MEI 2007

 

 

 INHOUD

 

·       Vlaamse Biologie-olympiade 2007

·       Exit BIO? - 1 jaar later!

·       Werkgroepleiders gezocht

·       Lln. 1ste graad A-stroom struikelen over eindtermen biologie

·       De 5 hoogtepuntideeën van een biologieles

·       Grootte van voortplantingscellen

·       Veenvrije potgrond

·       KBIN

·       Brief van de Zoo

·       Koninklijk Antwerps Genootschap voor Micrografie

·       Colofon

 

 

 

 

 

Vlaamse Biologie-olympiade 2007

 

Voor de preselectie schreven 1213 leerlingen in (130 meer dan vorig jaar) maar slechts 954  namen er effectief aan deel (d.i. 107 meer dan vorig jaar). Dat waren leerlingen van 143 collega's.  Hiervan zijn er 47 nog geen lid van VOB.  Zij werden aangeschreven.

 

 

Verdeling per universiteit:     

t.o.v. 2006

KULeuven 129 ingeschreven + 07
KULAK   275 ingeschreven + 28
UHasselt  186 ingeschreven + 50
UA 119 ingeschreven + 17
UG 373 ingeschreven s.q.
VUB 131 ingeschreven + 11

                                                      

                                                                                                                                     .

                                                                   

 

De hoogste score bedroeg 87,9 % (89,1 % in 2006), het gemiddelde lag op 35,65 % (vorig jaar 32,56 %). 

 

Dit zijn, alfabetisch gerangschikt, de laureaten (en hun leerkrachten). 

 

Bueken Bart - Koninklijk Atheneum Tienen - Jules Robijns

Coessens Gwen - K.A. Erasmus De Pinte - Rose Lips

Cools Vic - Klein Seminarie Roeselaere - Elke Viaene

De Mesmaeker Arnout - Sint-Amandscollege Kortrijk - Robert Vantomme

Desmet Jakob - Don Boscocollege Kortrijk - Nadine Plovie

Dugardein Gert-Jan - Lyceum Ieper  - Carmen De Laere

Grillet David -Sint-Amandscollege Kortrijk - Robert Vantomme

Melis Céline - St.-Janscollege Poperinge - An Casteleyn

Peirs Sofie - Sint-Amandscollege Kortrijk - Robert Vantomme

Schuermans Thomas -      Wico Neerpelt - Nelly Beckers

Van Boxem Ruben - O.-L.-Vrouwecollege Antwerpen - Tom De Bruyn

Van Lint Willem - O.-L.-Vrouwecollege Antwerpen - Tom De Bruyn

Van Overmere Bram - O.-L.-V.-van-Lourdescollege Edegem - Edmond Van der Mueren

Verbelen Leander - O.-L.-Vrouwecollege Antwerpen - Tom De Bruyn

Vercaemst Louis - Sint-Amandscollege Kortrijk - Robert Vantomme

Verhelle Adriaan - St.-Jozefscollege Izegem - Marianne Vanderzande                                                                              

 

Hun resultaten liggen tussen 87,9 % en 72,0 % (respectievelijk 89,1 % en 72,1 % vorig jaar).  Tijdens de stage (31 maart - 3 april) kregen ze een theoretische en/of praktische bijscholing over dissectie ongewervelden, plantenanatomie, plantenmorfologie, systematiek, microscopie, evolutiereconstructie, DNA-technologie, DNA-elektroforese, levenscycli en ongewervelden.  Op 28 april legden ze een eindproef af met een theoretisch en een praktisch gedeelte.

 

De proclamatie zal iop 23 mei plaatsvinden.  Onze 2 finalisten mogen Vlaanderen vertegenwoordigen in Canada.

 

Herman Snoeck (stagebegeleider VBO)

 

 

Exit BIO? - 1 jaar later!  

 

In BIO van maart 2006 stelde ik de vraag wie in de toekomst voor BIO en voor het Jaarboek gaat zorgen.

Aan de hand van een brief van collega Koen Verschoore deed ik in BIO van mei 2006 enkele voorstellen.  Hieronder een uittreksel uit dat artikel, met de resultaten van mijn oproep.

 

…met de hoop dat er meteen nog een aantal andere collega's mee op de kar springen.

Resultaat: nihil.

 

…Ik verwacht artikeltjes, tips en andere bijdragen op herman.snoeck@antwerpen.be 

Resultaat: 1 artikel na het verschijnen van deze BIO.

 

…BIO zesmaal per jaar laten verschijnen is voorlopig nog niet zo'n probleem…

Resultaat: wij van VOB blijven (tegen beter weten in?) zorgen dat onze leden regelmatig een interessant mededelingenblad ontvangen.  Dat 'interessant' is niet van ons, maar wel van alle collega's die er hun appreciatie over uitspraken.

 

"Vind je dat het aantal BIO's per jaar moet verminderen naar 4 of niet.  Mail me gewoon JA (= verminderen) of NEEN (6! 6! 6!)."  

Resultaat: 1x 6; 1x 4 of 6, als het maar interessant is.

 

Hierbij dus een oproep aan alle verantwoordelijke organisatoren van provinciale bijscholingen biologie (en ik hoop dat ze allen lid zijn van VOB): "Maak jezelf kenbaar via mijn mailadres.  Zo kan ik je periodisch vragen of er tijdens de bijscholing interessante en publiceerbare/-klare teksten werden rondgedeeld."

Resultaat: geen reacties.

 

…Verhandelingen en thesissen van universiteiten en hogescholen moet je de juiste personen kennen en dat ligt op dit ogenblik wat moeilijk.  Vinden we dan collega's die tijd genoeg hebben om deze werken naar het secundair toe te vertalen?

Resultaat: 1 collega deed een bruikbare suggestie, voor het jaarboek, maar door tijdsgebrek kon ik daar geen gevolg aan geven.

 

…collega's die zich verbinden om aan de hand van artikels uit een wetenschappelijk tijdschrift (dat ze zelf mogen kiezen) bruikbare gegevens voor BIO of het Jaarboek te schrijven mogen mij mailen, met opgave van alle gegevens over het tijdschrift dat ze voorstellen.

Resultaat: nihil.

 

Collega's, de kar die Koen heeft voorgeschoven staat klaar.  Wij bij VOB hopen dat er flink wat jongere leerkrachten komen meeduwen, zodanig dat BIO en het JAARBOEK ook in de toekomst nog datgene kunnen zijn voor de huidige en toekomstige biologieleerkrachten wat ze voor ons, die ouder en gepensioneerd werden met VOB, hebben betekend.

Resultaat: nihil.

 

Ondertussen heeft redacteur Vik Casteels zijn laatste Jaarboek afgeleverd, dat eerdaags bij elk lid in de bus zal vallen…  maar zijn opvolging is nog niet verzekerd.

 

Herman Snoeck (redacteur BIO)

 

 

Werkgroepleiders gezocht

 

Wij zijn op zoek naar collega's die een van volgende werkgroepen willen uitwerken.  Sinds de oproep in BIO van januari heeft nog niemand gereageerd.

·           Proeven voor de 1ste graad.

·           Bruikbare, uitgewerkte practicumproeven 2de en 3de graad.

·           DNA, DNA-elektroforese, DNA-sequenties en PCR.

·           Evolutie, heden, toekomst?  Evolutie: recente gegevens.  Waar haal je informatie op leerlingenniveau over evolutie van de mens?   Evolutieleer: didactische uitwerking voor de leerlingen. Evolutie mens. Hoe evolutie aanpakken in 6 ASO?

·           Genetische manipulatie.  Gentechnologie (debat pro en contra).  Genetica bij de mens.  Toepassingen van genetische manipulatie.  GGO: stand van zaken, mogelijkheden voor de toekomst.

·           Immuniteit, practicum immunologie

·          Leerstof 4de jaar ASO, TSO, BSO (didactische verwerking, toepassingen, vragen

·          Voeding. Contextgerichte practica over voeding.  Actuele voedingstechnologie (- kwaliteit). Voeding: GGO, additieven. Voedingsmiddelen-technologie (TSO). 

 

Herman Snoeck (congrescoördinator)

 

 

Leerlingen 1ste graad A-stroom struikelen over eindtermen biologie

 

Op vraag van minister Frank Vandenbroucke werden begin juni 2006  4700 leerlingen uit 124 Vlaamse scholen 'getoetst' om te onderzoeken in welke mate de eindtermen biologie bereikt worden.

 

Schriftelijke toetsen

NT = Nederlandstalig

AT = anderstalig thuis (14 %)

   NT

AT

Gezondheidszorg 83 %  62 %
Milieuzorg  70 % 42 %
Ecosystemen  68 % 45 %
Seksualiteit en voortplanting 61 % 37 %
Bouw en werking menselijk lichaam 47 % 20 %
Basis van het leven  35 % 21 %
Organismen  44 % 10 %

                                    

                                                  

 

Onderlinge verschillen in de resultaten worden verklaard door de school (15 %), de klas (14 %), jongen of meisje, al of niet zittenblijven, aanpak door de leerkracht (volgens hun leerlingen), gekozen basisoptie.

Scholen uit een landelijk gebied laten hogere scores zien dan  scholen uit een stedelijke omgeving.

Het belang van een goede taalkennis bewijst de vergelijking tussen de resultaten van de leerlingen die thuis Nederlands spreken met die van de anderstalige leerlingen.

 

Aangezien de eindtermen minimumdoelen zijn, mogen de resultaten alarmerend genoemd worden.

 

Praktische proeven

De leerlingen slagen er maar zelden in een praktische proef over de hele lijn correct uit te voeren.

 

Opdrachten met de microscoop (einde 2de jaar)

25% van de leerlingen zegt dat ze nooit eerder met een microscoop hebben gewerkt

66 % van de leerlingen geeft aan dat ze al eerder een microscoopisch preparaat hebben gemaakt, maar slechts 30 % doet dat volgens de regels van de kunst.

75 % van de leerlingen slaagt erin een relatie te leggen tussen de waargenomen afmeting van een microscopisch beeld en de werkelijke grootte.

 

De kenmerken van een plant/dier bepalen

Macroscopische kenmerken van robertskruid of boterbloem identificeren aan de hand van een plantendelenkaart:  meer dan de helft van de leerlingen konden 7 kenmerken identificeren, 3 kenmerken werden door minder dan de helft gevonden en 2 kenmerken (biotoop van de plant en doorsnede van de stengel) door minder dan 1/3.

Een diertje vangen en identificeren aan de hand van een determineertabel: meer dan 60 % van de leerlingen kon het correcte aantal poten tellen (?!), meer dan 80 % kon  het correct determineren maar het omschrijven van de kenmerken was voor meer dan de helft te moeilijk.

 

Waarnemingsopdrachten in een bos

Leerlingen vinden het niet gemakkelijk om struiken te determineren op basis van een bladerentabel: 93 % deed dit al wel eens eerder, maar slechts 3 % loste de opdracht volledig foutloos op.

Leerlingen kunnen moeilijk besluiten trekken uit hun observaties: 69 % trok een juist besluit over de invloed van de mens op het bos, 53 % gaf daarvoor de juiste argumenten, 28 % gaf een juist besluit maar geen goede argumenten en 12 % gaf goede argumenten maar geen juist besluit.

 

Scholen of leerkrachten kunnen geen negatieve gevolgen ondervinden van de resultaten van hun leerlingen op een peiling.  Er wordt immers gepeild naar het niveau van het Vlaamse onderwijssysteem.  Met peilingen wil de overheid een algemeen beeld krijgen van de kwaliteit van het onderwijs in het Vlaamse land.

 

Scholen zijn vaak op zoek naar goede instrumenten om na te gaan in welke mate ze in hun opdracht slagen.  Meer bepaald willen ze valide en betrouwbare toetsen die op grote schaal genormeerd zijn en waarmee ze zichzelf kunnen positioneren.  Het is niet de bedoeling om alle scholen aan een peiling te laten deelnemen.  Een steekproef van scholen en leerlingen volstaat.  Om tegemoet te komen aan de vraag van scholen naar goede instrumenten, zullen de onderzoekers voortaan zowel een toets voor de peiling ontwerpen als een parallelversie van deze toets.  Deze parallelversie meet exact hetzelfde als de landelijke peilingtoets maar bestaat uit andere - gelijkaardige - opgaven.  De overheid zal deze paralleltoets telkens ter beschikking stellen van alle scholen nadat de resultaten op de landelijke peiling zijn bekendgemaakt.  Elke school die deze paralleltoetsen wenst, kan ze dan gebruiken om na te gaan of ze de betrokken eindtermen of ontwikkelingsdoelen heeft gerealiseerd.  Scholen uit de steekproef en scholen die de paralleltoetsen aanvragen, kunnen zichzelf een spiegel voorhouden op basis van de resultaten op deze wetenschappelijk onderbouwde toetsen.  De eerste paralleltoetsen zullen ter beschikking zijn in 2008, het gaat dan om parallelversies van de peilingen die in 2007 zullen worden afgenomen.  Voor deze peiling biologie komt er geen parallelversie.  De constructie van een parallelversie zat immers niet vervat in de toenmalige onderzoeksopdracht en de daaraan verbonden onderzoeksopzet.

 

Lees ook nog eens 'Het vak biologie ter discussie' in vorige BIO.

 

Herman Snoeck (toetsassistent peiling biologie)

 

 

Oproep

 

Bouw en werking menselijk lichaam            47 %     20 %

Basis van het leven                                     35 %     21 %

Organismen                                                44 %     10 %

 

Beste collega's uit de eerste graad,

 

Ik schrok toen ik deze uitslagen zag.  En ik dacht terug aan de 15 jaren dat ik deze lessen zelf heb gegeven, lessen die voor onze leerlingen aan de basis liggen voor hun verdere kennis van de biologie.

 

Dit was de inhoud van de peiling.

 

Bouw en werking menselijk lichaam

Belang van de stofwisseling; bouw en werking van de verschillende stelsels binnen het menselijk lichaam; werking van het bewegingsapparaat.

Basis van het leven

Kenmerken van een levend wezen; cel, weefsel, orgaan, stelsel, organisme; de onderdelen van een cel herkennen en benoemen.

Organismen

Herkennen en determineren van een aantal organismen uit een biotoop; delen van een zaadplant kunnen benoemen; fotosynthese.

 

Zeg nu zelf, toch wel degelijk basisleerstof met basisbegrippen.

 

Daarom deze oproep.

Welke 3 collega's met een aantal jaren leservaring biologie in de 1ste graad S.O. zijn bereid om op het volgende Vlaams Congres van Leraars Wetenschappen (17 november) over een van deze onderwerpen te komen vertellen hoe zij dit onderwerp aanpakken in de klas (leerstof, leergang, didactisch materiaal)?

 

Ik wil gaarne helpen met informatie e.d.

 

Herman Snoeck

(regent wetenschappen - aardrijkskunde)

 

 

De vijf hoogtepuntideeën van een biologieles

 

Een biologieles is, zoals elke les, opgebouwd uit een geheel van ideeën: begrippen met hun definitie en proposities (verbanden tussen begrippen), zoals feitelijke gegevens en veralgemeningen.

 

Er wordt verwacht dat leerlingen deze ideeën uiteindelijk beheersen, d.w.z. verwerven en integreren in hun kennisbestand.  Na de les moeten ze die ideeën kunnen reproduceren en kunnen toepassen.  De professionaliteit of beroepsdeskundigheid van een leerkracht bestaat erin dat hij of zij in staat is de ideeën waaruit een lesinhoud bestaat, zódanig kan overbrengen dat de leerlingen deze ideeën makkelijk kunnen verwerven en integreren.

 

De ontleding van een les in ideeën

 

De inhoud van een biologieles van vijfenveertig minuten, zoals die bijvoorbeeld in een leerboek beschreven staat, kan altijd ontleed worden in onderdelen. We zouden dat bijvoorbeeld kunnen doen door de gedrukte tekst om te zetten in onder elkaar geplaatste zinnen.  In een eerste lestekst over “De samenstelling van het bloed”, bestemd voor de eerste graad van het middelbaar onderwijs, telden we zo 37 zinnen.  Een tweede lestekst over “De bloedcellen” telde ook nog eens een 40-tal zinnen.  Elk van die zinnen heeft een inhoud die interessant zou kunnen zijn om te weten en dus om te verwerven.  De vraag is nu: is het realistisch om aan te nemen dat leerlingen van 12 tot 13 jaar de inhoud van die 37 zinnen echt zullen verwerven?  We geloven van niet.  Van iemand die gespecialiseerde studies doet kunnen we dat natuurlijk wel eisen (geneeskunde, verpleegkunde, medische analiste, biologieleerkracht).

 

Het is nu aan de leerkracht om uit die lange reeks van zinnen die ideeën af te zonderen die de jonge leerlingen wel moeten verwerven en uiteindelijk beheersen, d.w.z. kunnen reproduceren en kunnen toepassen.  De beroepsdeskundigheid van de biologieleerkracht bestaat er nu weeral in dat hij in staat is om uit de veelheid van ideeën die in een biologieles steken de belangrijkste ideeën uit te halen.  We noemen die ideeën de hoogtepuntideeën van een les.  We zouden ze ook kunnen beschouwen als de hoofdzaken of de essentialia van een les.

 

Hoe selecteren we de hoogtepuntideeën?

 

Wanneer is een idee uit een les een hoogtepuntidee?  We denken daarbij aan een vijftal criteria en passen die toe op een les over het bloed.

1.       Het idee bevat de definitie van een fundamenteel begrip. Bijvoorbeeld: “Het bloed is de transportvloeistof van het lichaam.” In andere hoogtepuntideeën zullen natuurlijk ook definities voorkomen.

2.       Het idee is de samenvatting of de veralgemening van een reeks feitelijke gegevens. Bijvoorbeeld: “Bloed bestaat uit een vloeibaar gedeelte, het plasma, en vaste deeltjes, nl. rode en witte bloedcellen en bloedplaatjes.”

3.       Het idee legt een of meer verbanden met kennisinhouden die vroeger bestudeerd werden. Bijvoorbeeld: “Rode bloedcellen vervoeren zuurstof vanuit de longen naar alle delen van het lichaam.”

4.       Het idee is zodanig geformuleerd dat het makkelijk én te begrijpen én te onthouden is. Bijvoorbeeld: “Witte bloedcellen kunnen vreemde lichamen (bacteriën, vreemde stoffen) die in het bloed terechtkomen vernietigen.”

5.       Het idee kan eventueel met een vlot te maken tekening geďllustreerd worden. Bijvoorbeeld: een getekende glazen pot, voor de helft “gevuld” met de vaste bestanddelen van het bloed en voor de andere helft met plasma.

 

Hoeveel hoogtepunten in een les?

 

Wanneer we destijds in de normaalschool aspirant-leerkrachten begeleidden bij hun eerste lessen, moesten we veelal vaststellen dat ze weinig of geen oog hadden voor de belangrijkheid van de hoogtepuntideeën in een les.  Het angstvallig streven naar het “ingevuld krijgen” van werkbladen was daarvan een van de oorzaken.  Werkbladen hebben vele voordelen, maar er bezorgd door gedirigeerd worden is toch niet goed.  Een biologieleerkracht moet zich in een les enkele keren van de werkbladen volledig kunnen losmaken en moet na een leergesprek- of doceerfase als een echte autoriteit een gevatte formulering van de belangrijkste ideeën van de les, d.w.z. de hoogtepuntideeën, kunnen geven.

 

In een les moeten niet meer dan een vijftal hoogtepuntideeën voorkomen.  Dat kan ook wat minder of wat meer zijn.

 

We kunnen dat ook in beeld brengen.  Een les zonder hoogtepunten is een “platte les”, die we kunnen voorstellen door een rechte lijn.  Er is geen enkele verheffing van de toon, geen uitbarsting, geen paukenslag, geen vuurwerk.  Een les waarin de leerkracht een vijftal hoofdzaken benadrukt, is een “les met hoogtepunten”, die we kunnen voorstellen door een lijn waarin pieken zitten.  In wielertermen: een vlakke rit en een bergrit.  Terwijl de leerkracht in een lesuur met de leerlingen door de lesinhoud “rijdt”, moet hij een vijftal keren op een “bergtop”staan, hoogtepunten die de leerlingen echt moeten beheersen.

 

Walter Deconinck (Kortrijk)

 

 

Grootte van voortplantingscellen

 

Sommige collega's zullen bij de lessen over voortplanting mogelijk een beetje vergelijkend cijfermateriaal willen geven.  Voor hen volgen enkele voorbeelden.

Voor Google raad ik de Engelse versie aan.  Als je bv.  Drosophila melanogaster intikt, krijg je echter zoveel informatie dat het veel tijd vraagt vooraleer je bij de lengte van een zaadcel terechtkomt.  Tik je eerst "spermcell" in, en vraag je bijkomend naar het fruitvliegje, dan krijg je het antwoord in een oogwenk.  Laat de leerlingen eens een gokje doen!

 

Zaadcellen

Lengte spermatozoďde mens: 58-67 µm, met kop van 4,5-5,5 µm.

De meeste leerlingen kunnen zich niet voor-stellen hoe lang dat is.  Als je echter zegt dat er 15 á 17 zaadcellen - kop aan staart gelegd - in 1 mm gaan, zullen die getallen iets duidelijker worden.

(Snelheid van menselijke zaadcellen: 1,3 á 2,6 mm/s, of max. 5,6 cm per minuut.  Dat is + gelijk aan de gemiddelde snelheid van pantoffeldiertjes.)

 

Zaadcel van een blauwe vinvis: 56 µm.  Waarschijnlijk zijn er ook een boven- en ondergrens van die lengte.  Voorstel: 'Dus ± even lang als bij de mens.'

 

Zaadcel van een rat: 170-200 µm met kop van 10 µm.  Zaadcel van een muis: 100 µm.  Muizen en ratten hebben dus veel grotere zaadcellen dan een mens.

Ook het acrosoom van knaagdieren is opvallend: het is haakvormig.

 

Een fruitvliegje (Drosophila melanogaster) is gemiddeld 5,8 mm lang.  Toch heeft het zaadcellen van 1,8 mm = 1800 µm lang!  De zaadcellen van het eerste zijn zo groot, dat het sperma van de volgende 'kandidaat' die zaadcellen niet kan wegspoelen.  Een mooi voorbeeld van spermacompetitie!

Daarenboven is een fruitvliegje niet 'willig' voor andere ♂♂.  Als ze na een ingewikkeld paringsritueel ingaat op de avances van een  , zal ze proberen een volgende poging te verhinderen door ofwel het lichaam helemaal te strekken, ofwel het achterlijf sterk te krommen, ofwel de vleugels tegen elkaar aan te strekken.

 

Eicellen

Ř van een eicel van een mens: 100 µm.

Ř van een eicel van een blauwe vinvis: 130µm.

Dus nauwelijks groter!

Ř van een eicel (dus de dooier!) van een struisvogel: 75 mm. 

Het volledige ei meet ± 150 x 130 mm, massa ± 1,50 kg. (Kippenei: 50 g.)

Ř van een eicel van een python: 60 x 120 mm.

Ř van een eicel van een alligator: 50 mm.

Ř van een eicel van een kikker: 0,5 mm.

Ř van een eicel van een snoek: 1 mm.

Ř van een eicel van een honingbij: 1,75 mm.

Ř van een eicel van een fruitvliegje: 0,5 mm.

 

Bronvermelding voor de meeste getallen:

Findt R., 2000.  Biologie in Zahlen.  Eine Datensammlung in Tabellen mit über 10 000 Einzelwerten.  Spektrum Akademischer Verlag, Heidelberg - Berlin, 285 p.

 

F. Desfóssés (Edegem)

 

 

Veenvrije potgrond

 

Nu de lente in de lucht zit, reppen tuinliefhebbers zich zoals gewoonlijk naar de tuincentra om hun voorraad zaai- en stekgrond in te slaan.  Nagenoeg alle potgrond die dit jaar in ons land verkocht zal worden, is gemaakt op basis van turf uit veengebieden.  De meeste plantenliefhebbers beseffen helaas niet dat ze door de aanschaf van potgrond meewerken aan de vernieling van de veengebieden, een van de meest unieke en kwetsbare habitats in Europa.  Bovendien draagt het ontginnen van veenge-bieden ook bij tot de klimaatsveranderingen, een hot item op dit ogenblik.

 

Enkele centimeter per eeuw

Veen ontstaat door ophoping van dode plantendelen, zoals veenmos, in moerassen en plassen.  Het veenpakket, vaak duizenden jaren oud want het groeit slechts enkele cm per eeuw aan, is zuur en voedselarm.  Daardoor groeit er in veengebieden een zeer gespecialiseerde flora met soorten als zonnedauw, veenbes, of klokjesgentiaan. 

In de Lage Landen is tijdens de 19de en 20ste eeuw bijna al het veen afgegraven en gebruikt als brandstof of bodemverbeteraar.   Bij ons kun je alleen in de Hoge Venen nog natuurlijke veenrestanten vinden.  Gelukkig werden die vorige eeuw als natuurgebied beschermd.  In Ierland werd enorm veel turf gestoken.  Daar blijft er van de oorspronkelijke 1 200 000 ha 1/12de over.  In Zwitserland en Duitsland resten er nog slechts 500 ha en in Polen en Nederland schiet er zelfs niks meer over.  De turf in de potgrond van vandaag komt vooral uit Oost-Europese, Scandinavische, Russische en Canadese venen.

 

Afval wordt grondstof

Er bestaat nochtans sinds geruime tijd een reeks van evenwaardige alternatieven op basis van afvalproducten zoals bv. compost, kokos en rijstkaf.  In de Nationale Plantentuin Meise worden substraten op basis van kokos gebruikt.  Zij kweken er, inmiddels al bijna een decennium lang, 10 000 verschillende plantensoorten in veenvrij kokossubstraat.  Een van de planten die het in Meise uitstekend in die kokosvezelgrond doet is nota bene de kokospalm zelf.  De laatste jaren doet hij het zelfs zo goed dat hij veelvuldig kokosnoten voortbrengt, helaas nog niet genoeg om zelf kokossubstraat mee te maken.  Kokossubstraat is zeer geschikt voor de meeste planten.  De Nationale Plantentuin roept plantenliefhebbers dan ook op om even na te denken en niet langer een bedreiging te vormen voor de veengebieden. 

 

Broeikasgas

In de meters dikke veenlagen  zit ook een enorme hoeveelheid koolstof opgeslagen die als CO2 vrijkomt, het broeikasgas bij uitstek, bij de ontginning en vertering ervan.  Door de traditionele potgrond te mijden kun je dus ook de CO2 uitstoot beperken.  Bovendien zijn venen, net als fossiele brandstoffen, reserves die ooit opraken; kokos is daarentegen een hernieuwbare grondstof!

 

Kies voor veenvrije potgrond

Plantenliefhebbers zouden in de tuincentra hun wens moeten kenbaar maken om veenvrije potgronden te verkiezen. Aan die vraag kan zelfs vandaag de dag voldaan worden.

De macht ligt dus bij elke tuinliefhebber om deze vicieuze cirkel te doorbreken.  

 

(Persmededeling Nationale Plantentuin)

 

KBIN

 

Vanaf 1 mei tot eind oktober zullen er geen dinosauriërs te zien zijn in het Museum voor Natuurwetenschappen.  De  skeletten worden uiteengehaald en gerestaureerd.

Vanaf 27 oktober wordt in de nieuwe galerij de grootste dinosauriërtentoonstelling van Europa geopend.

Tussen 3 september en 26 oktober is het museum gesloten.

 

 

Brief van de Zoo

 

Beste Mevrouw Van Tenderloo,

 

Allereerst onze dank voor de positieve reactie in het BIO-nummer van maart 2007 op de vernieuwing van onze Reptielenklas en voor uw belangstelling voor de Zoo.  Het doet altijd plezier om positieve reacties te krijgen!

U haalt echter ook een aantal minpunten aan waar we graag op reageren.  Uiteraard zijn er aan alle opstellingen plus- en minpunten, en gebeurt het wel eens dat sommige opstellingen, al lijken ze nog zo goed op papier, in de praktijk niet het verhoopte resultaat geven.  Elke leerkracht die wel eens didactische werkvormen uitprobeert weet uit eigen ondervinding dat ook daar wel eens wat fout kan lopen dat achteraf moet kunnen geremedieerd worden.  Dat is evengoed het geval met dergelijke opstellingen in een dierentuin of een museum.

Eerst en vooral willen we er toch op wijzen dat het vernieuwde Reptielengebouw een heel wat vollediger beeld geeft op een voor de bezoeker veel aangenamere manier van de diversiteit binnen de groep van de reptielen, maar nu ook die van de amfibieën.  We tonen meer dieren op een voor dier en mens verantwoorde wijze.  Dat resulteert spijtig genoeg wel in een (plaatselijk) iets krapper bemeten bezoekersruimte maar we zijn trots op het resultaat voor wat betreft de dierenverblijven.

 

1) Beeldschermen. Uw eerste opmerking betrof de beeldschermen met de naamborden van de soorten.  De Zoo, en met haar vele andere dierentuinen, heeft lang gezocht naar een eenvormige, dier- en mensbestendige (vandalisme!) bebording.

Voor het Aquarium, het Reptielengebouw en het Nocturama, gebouwen waar het altijd relatief donker is, hebben we na lang beraad geopteerd voor schermen.  Zo brengen we op de meest flexibele en duidelijke manier telkens de exacte informatie bij de verblijven, aangevuld met heel wat wetenswaardigheden over de dieren.  Op verschillende schermen wordt er al door een handig pictogram aangegeven over welk verblijf het telkens gaat.   Dit wordt nog verder ontwikkeld.  We onderzoeken nu wel nog de mogelijkheid om her en der een scherm bij te plaatsen en de inclinatie van de schermen te verbeteren in functie van een betere zichtbaarheid.  Dat is een kwestie van normale nazorg.  Als u als klas een (gratis) gids reserveert kan die u trouwens perfect aangeven over welke dieren het in welk verblijf gaat.

 

2) Boom.  De vragen en antwoorden die u aan de boom vindt zijn niet bedoeld voor groepen, daar is de ruimte te beperkt voor.  Wel voor de individuele bezoekers.  Niet alle vragen zijn even ‘ernstig’, dat klopt, we brengen de informatie voor de bezoekers zoveel mogelijk op een ‘entertainende’ manier en dat is niet altijd dezelfde benadering als voor een schoolgroep.  We zijn blij te horen dat de gids ze in elk geval interessant genoeg vond om ze met uw klas te bekijken, maar in zo’n geval kan dat onderwerp beter anders aangepakt worden.  De ‘bomen’ zijn trouwens gecamoufleerde zuilen die sowieso in de weg staan want bouwtechnisch zijn ze onmogelijk te verwijderen.  Vóór de vernieuwing was er in elk geval een veel crucialer probleem van doorstroming in de aanloop naar het gebouw op een smal pad doorheen een gedeelte met losvliegende vogels en opstellingen met ongewervelden (die in de toekomst een betere plaats zullen krijgen).

 

3) Stamboom.  Uw opmerking is daar terecht.  Samen met de zoogidsen is er een oplossing in de maak om daar in de nabije toekomst aan te verhelpen, inderdaad ter hoogte van de door u vernoemde fotowanden.

 

4) Evaluatie. Onze projecten worden systematisch geëvalueerd door de Scholenwerkgroep binnen de Zoo, waarin de Gidsenwerking, de Educatieve dienst en de Commerciële dienst vertegenwoordigd zijn.  Uw opmerkingen zijn natuurlijk altijd welkom, in de mate van het mogelijke houden we daar zeker rekening mee.  U moet natuurlijk wel begrijpen dat we als dierentuin met een ontzettend ruime doelgroep rekening moeten houden.

 

Tot zover onze bedenkingen bij uw vragen.  We zijn in elk geval blij dat uw Zoodag meegevallen is en hopen u in de toekomst nog dikwijls te mogen verwelkomen.

 

Met vriendelijke groeten,

 

Peter Van den Eijnde, Park Manager          

Chris Deviaene, Hoofd Educatieve dienst

 

 

Koninklijk Antwerps Genootschap voor Micrografie    

 

Iedereen die geďnteresseerd is in microscopie als hobby is van harte welkom. Hieronder het programma voor de volgende maanden.

(P preparaat maken;  C causerie;  D diversen).

 

07/05 – C  Blauwwieren 

14/05 – P  Kevertjes

21/05 – P  Plantenpreparaat

04/06 – C  Infraroodmicroscopie 

11/06 – D  Plankton

18/06 – P  Stuifmeel

25/06 – P  Dierlijk preparaat

02/07 – C  LED-verlichting bij fasecontrast

 

 

 

Colofon

 

 

 

Lidgeld (per kalenderjaar)
je ontvangt het Jaarboek en BIO en een lidkaart met vrije toegang tot de Zoo, Planckendael, de Plantentuin in Meise, het Zwin, het KBIN, het Arboretum in Kalmthout, het Afrikamuseum in Tervuren.

- Werkende leden: § 15
- Studenten: § 7
- Gepensioneerden: § 8
- Verenigingen, scholen e.a.: § 15

 

Jaarboek en BIO
Stort het lidgeld op nr. 068-0 666 550-90 van de Vereniging voor het Onderwijs in de Biologie, de Milieuleer en de Gezondheidseducatie
p.a. E. Van Damme,Hoge Weg 234 - 8200 Sint-Andries (Brugge)
Om het driemaandelijks tijdschrift ZOO van de Antwerpse dierentuin te ontvangen voeg je bij je lidgeld een supplement van 12,39 euro met de vermelding ZOO. Let wel: ZOO verschijnt in juli, oktober, januari en april.

Voorzitter
Ignace Nerinckx
(Vrij Gesubsidieerd Onderwijs)
Muizenhoekstraat 6 -2812 Mechelen

e-mail: ignace.nerinckx@pandora.be

Ondervoorzitter

Marleen Van Strydonck
(Officieel Onderwijs)
Te Boelaerlei 119/1 - 2140 Borgerhout
E-mail: marleen.vanstrydonck@ua.ac.be

Secretaris
Victor Rasquin
Minister De Clercklaan 2 - 8500 Kortrijk
E-mail: [email]

Penningmeester

Emiel Van Damme
Hoge Weg 234 - 8200 Sint-Andries (Brugge)
E-mail: emiel.vandamme@skynet.be

Redacteur Jaarboek
Vik Casteels
Witveld 1 - 2811 Leest
e-mail : Vik.Casteels@advalvas.be

Adreswijzigingen en lidkaarten

Herman Snoeck
Jan van Rijswijcklaan 277 - 2020 Antwerpen
E-mail: herman.snoeck@antwerpen.be