MEI
2007
INHOUD
·
Vlaamse Biologie-olympiade 2007
·
Lln. 1ste graad A-stroom struikelen over eindtermen biologie
·
De 5 hoogtepuntideeën van een biologieles
·
Grootte van voortplantingscellen
·
KBIN
·
Koninklijk Antwerps Genootschap voor Micrografie
·
Vlaamse Biologie-olympiade
2007
Voor de preselectie
schreven 1213 leerlingen in (130 meer dan vorig jaar) maar slechts
954 namen er effectief
aan deel (d.i. 107 meer dan vorig jaar). Dat waren leerlingen van
143 collega's. Hiervan zijn er 47 nog geen lid van VOB. Zij
werden aangeschreven.
.
De hoogste
score bedroeg 87,9 % (89,1 % in 2006), het gemiddelde lag op 35,65
% (vorig jaar 32,56 %).
Dit zijn,
alfabetisch gerangschikt, de laureaten (en hun leerkrachten).
Bueken
Bart - Koninklijk Atheneum Tienen - Jules Robijns Coessens
Gwen - K.A. Erasmus De Pinte - Rose Lips Cools Vic
- Klein
Seminarie Roeselaere - Elke Viaene De Mesmaeker
Arnout - Sint-Amandscollege Kortrijk - Robert Vantomme Desmet Jakob
- Don
Boscocollege Kortrijk - Nadine Plovie Dugardein
Gert-Jan - Lyceum Ieper -
Carmen De Laere Grillet David
-Sint-Amandscollege
Kortrijk - Robert Vantomme Melis Céline
- St.-Janscollege
Poperinge - An Casteleyn Peirs Sofie
- Sint-Amandscollege
Kortrijk - Robert Vantomme Schuermans
Thomas - Wico
Neerpelt - Nelly Beckers Van Boxem
Ruben - O.-L.-Vrouwecollege Antwerpen - Tom De Bruyn Van Lint
Willem - O.-L.-Vrouwecollege Antwerpen - Tom De Bruyn Van Overmere
Bram - O.-L.-V.-van-Lourdescollege Edegem - Edmond Van der Mueren Verbelen
Leander - O.-L.-Vrouwecollege Antwerpen - Tom De Bruyn Vercaemst
Louis - Sint-Amandscollege
Kortrijk - Robert Vantomme Verhelle
Adriaan - St.-Jozefscollege Izegem - Marianne Vanderzande
Hun resultaten
liggen tussen 87,9 % en 72,0 % (respectievelijk 89,1 % en 72,1 %
vorig jaar). Tijdens
de stage (31 maart - 3 april) kregen ze een theoretische en/of praktische
bijscholing over dissectie ongewervelden, plantenanatomie, plantenmorfologie,
systematiek, microscopie, evolutiereconstructie, DNA-technologie,
DNA-elektroforese, levenscycli en ongewervelden. Op
28 april legden ze een eindproef af met een theoretisch en een praktisch
gedeelte.
De proclamatie
zal iop 23 mei plaatsvinden. Onze
2 finalisten mogen Vlaanderen vertegenwoordigen in Canada.
Herman
Snoeck (stagebegeleider VBO)
In BIO van
maart 2006 stelde ik de vraag wie in de toekomst voor BIO en voor
het Jaarboek gaat zorgen. Aan de hand
van een brief van collega Koen Verschoore deed ik in BIO van mei
2006 enkele voorstellen. Hieronder
een uittreksel uit dat artikel, met de resultaten van mijn oproep.
…met de
hoop dat er meteen nog een aantal andere collega's mee op de kar
springen. Resultaat:
nihil.
…Ik verwacht
artikeltjes, tips en andere bijdragen op herman.snoeck@antwerpen.be Resultaat:
1 artikel na het verschijnen van deze BIO.
…BIO zesmaal
per jaar laten verschijnen is voorlopig nog niet zo'n probleem… Resultaat:
wij van VOB blijven (tegen beter weten in?) zorgen dat onze leden
regelmatig een interessant mededelingenblad ontvangen. Dat 'interessant' is niet van ons, maar wel van alle collega's
die er hun appreciatie over uitspraken.
"Vind
je dat het aantal BIO's per jaar moet verminderen naar 4 of niet. Mail me gewoon JA (= verminderen) of
NEEN (6! 6! 6!)." Resultaat:
1x 6; 1x 4 of 6, als het maar interessant is.
Hierbij
dus een oproep aan alle verantwoordelijke organisatoren van provinciale
bijscholingen biologie (en ik hoop dat ze allen lid zijn van VOB): "Maak
jezelf kenbaar via mijn mailadres. Zo
kan ik je periodisch vragen of er tijdens de bijscholing interessante
en publiceerbare/-klare teksten werden rondgedeeld." Resultaat:
geen reacties.
…Verhandelingen
en thesissen van universiteiten en hogescholen moet je de juiste
personen kennen en dat ligt op dit ogenblik wat moeilijk. Vinden we dan collega's die tijd genoeg hebben om deze werken
naar het secundair toe te vertalen? Resultaat:
1 collega deed een bruikbare suggestie, voor het jaarboek, maar door
tijdsgebrek kon ik daar geen gevolg aan geven.
…collega's
die zich verbinden om aan de hand van artikels uit een wetenschappelijk
tijdschrift (dat ze zelf mogen kiezen) bruikbare gegevens voor
BIO of het Jaarboek te schrijven mogen mij mailen, met opgave van
alle gegevens over het tijdschrift dat ze voorstellen. Resultaat:
nihil.
Collega's,
de kar die Koen heeft voorgeschoven staat klaar. Wij bij VOB hopen dat er flink wat jongere leerkrachten komen
meeduwen, zodanig dat BIO en het JAARBOEK ook in de toekomst nog
datgene kunnen zijn voor de huidige en toekomstige biologieleerkrachten
wat ze voor ons, die ouder en gepensioneerd werden met VOB, hebben
betekend. Resultaat:
nihil.
Ondertussen
heeft redacteur Vik Casteels zijn laatste Jaarboek afgeleverd, dat
eerdaags bij elk lid in de bus zal vallen… maar
zijn opvolging is nog niet verzekerd.
Herman Snoeck (redacteur BIO)
Wij zijn op zoek naar collega's die een van volgende
werkgroepen willen uitwerken. Sinds
de oproep in BIO van januari heeft nog niemand gereageerd.
·
Proeven voor de 1ste graad.
·
Bruikbare, uitgewerkte practicumproeven 2de
en 3de graad.
·
DNA, DNA-elektroforese,
DNA-sequenties en PCR.
·
Evolutie, heden, toekomst? Evolutie: recente gegevens. Waar haal je informatie op leerlingenniveau
over evolutie van de mens? Evolutieleer: didactische
uitwerking voor de leerlingen. Evolutie mens. Hoe evolutie aanpakken in
6 ASO?
·
Genetische manipulatie. Gentechnologie (debat pro en contra). Genetica
bij de mens. Toepassingen
van genetische manipulatie. GGO:
stand van zaken, mogelijkheden voor de toekomst.
·
Immuniteit, practicum
immunologie
·
Leerstof 4de jaar ASO, TSO, BSO (didactische verwerking,
toepassingen, vragen
·
Voeding. Contextgerichte
practica over voeding. Actuele voedingstechnologie (- kwaliteit).
Voeding: GGO,
additieven. Voedingsmiddelen-technologie (TSO). Herman Snoeck (congrescoördinator)
Leerlingen 1ste graad A-stroom
struikelen over eindtermen biologie
Op vraag
van minister Frank Vandenbroucke werden begin juni 2006 4700 leerlingen uit 124 Vlaamse scholen
'getoetst' om te onderzoeken in welke mate de eindtermen biologie
bereikt worden.
Schriftelijke toetsen NT = Nederlandstalig AT = anderstalig
thuis (14 %)
Onderlinge
verschillen in de resultaten worden verklaard door de school (15
%), de klas (14 %), jongen of meisje, al of niet zittenblijven, aanpak
door de leerkracht (volgens hun leerlingen), gekozen basisoptie. Scholen uit
een landelijk gebied laten hogere scores zien dan scholen uit een stedelijke omgeving. Het belang
van een goede taalkennis bewijst de vergelijking tussen de resultaten
van de leerlingen die thuis Nederlands spreken met die van de anderstalige
leerlingen.
Aangezien
de eindtermen minimumdoelen zijn, mogen de resultaten alarmerend
genoemd worden.
Praktische proeven De leerlingen
slagen er maar zelden in een praktische proef over de hele lijn correct
uit te voeren.
Opdrachten
met de microscoop (einde 2de jaar) 25%
van de leerlingen zegt dat ze nooit eerder met een microscoop hebben
gewerkt 66 % van
de leerlingen geeft aan dat ze al eerder een microscoopisch preparaat
hebben gemaakt, maar slechts 30 % doet dat volgens de regels van
de kunst. 75 % van
de leerlingen slaagt erin een relatie te leggen tussen de waargenomen
afmeting van een microscopisch beeld en de werkelijke grootte.
De kenmerken
van een plant/dier bepalen Macroscopische
kenmerken van robertskruid of boterbloem identificeren aan de hand
van een plantendelenkaart: meer
dan de helft van de leerlingen konden 7 kenmerken identificeren,
3 kenmerken werden door minder dan de helft gevonden en 2 kenmerken
(biotoop van de plant en doorsnede van de stengel) door minder dan
1/3. Een diertje
vangen en identificeren aan de hand van een determineertabel: meer
dan 60 % van de leerlingen kon het correcte aantal poten tellen (?!),
meer dan 80 % kon het correct determineren maar het omschrijven
van de kenmerken was voor meer dan de helft te moeilijk.
Waarnemingsopdrachten
in een bos Leerlingen
vinden het niet gemakkelijk om struiken te determineren op basis
van een bladerentabel: 93 % deed dit al wel eens eerder, maar slechts
3 % loste de opdracht volledig foutloos op. Leerlingen
kunnen moeilijk besluiten trekken uit hun observaties: 69 % trok
een juist besluit over de invloed van de mens op het bos, 53 % gaf
daarvoor de juiste argumenten, 28 % gaf een juist besluit maar geen
goede argumenten en 12 % gaf goede argumenten maar geen juist besluit.
Scholen of
leerkrachten kunnen geen negatieve gevolgen ondervinden van de resultaten
van hun leerlingen op een peiling. Er
wordt immers gepeild naar het niveau van het Vlaamse onderwijssysteem. Met peilingen wil de overheid een algemeen
beeld krijgen van de kwaliteit van het onderwijs in het Vlaamse land.
Scholen zijn vaak op zoek naar goede
instrumenten om na te gaan in welke mate ze in hun opdracht slagen. Meer bepaald willen ze valide en betrouwbare
toetsen die op grote schaal genormeerd zijn en waarmee ze zichzelf
kunnen positioneren. Het
is niet de bedoeling om alle scholen aan een peiling te laten deelnemen. Een steekproef van scholen en leerlingen
volstaat. Om tegemoet
te komen aan de vraag van scholen naar goede instrumenten, zullen
de onderzoekers voortaan zowel een toets voor de peiling ontwerpen
als een parallelversie van deze toets. Deze
parallelversie meet exact hetzelfde als de landelijke peilingtoets
maar bestaat uit andere - gelijkaardige - opgaven. De overheid zal deze paralleltoets telkens ter beschikking
stellen van alle scholen nadat de resultaten op de landelijke peiling
zijn bekendgemaakt. Elke
school die deze paralleltoetsen wenst, kan ze dan gebruiken om na
te gaan of ze de betrokken eindtermen of ontwikkelingsdoelen heeft
gerealiseerd. Scholen uit de steekproef en scholen die de paralleltoetsen
aanvragen, kunnen zichzelf een spiegel voorhouden op basis van de
resultaten op deze wetenschappelijk onderbouwde toetsen. De eerste paralleltoetsen zullen ter beschikking zijn in 2008,
het gaat dan om parallelversies van de peilingen die in 2007 zullen
worden afgenomen. Voor
deze peiling biologie komt er geen parallelversie. De constructie van een parallelversie zat immers niet vervat
in de toenmalige onderzoeksopdracht en de daaraan verbonden onderzoeksopzet.
Lees ook
nog eens 'Het vak biologie ter discussie' in vorige BIO.
Herman Snoeck (toetsassistent
peiling biologie)
Oproep
Bouw en werking menselijk lichaam 47 % 20 % Basis van het leven 35 % 21 % Organismen 44 % 10 %
Beste
collega's uit de eerste graad,
Ik
schrok toen ik deze uitslagen zag. En
ik dacht terug aan de 15 jaren dat ik deze lessen zelf heb gegeven,
lessen die voor onze leerlingen aan de basis liggen voor hun verdere
kennis van de biologie.
Dit
was de inhoud van de peiling.
Bouw
en werking menselijk lichaam Belang
van de stofwisseling; bouw en werking van de verschillende stelsels
binnen het menselijk lichaam; werking van het bewegingsapparaat. Basis
van het leven Kenmerken
van een levend wezen; cel, weefsel, orgaan, stelsel, organisme; de
onderdelen van een cel herkennen en benoemen. Organismen Herkennen
en determineren van een aantal organismen uit een biotoop; delen
van een zaadplant kunnen benoemen; fotosynthese.
Zeg
nu zelf, toch wel degelijk basisleerstof met basisbegrippen.
Daarom
deze oproep. Welke
3 collega's met een aantal jaren leservaring biologie in de 1ste
graad S.O. zijn bereid om op het volgende Vlaams Congres van Leraars
Wetenschappen (17 november) over een van deze onderwerpen te komen
vertellen hoe zij dit onderwerp aanpakken in de klas (leerstof, leergang,
didactisch materiaal)?
Ik
wil gaarne helpen met informatie e.d.
Herman
Snoeck (regent
wetenschappen - aardrijkskunde)
De vijf
hoogtepuntideeën van een biologieles
Een biologieles
is, zoals elke les, opgebouwd uit een geheel van ideeën: begrippen
met hun definitie en proposities (verbanden tussen begrippen), zoals
feitelijke gegevens en veralgemeningen.
Er wordt
verwacht dat leerlingen deze ideeën uiteindelijk beheersen, d.w.z.
verwerven en integreren in hun kennisbestand. Na
de les moeten ze die ideeën kunnen reproduceren en kunnen toepassen. De
professionaliteit of beroepsdeskundigheid van een leerkracht bestaat
erin dat hij of zij in staat is de ideeën waaruit een lesinhoud bestaat,
zódanig kan overbrengen dat de leerlingen deze ideeën makkelijk kunnen
verwerven en integreren.
De
ontleding van een les in ideeën
De inhoud
van een biologieles van vijfenveertig minuten, zoals die bijvoorbeeld
in een leerboek beschreven staat, kan altijd ontleed worden in onderdelen.
We zouden dat bijvoorbeeld kunnen doen door de gedrukte tekst om
te zetten in onder elkaar geplaatste zinnen. In
een eerste lestekst over “De samenstelling van het bloed”, bestemd
voor de eerste graad van het middelbaar onderwijs, telden we zo 37
zinnen. Een tweede lestekst over “De bloedcellen” telde
ook nog eens een 40-tal zinnen. Elk van die zinnen heeft een inhoud die interessant zou kunnen
zijn om te weten en dus om te verwerven. De vraag is nu: is het realistisch om aan te nemen dat leerlingen
van 12 tot 13 jaar de inhoud van die 37 zinnen echt zullen verwerven? We
geloven van niet. Van
iemand die gespecialiseerde studies doet kunnen we dat natuurlijk
wel eisen (geneeskunde, verpleegkunde, medische analiste, biologieleerkracht).
Het is nu
aan de leerkracht om uit die lange reeks van zinnen die ideeën af
te zonderen die de jonge leerlingen wel moeten verwerven en uiteindelijk
beheersen, d.w.z. kunnen reproduceren en kunnen toepassen. De
beroepsdeskundigheid van de biologieleerkracht bestaat er nu weeral
in dat hij in staat is om uit de veelheid van ideeën die in een biologieles
steken de belangrijkste ideeën uit te halen. We noemen die ideeën de hoogtepuntideeën van een les. We zouden ze ook kunnen beschouwen als
de hoofdzaken of de essentialia van een les.
Hoe
selecteren we de hoogtepuntideeën?
Wanneer is
een idee uit een les een hoogtepuntidee? We
denken daarbij aan een vijftal criteria en passen die toe op een
les over het bloed.
1.
Het
idee bevat de definitie van een fundamenteel begrip. Bijvoorbeeld: “Het
bloed is de transportvloeistof van het lichaam.” In andere hoogtepuntideeën
zullen natuurlijk ook definities voorkomen.
2.
Het
idee is de samenvatting of de veralgemening van een reeks feitelijke
gegevens. Bijvoorbeeld: “Bloed bestaat uit een vloeibaar gedeelte,
het plasma, en vaste deeltjes, nl. rode en witte bloedcellen en bloedplaatjes.”
3.
Het
idee legt een of meer verbanden met kennisinhouden die vroeger bestudeerd
werden. Bijvoorbeeld: “Rode bloedcellen vervoeren zuurstof vanuit de
longen naar alle delen van het lichaam.”
4.
Het
idee is zodanig geformuleerd dat het makkelijk én te begrijpen én te
onthouden is. Bijvoorbeeld: “Witte bloedcellen kunnen vreemde lichamen
(bacteriën, vreemde stoffen) die in het bloed terechtkomen vernietigen.”
5.
Het
idee kan eventueel met een vlot te maken tekening geďllustreerd worden.
Bijvoorbeeld: een getekende glazen pot, voor de helft “gevuld” met
de vaste bestanddelen van het bloed en voor de andere helft met plasma.
Hoeveel
hoogtepunten in een les?
Wanneer we
destijds in de normaalschool aspirant-leerkrachten begeleidden bij
hun eerste lessen, moesten we veelal vaststellen dat ze weinig of
geen oog hadden voor de belangrijkheid van de hoogtepuntideeën in
een les. Het angstvallig streven naar het “ingevuld krijgen” van werkbladen
was daarvan een van de oorzaken. Werkbladen hebben vele voordelen, maar er bezorgd door gedirigeerd
worden is toch niet goed. Een
biologieleerkracht moet zich in een les enkele keren van de werkbladen
volledig kunnen losmaken en moet na een leergesprek- of doceerfase
als een echte autoriteit een gevatte formulering van de belangrijkste
ideeën van de les, d.w.z. de hoogtepuntideeën, kunnen geven.
In een les
moeten niet meer dan een vijftal hoogtepuntideeën voorkomen. Dat kan ook wat minder of wat meer zijn.
We kunnen
dat ook in beeld brengen. Een
les zonder hoogtepunten is een “platte les”, die we kunnen voorstellen
door een rechte lijn. Er
is geen enkele verheffing van de toon, geen uitbarsting, geen paukenslag,
geen vuurwerk. Een les waarin de leerkracht een vijftal
hoofdzaken benadrukt, is een “les met hoogtepunten”, die we kunnen
voorstellen door een lijn waarin pieken zitten. In wielertermen: een vlakke rit en een bergrit. Terwijl de leerkracht in een lesuur met
de leerlingen door de lesinhoud “rijdt”, moet hij een vijftal keren
op een “bergtop”staan, hoogtepunten die de leerlingen echt moeten
beheersen.
Walter
Deconinck (Kortrijk)
Grootte
van voortplantingscellen
Sommige collega's zullen
bij de lessen over voortplanting mogelijk een beetje vergelijkend
cijfermateriaal willen geven. Voor
hen volgen enkele voorbeelden. Voor Google raad ik de Engelse
versie aan. Als je bv. Drosophila
melanogaster intikt, krijg je echter zoveel
informatie dat het veel tijd vraagt vooraleer je bij de lengte van
een zaadcel terechtkomt. Tik
je eerst "spermcell" in, en vraag je bijkomend naar het
fruitvliegje, dan krijg je het antwoord in een oogwenk. Laat
de leerlingen eens een gokje doen!
Zaadcellen Lengte spermatozoďde mens:
58-67 µm, met kop van 4,5-5,5 µm. De meeste leerlingen kunnen
zich niet voor-stellen hoe lang dat is. Als
je echter zegt dat er 15 á 17 zaadcellen - kop aan staart gelegd
- in 1 mm gaan, zullen die getallen iets duidelijker worden. (Snelheid van menselijke
zaadcellen: 1,3 á 2,6 mm/s, of max. 5,6 cm per minuut. Dat is + gelijk aan de gemiddelde
snelheid van pantoffeldiertjes.)
Zaadcel van een blauwe vinvis:
56 µm. Waarschijnlijk
zijn er ook een boven- en ondergrens van die lengte. Voorstel: 'Dus ± even lang als bij de mens.'
Zaadcel van een rat: 170-200 µm
met kop van 10 µm. Zaadcel
van een muis: 100 µm. Muizen
en ratten hebben dus veel grotere zaadcellen dan een mens. Ook het acrosoom van knaagdieren
is opvallend: het is haakvormig.
Een ♂ fruitvliegje (Drosophila melanogaster) is
gemiddeld 5,8 mm lang. Toch
heeft het zaadcellen van 1,8 mm = 1800 µm lang! De
zaadcellen van het eerste ♂ zijn zo groot, dat het sperma van de volgende 'kandidaat'
die zaadcellen niet kan wegspoelen. Een
mooi voorbeeld van spermacompetitie! Daarenboven is een ♀ fruitvliegje niet 'willig' voor
andere ♂♂. Als ze na een ingewikkeld paringsritueel ingaat op de avances
van een ♂, zal ze proberen een volgende poging
te verhinderen door ofwel het lichaam helemaal te strekken, ofwel
het achterlijf sterk te krommen, ofwel de vleugels tegen elkaar aan
te strekken.
Eicellen Ř van een eicel van een mens:
100 µm. Ř van een eicel van een blauwe
vinvis: 130µm. Dus nauwelijks groter! Ř van een eicel (dus de dooier!)
van een struisvogel: 75 mm. Het volledige ei meet ± 150
x 130 mm, massa ± 1,50 kg. (Kippenei: 50 g.) Ř van een eicel van een python:
60 x 120 mm. Ř van een eicel van een alligator:
50 mm. Ř van een eicel van een kikker:
0,5 mm. Ř van een eicel van een snoek:
1 mm. Ř van een eicel van een honingbij:
1,75 mm. Ř van een eicel van een fruitvliegje:
0,5 mm.
Bronvermelding voor
de meeste getallen: Findt R., 2000. Biologie in Zahlen. Eine Datensammlung in Tabellen mit über
10 000 Einzelwerten. Spektrum
Akademischer Verlag, Heidelberg - Berlin, 285 p.
F. Desfóssés (Edegem)
Nu de lente in de lucht
zit, reppen tuinliefhebbers zich zoals gewoonlijk naar de tuincentra
om hun voorraad zaai- en stekgrond in te slaan. Nagenoeg
alle potgrond die dit jaar in ons land verkocht zal worden, is gemaakt
op basis van turf uit veengebieden. De meeste plantenliefhebbers beseffen helaas niet dat ze door
de aanschaf van potgrond meewerken aan de vernieling van de veengebieden,
een van de meest unieke en kwetsbare habitats in Europa. Bovendien draagt het ontginnen van veenge-bieden
ook bij tot de klimaatsveranderingen, een hot item op dit ogenblik.
Enkele centimeter per
eeuw
Veen ontstaat
door ophoping van dode plantendelen, zoals veenmos, in moerassen
en plassen. Het veenpakket, vaak duizenden jaren
oud want het groeit slechts enkele cm per eeuw aan, is zuur en voedselarm. Daardoor groeit er in veengebieden een
zeer gespecialiseerde flora met soorten als zonnedauw, veenbes, of
klokjesgentiaan. In de Lage
Landen is tijdens de 19de en 20ste eeuw bijna al het veen afgegraven
en gebruikt als brandstof of bodemverbeteraar. Bij ons kun je alleen in de Hoge Venen nog natuurlijke
veenrestanten vinden. Gelukkig
werden die vorige eeuw als natuurgebied beschermd. In Ierland werd enorm veel turf gestoken. Daar blijft er van de oorspronkelijke
1 200 000 ha 1/12de over. In
Zwitserland en Duitsland resten er nog slechts 500 ha en in Polen
en Nederland schiet er zelfs niks meer over. De
turf in de potgrond van vandaag komt vooral uit Oost-Europese, Scandinavische,
Russische en Canadese venen.
Afval wordt grondstof
Er bestaat
nochtans sinds geruime tijd een reeks van evenwaardige alternatieven
op basis van afvalproducten zoals bv. compost, kokos en rijstkaf. In de Nationale Plantentuin Meise worden
substraten op basis van kokos gebruikt. Zij kweken er, inmiddels al bijna een decennium lang, 10 000
verschillende plantensoorten in veenvrij kokossubstraat. Een van de planten die het in Meise uitstekend
in die kokosvezelgrond doet is nota bene de kokospalm zelf. De laatste jaren doet hij het zelfs zo
goed dat hij veelvuldig kokosnoten voortbrengt, helaas nog niet genoeg
om zelf kokossubstraat mee te maken. Kokossubstraat
is zeer geschikt voor de meeste planten. De
Nationale Plantentuin roept plantenliefhebbers dan ook op om even
na te denken en niet langer een bedreiging te vormen voor de veengebieden.
Broeikasgas
In de meters
dikke veenlagen zit
ook een enorme hoeveelheid koolstof opgeslagen die als CO2 vrijkomt,
het broeikasgas bij uitstek, bij de ontginning en vertering ervan. Door de traditionele potgrond te mijden
kun je dus ook de CO2 uitstoot beperken. Bovendien zijn venen, net als fossiele brandstoffen, reserves
die ooit opraken; kokos is daarentegen een hernieuwbare grondstof!
Kies voor veenvrije
potgrond
Plantenliefhebbers
zouden in de tuincentra hun wens moeten kenbaar maken om veenvrije
potgronden te verkiezen. Aan die vraag kan zelfs vandaag de dag voldaan
worden. De macht
ligt dus bij elke tuinliefhebber om deze vicieuze cirkel te doorbreken.
(Persmededeling Nationale Plantentuin)
Vanaf 1 mei tot eind oktober zullen er geen dinosauriërs
te zien zijn in het Museum voor Natuurwetenschappen. De skeletten worden uiteengehaald en gerestaureerd. Vanaf 27 oktober wordt in de nieuwe galerij de grootste
dinosauriërtentoonstelling van Europa geopend. Tussen 3 september en 26 oktober is het museum gesloten.
Beste Mevrouw Van Tenderloo,
Allereerst onze dank voor de positieve
reactie in het BIO-nummer van maart 2007 op de vernieuwing van onze
Reptielenklas en voor uw belangstelling voor de Zoo. Het doet altijd plezier om positieve reacties te krijgen! U haalt echter ook een aantal minpunten
aan waar we graag op reageren. Uiteraard
zijn er aan alle opstellingen plus- en minpunten, en gebeurt het
wel eens dat sommige opstellingen, al lijken ze nog zo goed op papier,
in de praktijk niet het verhoopte resultaat geven. Elke leerkracht die wel eens didactische werkvormen uitprobeert
weet uit eigen ondervinding dat ook daar wel eens wat fout kan lopen
dat achteraf moet kunnen geremedieerd worden. Dat is evengoed het geval met dergelijke opstellingen in een
dierentuin of een museum. Eerst en vooral willen we er toch
op wijzen dat het vernieuwde Reptielengebouw een heel wat vollediger
beeld geeft op een voor de bezoeker veel aangenamere manier van de
diversiteit binnen de groep van de reptielen, maar nu ook die van
de amfibieën. We tonen meer dieren op een voor dier
en mens verantwoorde wijze. Dat
resulteert spijtig genoeg wel in een (plaatselijk) iets krapper bemeten
bezoekersruimte maar we zijn trots op het resultaat voor wat betreft
de dierenverblijven.
1) Beeldschermen. Uw eerste opmerking
betrof de beeldschermen met de naamborden van de soorten. De Zoo, en met haar vele andere dierentuinen,
heeft lang gezocht naar een eenvormige, dier- en mensbestendige (vandalisme!)
bebording. Voor het Aquarium, het Reptielengebouw
en het Nocturama, gebouwen waar het altijd relatief donker is, hebben
we na lang beraad geopteerd voor schermen. Zo brengen we op de meest flexibele en duidelijke manier telkens
de exacte informatie bij de verblijven, aangevuld met heel wat wetenswaardigheden
over de dieren. Op verschillende
schermen wordt er al door een handig pictogram aangegeven over welk
verblijf het telkens gaat. Dit wordt nog verder ontwikkeld. We onderzoeken nu wel nog de mogelijkheid
om her en der een scherm bij te plaatsen en de inclinatie van de
schermen te verbeteren in functie van een betere zichtbaarheid. Dat is een kwestie van normale nazorg. Als
u als klas een (gratis) gids reserveert kan die u trouwens perfect
aangeven over welke dieren het in welk verblijf gaat.
2) Boom. De vragen en antwoorden die u aan de boom vindt zijn niet
bedoeld voor groepen, daar is de ruimte te beperkt voor. Wel voor de individuele bezoekers. Niet alle vragen zijn even ‘ernstig’,
dat klopt, we brengen de informatie voor de bezoekers zoveel mogelijk
op een ‘entertainende’ manier en dat is niet altijd dezelfde benadering
als voor een schoolgroep. We zijn blij te horen dat de gids ze
in elk geval interessant genoeg vond om ze met uw klas te bekijken,
maar in zo’n geval kan dat onderwerp beter anders aangepakt worden. De ‘bomen’ zijn trouwens gecamoufleerde
zuilen die sowieso in de weg staan want bouwtechnisch zijn ze onmogelijk
te verwijderen. Vóór
de vernieuwing was er in elk geval een veel crucialer probleem van
doorstroming in de aanloop naar het gebouw op een smal pad doorheen
een gedeelte met losvliegende vogels en opstellingen met ongewervelden
(die in de toekomst een betere plaats zullen krijgen).
3) Stamboom. Uw opmerking is daar terecht. Samen met de zoogidsen is er een oplossing
in de maak om daar in de nabije toekomst aan te verhelpen, inderdaad
ter hoogte van de door u vernoemde fotowanden.
4) Evaluatie. Onze projecten worden
systematisch geëvalueerd door de Scholenwerkgroep binnen de Zoo,
waarin de Gidsenwerking, de Educatieve dienst en de Commerciële dienst
vertegenwoordigd zijn. Uw
opmerkingen zijn natuurlijk altijd welkom, in de mate van het mogelijke
houden we daar zeker rekening mee. U
moet natuurlijk wel begrijpen dat we als dierentuin met een ontzettend
ruime doelgroep rekening moeten houden.
Tot zover onze bedenkingen bij uw
vragen. We zijn in elk
geval blij dat uw Zoodag meegevallen is en hopen u in de toekomst
nog dikwijls te mogen verwelkomen.
Met vriendelijke groeten,
Peter Van den Eijnde, Park Manager Chris Deviaene, Hoofd Educatieve
dienst
Koninklijk
Antwerps Genootschap voor Micrografie
Iedereen
die geďnteresseerd is in microscopie als hobby is van harte welkom.
Hieronder het programma voor de volgende maanden. (P preparaat
maken; C causerie; D diversen).
07/05 – C Blauwwieren 14/05 – P Kevertjes 21/05 – P Plantenpreparaat 04/06 – C Infraroodmicroscopie 11/06 – D Plankton 18/06 – P Stuifmeel 25/06 – P Dierlijk
preparaat 02/07 – C LED-verlichting bij fasecontrast
Lidgeld (per kalenderjaar)
Jaarboek en BIO
|