JULI 2007

 

INHOUD

- Internationale Biologie-olympiade

- 13de Vlaams Congres van Leraars Wetenschappen
- Wie was Linnaeus?
- Het mysterie van de voortplanting (deel I)
- Nano nu
- Scientists@work
- Stages - bijscholingen - symposia
- Vragenrubriek
- Onderwijstips
- Koninklijk Antwerps Genootschap voor Micrografie

 

 

 

Internationale Biologie-olympiade

 

Bronzen medaille voor België! 

 

Op vrijdag 13 juli 2007 (hopelijk is dat geen slecht voorteken) vertrok de Belgische delegatie naar de universiteit van Sasketchewan in Saskatoon (Canada) voor de 18de Internationale Biologie-olympiade (15 tot 21 juli).

Gert-Jan Dugardein van het O.L.Vrouw-Lyceum te Ieper en Bart Bueken van het Koninklijk Atheneum te Tienen, de twee laureaten van de Vlaamse Biologie-olympiade, vormen samen met Nicolas Dechamps (Atheneé royal Marguerite Bervoets, Mons) en Alexandre Riolo (Institut St. Joseph, Châtelet) het vier man sterke team dat onze kleuren ging verdedigen.  Zij werden begeleid door Hugo Vandendries, Marleen Van Strydonck en Vic Rasquin voor de Nederlandse bewerkingen van de vragen en opdrachten en door Gérard Cobut, Laurent Minet en Louis Devos voor de Franse vertalingen.

 

Wat is de Biologie-olympiade?


De Internationale Biologie-olympiade is een jaarlijkse competitie op hoog niveau bedoeld voor leerlingen van de 3de graad secundair onderwijs die laureaat zijn in de nationale preselectie van hun land.  Ieder jaar is een ander land gastheer voor de Olympiade (in 2001 was dit België).  De bedoeling is jongeren te stimuleren voor wetenschappen en in contact te brengen met andere culturen.

 

Juistgeteld 954 leerlingen namen deel aan die preselecties voor Vlaanderen in het begin van dit jaar. 11 finalisten kregen tijdens de paasvakantie een theoretische en praktische bijscholing over de diverse onderwerpen die aan bod komen tijdens de Internationale Biologie-olympiade.  Op 28 april duidde de eindproef met een theoretisch en praktisch gedeelte (waaraan 15 finalisten deelnamen) de twee Vlaamse laureaten aan.

 

Bespreking IBO proeven en resultaten


Aan de internationale ‘Olympische spelen van de biologie’ namen 49 delegaties van over de hele wereld deel, in totaal 192 studenten die net hun secundair onderwijs beëindigden.

Een internationale jury bestaande uit professoren en experten van de deelnemende landen evalueert de theoretische test (gebaseerd op ingestuurde vragen) en de praktische proeven die experten uit het gastland voorstellen. Alle domeinen van de biologie - vooral de meest actuele - komen aan bod, in theorie op het niveau van het secundair onderwijs, maar dikwijls het bachelorniveau waardig!

Het praktische gedeelte bestaat uit vier onderdelen die elk 1,5 uur duren.  Het eerste ‘lab’ was biochemie: "Hoeveel bloemkool mag men eten vooraleer het toxische effect merkbaar wordt?"  Dit kon berekend worden door met spectrofotometrie het thiocyanaatgehalte in bloemkool te bepalen.  Het tweede lab had als thema "plantenanatomie": dissectie van een bloem (lelie) en het bestuderen van bloemdia-grammen hoorden erbij.  "Ongewervelden" was het thema van het derde lab: dissectie en determinatie van een aantal ‘wormachtige dieren’:  "Wat is het verschil tussen een regenworm en een zeeduizendpoot?"  In het vierde lab, erfelijkheid, kwamen de basisprincipes van klonering aan bod en werd de genetica van zaadhuid en zaadvorm bij bonen statistisch onderzocht.

 

De theoretische test was evenmin van de poes: een honderdtal meerkeuzevragen, grafieken, berekeningen, invul- en sorteervragen over celbiologie, fysiologie en anatomie, genetica, ecologie, biosystematiek en ethologie...  Die test werd in twee delen afgenomen, telkens minimum 2.30 uur, in de voormiddag en in de namiddag.

 

Hoe deden onze studenten het?


Er werden 20 gouden medailles uitgereikt.  Eerste werd een deelnemer uit Thailand, met 94,1 %, de 20ste behaalde 87 %.  Voor de 42 zilveren medailles lagen de resultaten tussen 86,8 en 79 %.  De 56 bronzen medailles werden behaald vanaf 78,5 %.  De met 29,7 % allerlaatst gerangschikte deelnemer kwam uit Turkmenistan.

Italië stuurde een delegatie als observator om hun deelneming in één van de volgende jaren voor te bereiden.

Bart Bueken werd 99ste (73,4%) op 192 en behaalt daarmee een bronzen medaille voor België, Gert-Jan Dugardein eindigde als 135ste met 71,9 %.  Nicolas Dechamps behaalde 61,5 % op de 166ste plaats en Alexandre Riolo 58 % op de 177ste.

Eens te meer zijn de resultaten van onze deelnemers te waarderen als men rekening houdt met het feit dat deze leerlingen slechts twee uur biologie per week krijgen.  In de Olympiade treden zij in competitie met studenten uit landen van over de hele wereld waarvan velen uit speciale ‘Science Schools’ met een programma dat zich op wetenschappen focust (met soms 6 tot 9 uur biologie per week).  Ook is het behalen van een medaille niet de prioritaire doelstelling van onze studenten, waar dit in andere landen soms kan betekenen dat men toegelaten wordt tot één van de prestigieuze universiteiten, een studiebeurs krijgt of in het buitenland mag studeren..

 

Uiteraard mogen we niet vergeten dat naast al dat ‘brainwork’ er ook een portie cultuur en ontspanning op het programma staat tijdens zo’n Internationale Olympiade.  De studenten werden getrakteerd op een echte pow-wow (= dansen van de Indianen) en ze mochten de nacht doorbrengen in een echte tipi.  De wandeling door het Prince Albert National Park was eveneens de moeite waard.  De begeleiders konden ook genieten van de pow-wow, de nacht in een tipi werd hen – gelukkig maar – bespaard.  De 'Taste of Saskatchewan' gaf hen dan wel de gelegenheid te proeven van allerlei culturen, zowel culinair, muzikaal en qua entertainment.

Na de IBO deed de Vlaamse delegatie dan nog een rondreisje van 1 week in Canada, met als hoogtepunt een prospectie op een dinosaurus-vindplaats.

 

In naam van het organisatiecomité van de Vlaamse Biologie-olympiade willen wij speciaal de leerkrachten bedanken die elk jaar opnieuw hun leerlingen weten te motiveren voor, voorbereiden op en begeleiden bij de Olympiade.

De organisatie van de nationale preselecties is mogelijk dank zij de logistieke steun van de universiteiten en het secretariaat van de Vlaamse Olympiades voor Natuurwetenschappen aan het Limburgs Universitair Centrum te Diepenbeek en van de Vereniging voor het Onderwijs in de Biologie, de Milieuleer en de Gezondheidseducatie (VOB).  Daarnaast is er de financiële steun van de minister van Financiën, Innovatie en Media via het actieplan Wetenschappen voor de inschrijvingen en de transportkosten

 

Marleen Van Strydonck en Hugo Vandendries

Begeleiders Internationale Biologie-olympiade

 

 

Wie was Linnaeus?

 

Carolus Linnaeus (Carl von Linné) werd op 23 mei 1707 geboren in het Zweedse Råshult. 

Als kleine jongen was Linnaeus een heuse spijbelaar.  Zijn vader, die dominee was, had hem graag in zijn voetsporen zien treden, maar de kleine jongen was enkel geboeid door de natuur.  Hij studeerde voor arts aan de universiteit van Uppsala en genoot er al op jonge leeftijd heel wat faam.  

 

De Zweedse Academie voor Wetenschappen zorgde voor de financiële middelen om de jonge wetenschapper van 25 jaar op expeditie naar Lapland te sturen om daar de natuurlijke rijkdommen van het land te onderzoeken.  De jaren die daarop volgden, trok hij door de rest van het land, geen uithoek was hem te ver.  Hij beschreef in zijn reisverslagen de Zweedse natuur tot in de details en wordt bestempeld als de eerste ecoloog ter wereld.  Tijdens zijn trektocht door zijn geboorteland leerde hij zijn echtgenote kennen, de naar verluidt mooie Sara Elisabeth Moræa, waarmee hij later 7 kinderen kreeg.  Twee ervan stierven op jonge leeftijd.

 

Linnaeus was een krak in alles wat hij ondernam.  Hij behaalde in Harderwijk een doctoraat door zijn bevindingen over malaria, had een succesvolle praktijk als arts in Stockholm, werd in Zweden op handen gedragen door zijn studenten als humoristisch en charismatisch hoogleraar geneeskunde.  Zijn humor blijkt ook uit het feit dat hij voor de gewone pad de naam ‘Bufo bufo’ verzon, zijn manier om zijn Franse collega en leeftijdgenoot De Buffon te ‘eren’.

 

In 1735 ging hij in Nederland in dienst als privé-arts bij de steenrijke directeur van de Oost-Indische Compagnie, George Clifford.  Deze man had te Haarlem een gigantische collectie dieren, zeldzame tropische planten, boeken en herbariumspecimens.  Linneaus kweekte er als eerste Europeaan bananen!  De 18de eeuw was de eeuw van de nieuwsgierigheid, de eeuw van de verzamelwoede en rariteitenkabinetten kregen meer wetenschappelijke aandacht.  Linnaeus bracht in 1737 dan ook het werk ‘Hortus Cliffortianus’ uit, waarin hij de collectie van Clifford beschreef en probeerde te ordenen. 

 

Linnaeus stierf op 10 januari 1778 en heeft de wetenschap 70 boeken en tal van stellingen en documenten nagelaten.  In de periode na zijn dood was de ‘Linnaeaanse plantkunde’ erg populair in Europa.  Zo ook bij ons waar Natalis-Joseph de Necker een flora opstelde volgens de classificatie van Linnaeus.  Van der Stegen de Putte en Rozin waren aanhangers van Linnaeus en richtten in 1795 de ‘Sociéte d’histoire naturelle’ op. Rozin was een Zweed en had les gekregen van Carolus Linnaeus jr.  Beiden gaven les aan de centrale school te Brussel en stonden letterlijk aan de wieg van wat later de Plantentuin geworden is. 

 

Officiële website over het Linnaeusjaar: www.linnaeus2007.se   

 

Persmededeling Nationale Plantentuin

 

 

Het mysterie van de voortplanting (deel I)

 

Iedereen die een beetje biologie geleerd heeft, weet dat bij de mens de bevruchting tot stand komt door de versmelting van een eicel met een spermatozoïde (of zaadcel) en dat een nieuw organisme zich alleen uit een bevruchte eicel kan ontwikkelen.  In de huidige tijd leren de leerlingen in het middelbaar onderwijs wellicht ook wat in-vitrofertilisatie (IVF) en intracytoplasmatische sperma injectie (ICSI) zijn. Eiceladoptie, eiceldonatie en eicelpluk, een term wellicht gevormd naar het woord appelpluk, zijn ook begrippen waarmee jongeren vertrouwd zullen raken.

 

Maar weinigen beseffen dat we eigenlijk nog maar van in de tweede helft van de negentiende eeuw weten op welke manier in het lichaam van een vrouw een nieuw individu ontstaat.

 

Van “dierkens” tot spermatozoïden


De eerste die spermatozoïden van de mens gezien heeft, was de Nederlander Nicolaas Hartsoeker (1656-1725) die bij zijn landgenoot Antoni van Leeuwenhoek (1632-1723) had geleerd hoe men met een microscoop onderzoekingen kan doen. Hij zag als achttienjarige in 1674 die spermatozoïden en noemde ze later “animalculen” – “kleine beestjes”. Het was de Nederlandse fysicus Christiaan Huyghens (1629-1695) die in 1678 in het Journal des Savants
de ontdekking van Hartsoeker bekend maakte.

 

In 1677 kreeg Van Leeuwenhoek het bezoek van de medische student Louis Hamm die hem vertelde dat hij in het Mannelijk zaad levende schepsels daar in konde sien leven. Van Leeuwenhoek hernam die observatie en schreef in 1677 over die spermatozoïden het volgende: “Deselve Dierkens hadden een rondachtig lichaam, voor wat bot rond, agter spits toeloopende, versien met een lange dunne staart, omtrent 5 à 6 maal soo lang als het lighaam, en daar bij seer helder, en omtrent 25 maal dunder als het lighaam.” Van Leeuwenhoek maakte ook de eerste tekeningen van spermatozoïden van de mens.

 

De naam “spermatozoa”, of de daarvan afgeleide term “spermatozoïde”, werd maar in 1826 gegeven door de Duitse embryoloog Karl Ernst von Baer (1792-1876); daarvoor sprak men bijvoorbeeld van “dierkens “ of “animalculen”. Het “dierlijke aspect”, namelijk het beweeglijke van de “dierkens”, bleef wel in de naam spermatozoïde bewaard, want “sperma” betekent wel (mannelijk) zaad, maar “zoïde” is afgeleid van het Griekse “zoion”, wat dier betekent (vergelijk met het woord zoölogie).

 

Eitjes gevormd in de “vrouwelijke teelballen”


Om voor de hand liggende redenen was het heel wat moeilijker om te ontdekken wat het vrouwelijke aandeel is in de ontwikkeling van een nieuw individu. Want de vader levert wel een zichtbaar product af, maar wat bij de moeder het begin van een organisme is, bleef vele eeuwen lang een mysterie.

 

De wereldberoemde Vlaamse anatoom Andreas Vesalius (1514-1564) gaf in zijn De humani corporis fabrica, verschenen in 1543, tekeningen van de eierstokken, die de eerste en meest nauwkeurige waren die toen al ooit gemaakt werden. Vesalius noemde die eierstokken “testis”, teelballen dus, denkend dat de vrouwelijke voortplantingsorganen identiek zijn met de mannelijke, zowel in vorm als in functie. In een Nederlandstalige uitgave van het werk van Vesalius Anatomie oft Levende beelden vande deelen des menschelicken lichaems: met de verclaringhe van dien, inde Neder-duytsche Spraecke, uitgegeven door Christoffel Plantijn in 1568, krijgen wat we nu de teelballen en de eierstokken noemen beide de naam “culleken” of “cul”, wellicht verwant met het Franse platte woord “couille”, dat in het Nederlands overeenkomt met het platte woord “kloot”.

 

De Italiaanse anatoom Gabriël Fallopius (1523-1562) signaleerde in zijn in 1561 verschenen Observationes anatomicae dat er in de “testes” van de vrouw blaasjes aanwezig zijn, die ook Vesalius opgemerkt had. Maar hij kon niet aannemen dat er vanuit die “testes” “zaad” of iets wat tot een organisme kan leiden, in de kanalen die naar de baarmoeder leiden, kunnen terechtkomen, omdat er tussen die “testes” en het aanvangsgedeelte van die kanalen een gaping is. Dit aanvangsgedeelte van wat nu de eileider genoemd wordt, heet nu de trechter van Fallopius. Ook de termen vagina (afgeleid van het Latijnse woord voor de schede waarin een zwaard past), clitoris (afgeleid van het Griekse woord kleitoor dat heuvel betekent) en placenta (afgeleid van het Latijnse woord dat koek betekent, ook moederkoek genoemd) zijn van dezelfde Fallopius afkomstig.

 

De bekende Engelse arts William Harvey (1578-1657), de ontdekker van de bloedsomloop, onderzocht de kanalen die naar de baarmoeder leiden, de baarmoeder-hoornen, van talrijke hinden en kwam tot het besluit dat zowel bij vogels als bij zoogdieren, de mens incluis, de organismen zich ontwikkelen uit een ei. Hij is er echter niet in geslaagd om een dergelijk ei of eitje te vinden. Zijn boek Exercitationes de Generatio Animalium, verschenen in 1651, draagt op een van de eerste bladzijden het opschrift Ex ovo omniaAlles ontstaat uit een ei. Harvey wist echter nog niet dat die “eieren” gevormd worden in wat we nu de eierstokken noemen; hij aanzag die organen als een soort lymfeklieren.

 

Een belangrijke stap vooruit werd gezet door de Deense anatoom Niels Stensen, beter bekend als Nicolaas Steno (1638-1686). Hij studeerde in Nederland en in Frankrijk en in 1667 stelde hij dat de “vrouwelijke teelballen” eigenlijk organen zijn die eieren vormen zoals bij de vogels en de reptielen. Hij noemde dit orgaan dan ook “ovarium”, waarin het woord “ovum” of ei zit, en dat we nu in het Nederlands eierstok noemen. Hij had zijn onderzoekingen gedaan bij vrouwelijke hondshaaien, waarbij hij duidelijk had kunnen vaststellen dat er vanuit die ovaria eitjes loskomen die zich binnen een zogenaamd eikapsel ontwikkelen tot jonge organismen. In 1675 publiceerde hij Observationes anatomicae spectantes ova viviparium, waarin hij de eieren van de verschillende zoogdieren beschrijft en ervan uitgaat dat ook bij een vrouw uit de eierstokken eieren vrijkomen. Nicolaas Steno had zoals Fallopius bij de hondshaai dezelfde gaping tussen het ovarium en de eileider waargenomen, maar hij stelde dat de eitjes toch door de eileider opgevangen worden, zodat het bezwaar van Fallopius wegviel. We weten nu dat ook bij de mens die gaping geen echte barrière is, tenzij de eicel bijvoorbeeld toch in de buikholte terecht komt wat tot een buitenbaarmoederlijke bevruchting kan leiden. Steno is nog niet zo lang geleden in de belangstelling gekomen; hij werd in de zeventiende eeuw priester en bisschop en werd in 1988 door paus Johannes Paulus II zalig verklaard.

 

Na Nicolaas Steno raken steeds meer onderzoekers ervan overtuigd dat de “vrouwelijke teelballen” eigenlijk ovaria zijn die dus eitjes afscheiden. Onder meer de Leidse hoogleraar Johannes Van Horne (1621-1670) en de Amsterdamse anatoom Theodorus Kerckring (1640-1693) waren daarvan overtuigd.

 

Van eitje tot eicel

In 1672 beschreef Reinier de Graaf (1641-1673) de blaasjes in de eierstokken in zijn boek De mulierum organis generationi inservientibus tractatus novus [Nieuwe verhandeling over de functie van de vrouwelijke voortplantingsorganen]. Hij eiste niet de eer op van de ontdekking, want Vesalius en Fallopius hadden die eiblaasjes ook al getekend en beschreven. De Graaf onderzocht bij konijnen het verband tussen de veranderingen die in die eiblaasjes of follikels optreden en de paring. Hij heeft in die follikels geen eitjes gezien en beschouwde een hele follikel als een eitje. Naar De Graaf worden dominante follikels in een eierstok nu follikels van de Graaf (Graafse follikels) genoemd.

 

Het duurde dan weer tot 1797 vooraleer de Schot William Cruikshank (1745-1800) bij konijnen kon vaststellen dat eitjes gevormd worden in de eierstok en niet in de eileider zoals sommigen dachten. In 1824 kunnen de Zwitserse fysioloog Jean-Louis Prévost (1790-1850) en de Franse chemicus Jean-Baptiste Dumas (1800-1884) bij onderzoekingen op een teefje aantonen dat er een verschil is tussen een follikel en een eitje, maar dat eitje hebben ze nog niet kunnen waarnemen. Deze twee onderzoekers tonen ook aan dat spermatozoïden noodzakelijk zijn voor een bevruchting. En eindelijk in 1827 kon de Duitse embryoloog Karl Ernst von Baer (1792-1876) in zijn Epistola de Ovo Mammalium et Hominis generi [Brief over het ei van de zoogdieren en over de voortplanting bij de mens] schrijven dat hij bij een vrouwelijke hond in de follikels van de eierstok eitjes gezien had, 153 jaar nadat Nicolaas Hartsoeker voor het eerst spermatozoïden had waargenomen. Von Baer breidde deze kennis ook uit voor de mens en kon dus eindelijk verklaren hoe het komt dat een nieuw organisme eigenschappen én van de moeder én van de vader bezit, omdat dit organisme ontstaat uit respectievelijk een eitje van de moeder en een spermatozoïde van de vader.

 

Met het ontstaan van de celtheorie – alle organismen bestaan uit cellen – kon de Duitse fysioloog Theodor Schwann (1810-1882) vanaf 1839 het eitje gelijkstellen met een cel: de eicel. En tegen ongeveer 1870 werd ook een spermatozoïde als een cel beschouwd: de zaadcel. De menselijke eicel met de omringende cellen werden pas in 1928 heel gedetailleerd beschreven door de Amerikaan Edgar Allen (1892-1943), de ontdekker van het hormoon oestrogeen.

 

We hebben niet kunnen ontdekken wie voor het eerst een goede tekening of een foto van een menselijke eicel gepubliceerd heeft, maar we menen ons te herinneren dat we in de jaren 1950 nooit een dergelijke foto gezien hebben. Wel kon men dan foto’s aantreffen van een eicel en van delingsstadia van een bevruchte eicel van het konijn. Nu kan men met in het zoekvenster van Google het woord “eicel” aan te tikken en dan via de rubriek “Afbeeldingen” prachtige foto’s van de menselijke eicel op het computerscherm zien.

 

In een volgende bijdrage gaan we dieper in op de geschiedenis van de ontdekking van de bevruchting.

 

Walter Deconinck (Kortrijk)

 

 

Nano nu

 

Het Vlaams Instituut voor Wetenschappelijk en Technologisch Aspectenonderzoek organiseert op vrijdag 9 en zaterdag 10 november 2007 in het Vlaams Parlement het technologiefestival Nano Nu.

Het programma van vrijdag 9 november is volledig afgestemd op scholen en leerkrachten (in de eerste plaats de derde graad S.O.).  Er werd een lespakket nanowetenschappen en technologie ontwikkeld dat leerkrachten weten-schappen (biologie, fysica, chemie,…) in hun lessen kunnen gebruiken om een bezoek aan Nano Nu voor te bereiden. Dit lespakket wordt volledig gratis verspreid en omvat één brochure per leerling, een leerkrachten-handleiding, enkele vragenlijsten om de kennis te toetsen en een kwartetspel om de kennis op een meer speelse manier te testen.

Bezoekende klassen ontvangen een gratis lunch.  Binnen de lessen Nederlands kunnen de leerlingen meedoen aan een essaywedstrijd over nanowetenschap en technologie.

U vindt alle informatie op http://www.nanonu.be.

Meer info:  Stef Steyaert, 0496/807 117, mailto:stef.steyaert@vlaamsparlement.be

 

 

SCIENTISTS@WORK: 5de editie

 

Dit schoolproject biedt de mogelijkheid om met een groep leerlingen een praktische proef in de levenswetenschappen uit te voeren in een échte wetenschappelijke omgeving.  Een proef die leerkrachten waarschijnlijk ook plannen in klasverband maar ditmaal in een écht academisch of industrieel labo!

 

Het wedstrijdelement (en de kans op een leuke prijs) geeft dit schoolproject een extra dimensie en onderscheidt het van bestaande initiatieven.  Voor veel leerlingen is dit net de extra motivatie die ze nodig hebben om heel actief deel te nemen.

 

Wie kan deelnemen?

Elke leerkracht van het ASO, BSO, KSO en/of TSO met een groep leerlingen van de 2de en/of de 3de graad, maximum 15 leerlingen per groep.  Bij de selectie van de laureaten en winnaars worden 2de  en 3de graad niet met elkaar vergeleken. 

 

Hoe inschrijven?

Door het inschrijvingsformulier op de website http://www.scientistsatwork.be in te vullen.  Inschrijven kan tot en met 16 september via deze website. 

Op 28 september wijst VIB de ingeschreven groepen een finaal project toe en houdt hierbij rekening met hun voorkeur.

VIB brengt de groepen vervolgens in contact met de begeleidende wetenschapper(s) van hun project om de data voor het experiment af te spreken (tussen oktober 2007 en februari 2008) en om het niveau van de leerlingen te bespreken.  Zo kan de wetenschapper zich zoveel mogelijk afstemmen op de noden van de groep.

 

De resultaten komen in een eindwerk


Een beschrijving van het project en de resultaten van de proef, bedenkingen, interacties met andere wetenschappers enz. dienen neerge-schreven te worden in een eindwerkje, dat aan een beperkt aantal criteria moet voldoen.  Deze criteria vindt u op de website.

Dit eindwerk dient ten laatste op 9 april 2008 om 8.00 uur ingediend te worden bij VIB.

 

10 laureaten gaan naar de slothappening

Op 23 april selecteert een onafhankelijke jury uit de ingezonden eindwerken 10 laureaten. 

Tijdens de slothappening op 14 mei in de Aula van de universiteit Gent stellen deze laureaten hun werk voor door middel van een poster en een mondelinge presentatie, gevolgd door een korte vragenronde door de jury.   Deze jury selecteert de 3 winnaars.  Alle deelnemers krijgen een leuk aandenken en voor de 3 winnende teams wacht een mooie prijs.  

 

Vragen kunt u stellen aan Inge Geysen (mailto:inge.geysen@vib.be).  Praktische informatie:  zie http://www.scientistsatwork.be. 

 

 

Stages – bijscholingen – symposia

 

Het lichaam extreem belast

 

Datum: woensdag 17 oktober (14-17 uur)

Plaats: UA-CNO, Universiteitsplein 1, 2610 Wilrijk

Programma: vanuit ergonomisch standpunt worden de extreme belasting van het menselijk lichaam in de sport, in werksituaties en in het dagelijks leven praktisch bekeken.  De voorbeelden voor de leerlingen zijn te situeren in de humane biologie, de fysica en de lichamelijke opvoeding.

Onkosten: € 30,00

Info: http://www.ua.ac.be/cno; 03/820 29 60 (Paul Reynders)

 

 

Vragenrubriek

 

Vraag 37/5/290 – Afgietsels

 

In sommige scholen bezit het biologielokaal afgietsels van fossiele paardachtigen (Eohippus? Mesohippus? Miohippus? Meryhippus?).  Kan er mij iemand de tekst bezorgen van de kaartjes met uitleg die bij deze afgietsels horen?  Is er ook een firmanaam vermeld?  De leermiddelenhandel Dr. F. Krantz uit Bonn verkoopt in alle geval deze leermiddelen.

 

Walter Deconinck, (Loncinstraat 15, 8500 Kortijk)

 

 

Onderwijstips

 

Tip 432 - Informatie over biotechnologie

 

Bij het Vlaams Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie VIB kun je als leerkracht gratis een heleboel documentatie krijgen.


Brochures
(15 blz.)

- Erfelijkheid bij de mens: aan genen zijde

- Wat is biotechnologie?

- Biotechnologie: gezondheid

- Biotechnologie: landbouw en voeding

- Klonen en celkerntransplantatie

- Veiligheid van genetisch gewijzigde gewassen

- Xenotransplantatie: het beest in de mens

- Enzymen.  In je lijf en in je leden.


Boek

- Biotechgids: landbouw en voeding (103 blz.)


Cd-rom

- BioTrom: animaties over labotechnieken en -toepassingen

 

VIB, Rijvisschestraat 120, 9052 Gent, 09/244 66 11, www.vib.be, info@vib.be

 

 

Koninklijk Antwerps Genootschap voor Micrografie

 

03/09 – D  Brainstorming 75 jaar KAGM.

10/09 – P  Naald van een Pinussoort

17/09 – P  Vervelling van spinnenpoten

24/09 – P  Een gramkleuring

01/10 – C  Het benthos

08/10 – D  Mooie micro-opnamen 

15/10 – P  Een druivenstengel

22/10 – C  Geschiedenis van de microscoop 

29/10 – P  Staart van een salamander

05/11 – P  Blad van de Ginkgo biloba