevens vanaf midden vorige eeuw. Hieruit blijkt dat de soortensamenstelling op basis van temperatuurvoorkeur veranderd is. Soorten van warme tot zeer warme omstandigheden zijn relatief toegenomen en soorten van koele tot zeer koele omstandigheden namen af.

Korstmossenonderzoek is echt wel een wetenschappelijke materie. Daarom is een voorbereiding op school wenselijk. In de handleiding voor de leerkracht vind je tips om het project voor te bereiden en achteraf te verwerken in de klas.

Wil je kennismaken met het project, dan kan dat op een nascholing op woensdag 8 oktober in Bokrijk.

Voor reservatie of inlichtingen kan je tijdens kantooruren terecht bij het Provinciaal Natuurcentrum, tel. 011 26 54 53.

IMPRESSE

IMPRESSE samenkomst op het ASE (Association of Science Teachers)-congres te Liverpool.

IMPRESSE (IMPRoving Education in School Science across Europe) is een groep van leerkrachten uit diverse Europese landen. De leerkrachten zijn bovendien lid van verenigingen wetenschappen, zodat op die wijze verschillende verenigingen voor wetenschappen op hun beurt worden verenigd.

VOB en VELEWE zijn er lid van. Impresse houdt parallel met de congressen van leraars wetenschappen voordrachten en seminaries en probeert hierbij algemene tendensen en de evolutie van het wetenschappelijk onderwijs in Europa te bestuderen. Omdat Liverpool voor 2008 uitgeroepen werd tot culturele Europese stad lag het voor de hand om binnen dit item de pan-Europese groep van leerkrachten uit te nodigen onder het motto “ Wetenschap als belangrijk deel van de Europese cultuur”.

Alle deelnemers aan het ASE-congres waren uitgenodigd om op donderdag 3 en vrijdag 4 januari deel te nemen aan de Impresse sessies op het overkoepelend ASE- congres.

Hierna volgt een verslag van de diverse activiteiten van de Impresse groep. Dit verslag werd naar alle deelnemende verenigingen voor wetenschappen (9) verstuurd. Voertaal voor communicatie is het Engels alhoewel bij onderlinge contacten ook andere talen worden gebruikt.

Representatives from nine STAs gathered to listen to three keynote lectures: Prof. Michael Reiss (The Royal Society and Institute of Education) reviewed the pan-European involvement in the ‘birth of modern science’ linking it to issues surrounding the current teaching of science from the UK perspective. Dr Rosalind Mist (Ecsite-UK) outlined the role of European Science Centres in inspiring and educating children, parents and teachers. Emeritus Prof. Hermann (University of Stuttgart, Germany) expounded the philosophical underpinnings of science and culture, sending us all away with the pertinent thought that teachers should aim to educate their students to explore and use science with caution and wisdom.

IMPRESSE members from Belgium, Germany and Italy deliberated on recent successful projects. In Belgium the VOB and VeLeWe STAs have had success in obtaining EU funding for science collaboration between schools in various (new to the) EU nations. Germany has 16 Bundeslande that have autonomy over the curriculum and its delivery. The results from TIMMS and PISA 2003 had a strong and positive effect on the education of science, which the MNU representative shared with us. In southern Italy several schools have used EU funding for the Salerno project that is based on the use of Content and Language Integrated Learning (CLIL) methodologies and of new communication technologies. This is part of a pan-European collaboration that includes the publication Teaching Science in Europe, a follow up to the Science on Stage, Deutschland at which ASE Region 18 was represented in 2006 by Peter Fowler.

Much of European culture is often thought of in terms of the Arts. In fact the National Conservation Centre in Liverpool was the gem in the crown of IMPRESSE @ ASE Liverpool 2008 with specific relevance to Science at Work and the Culture of Science across Europe. Their staff involved the IMPRESSE delegates who undertook simple experiments that can be done in any museum or art gallery, or back in the classroom. The concept is to teach learners about preservation of ancient artefacts, simple paint-production procedures replicating what our forebears did, and how weathering affects statues and buildings.

The role of young people as being an integral part of the Culture of Science was celebrated when the Five for Sydney 2007 team shared their experiences from that once-in-a-lifetime trip to Australia. The celebration of Science and Culture continued at the International Dinner in Carnatic Hall on Thursday evening. The piece below by Akshith Kaza, Year 13 at Haberdashers’ Aske’s for Boys, one of the 5, epitomises just how important Five for Sydney is for the future potential scientists in the UK.

The ASE International Committee would like to thank the IMPRESSE delegates for coming to share in this pan-European celebration of Culture and Science, and, the committee and IMPRESSE would like to thank ASE for hosting and underwriting the costs of this enjoyable and valuable parallel conference, IMPRESSE @ ASE Liverpool 2008

Ignace Nerinckx (Mechelen)


De tweede selectieronde voor de European Union Science Olympiad bestond uit een practicum, waarbij we ons inspireerden op één van de proeven van EUSO 2007 in Potsdam.

Aan deze tweede ronde mochten 12 kandidaten deelnemen: zes die zich kwalificeerden via een specifieke theoretische proef en zes die zich wisten te plaatsen via de Vlaamse Olympiades Natuurwetenschappen.

Uiteindelijk koos de jury uit deze deelnemers drie laureaten, die samen de Vlaamse ploeg vormden op de EUSO in Nicosia (Cyprus). De gelukkigen waren

  • Joachim Ciers (St.-Jozefscollege, Izegem)
  • Wouter Schaepdryver (EDUGO, Oostakker)
  • Johannes Geurs (St.-Aloysiuscollege, Ninove)

Via een andere selectieprocedure verkozen onze Franstalige collega’s eveneens een team, zodat België uiteindelijk twee ploegen afvaardigde naar Cyprus.

Daar dienden zij het in twee practica op te nemen tegen een veertigtal ploegen uit meer dan twintig landen van de Europese Unie.

Hoe zij het ervan afbrachten kan je hier lezen.

Victor Rasquin

Scientists@work

Aan de slag met een wetenschapper in een écht labo? Het kan!
Met scientists@work stappen leerlingen en leerkrachten van de 2de en 3de graad binnen in de wereld van de biowetenschappen: experimenten uitvoeren in een academisch of industrieel laboratorium en een eindwerk schrijven. Meer informatie over de zesde editie vanaf 25 augustus 2008 op de website: http://www.scientistsatwork.be/

Hoe bereid ik ... ?

Kalkwater (aantonen van CO2)
vul een voorraadfles van 5 liter met leidingwater en voeg ongeveer 5 eetlepels Ca(OH)2 toe. Sluit de fles en schud.
Laat gedurende 24 uur het witte poeder in de gesloten fles bezinken.Giet voorzichtig de bovenstaande, heldere vloeistof over in de gebruiksfles kalkwater (0,5 of 1 liter). Eventueel filtreren. Deze fles moet goed gesloten blijven.Vul de voorraadfles opnieuw aan met water en sluit ze zoals de gebruiksfles.
Als er in de gebruiksfles toch wat Ca(OH)2 bezinkt is dat niet zo erg. Als men de fles bestendig aanvult moet men toch “het onderste van de kan” niet aanspreken.
Een oplossing van Ba(OH)2 heeft het voordeel dat de troebeling bij een overmaat CO2 niet verdwijnt, maar is wel giftig.

Zetmeeloplossing (spijsverteringsproeven)
Het maken van een zetmeeloplossing wil wel eens tijdrovend worden, gezien meestal moet gekookt worden. Bovendien zijn zetmeeloplossingen slechts beperkt houdbaar. Daarom is het interessant te weten dat er zetmeel in de handel is, dat zeer gemakkelijk, zonder de minste troebeling en in vrij hoge concentraties, in koud water oplost. Het product wordt o.a. door VWR verkocht onder de naam “Stärke löslich”.
Los je een mespuntje van dit zetmeel op in 100 ml leidingwater, dan bekom je onmiddellijk een heldere oplossing. Een vijftal ml hiervan in een reageerbuis, blauw gekleurd door toevoeging van een KI/I2-oplossing, worden door toevoeging van ± 1 ml speeksel binnen de minuut ontkleurd.

Benedict’s reagens (reducerende suikers)
Los 173 g natriumcitraat + 100 natriumcarbonaat op in 800 ml gedestilleerd water. Breng deze oplossing even aan de kook en laat terug afkoelen. Filtreer en voeg vervolgens nog 50 ml gedestilleerd water toe.
Los 17,3 g kopersulfaat op in 10 ml gedestilleerd water en voeg deze oplossing langzaam toe aan de eerste. Voeg gedestilleerd water toe tot je een volume van 1 liter bekomt. Bewaar in een donkere fles.

Kobaltchloridepapier (aantonen v. water)
Los ongeveer 5 g kobaltchloride op in wat gedestilleerd water en leng aan tot 100 ml. Dompel strookjes filteerpapier in deze oplossing en laat deze vervolgens in een oven drogen. De droge strookjes in een bokaal met watervrij CaCl2 bewaren.

Dichloorfenol indofenol (aantonen vit. C)
Bereid een 0,1 % oplossing in gedestilleerd water

Fehling’s reagens (reducerende suikers)
Oplossing A : los 69, 3 g kopersulfaat op in gedestilleerd water en vul bij tot 1 liter

Oplossing B : los 100 g natriumhydroxide op in 200 ml gedestilleerd water en los 346 g natrium-kaliumtartraat (seignettezout) op in 600 ml gedestilleerd water. Giet beide oplossingen bij elkaar en vul aan met gedestilleerd water tot 1 liter.

Deze oplossingen bewaren in bruine flessen met een rubberstop. Juist voor het gebruik een gelijke hoeveelheid van oplossing A en oplossing B gieten in het reageerbuisje dat de te onderzoeken stof bevat.

KI/I2-oplossing (aantonen van zetmeel)
Los in een mortier 7 g KI op in ongeveer 10 ml water. Voeg 1 g I2 toe en wrijf fijn. Water bijvullen tot 500 ml.
Bewaar de oplossing in een bruine fles met ingeslepen stop (geen rubberen stop!)

SUDAN-III oplossing (aantonen v. vetten)
Om een 100ml oplossing te maken verwarm je 74 ml van 95% ethanol in een warmwaterbad. Voeg al roerend 0,5 g Sudan III toe. Wanneer de kleurstof is opgelost vul je met warm gedestilleerd water (80 °C) aan tot 100 ml. Nogmaals goed roeren om een homogene oplossing te bekomen. Laten afkoelen en desnoods filtreren.

Bron: ”Tips” - www.vob-ond.be

Vleermuizen en Rock Werchter

Vleermuizen blijken iets gemeen te hebben met rockconcerten, nl. het aantal dB dat ze kunnen produceren. Vleermuizen kunnen zelfs iets beter...

Daar waar een deftig rockconcert zo’n 120 dB je oren injaagt, produceren sommige vleermuizen tot 140 dB. Gelukkig is het geluid dat ze produceren ultrasoon en worden wij niets gewaar!

Deze grote geluidsintensiteit zou noodzakelijk zijn om op een redelijke afstand insecten te kunnen lokaliseren. Geluid met een hoge frequentie draagt immers veel minder ver dan geluid met een lage frequentie. De extra hoeveelheid energie die ze in de geluidsgolven stoppen helpt zo de vleermuizen in hun jacht op prooien.

V.R.