Voor alle wetenschappelijke vragen kan je nu terecht bij een team van specialisten.
Door te klikken op onderstaand logo word je rechtstreeks doorverbonden
naar de betrokken webstek.

 

 

 

Hieronder vind je nog enkele vragen die vroeger door ons beantwoord werden en die nog bruikbaar zijn:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vraag

Kan iemand mij helpen aan de werkwijze voor onderstaande proeven?

In het leerplan 2002/810 voor de 2de graad biologie zelfstandig werk staat als mogelijk uit te voeren opdracht:
a) bepalen van de energie-inhoud van organische stoffen en
b) bepalen van de gemiddelde concentratie van het celsap van b.v. een aardappel d.m.v. osmose

Alvast dank bij voorbaat. Groeten,

Rose LIPS

Antwoord 1

1. Calorische waarde

In het volgend boekje staat een oefening omtrent het bepalen van de calorische waarde van slaolie en van sacharose

MACKEAN, D.G. Food Tests. Murray, London. 1971.

Men kan ook de calorische waarde bepalen van een pindanootje (apenootje). Men vult een reageerbuis met bijvoorbeeld 10 ml water en men verbrandt een nootje vastgezet op een dissectienaald. Vanuit de temperatuursstijging kan men dan de calorische waarde berekenen. Er is daarbij veel verlies van warmte, maar de grootte-orde kan toch bepaald worden.

2. Concentratie celsap

Het principe van het onderzoek is het volgende: men plaatst stukjes aardappel in een reeks van sacharose-oplossingen met oplopende concentratie. Een van die oplossingen zal een osmotische waarde hebben die ongeveer overeenkomt met die van het celsap van de cellen van de aardappel. Dat kan men nagaan op twee manieren. Ofwel heeft men cilinders aardappelweefsel gebruikt en gaat men na hoe de lengte verandert en bij geen verandering van lengte betekent dit dat die cilinder geen water heeft opgenomen noch afgestaan. De molariteit van die oplossing is dan die van het celsap. Een tweede methode bestaat erin dat men aardappelcilinders in schijfjes snijdt, telkens enkele van die schijfjes voor het onderzoek weegt en dan na bijvoorbeeld twee uur of na 24 uur opnieuw weegt. Bij de schijfjes die een onveranderd gewicht bezitten komt de osmotische waarde van het celsap overeen met de osmotische waarde van de gebruikte vloeistof. Als de oplossing waarbij het gewicht niet is veranderd bijvoorbeeld 0,35 is, betekent dit dat de molariteit van het celsap eveneens 0,35 is.

Deze proeven staan o.m. beschreven in:

MACKEAN, D.G. Diffusion and osmosis. J. Murray, London. 1972.
LASCOMBES, G. Manuel de Travaux pratiques de Physiologie animale et vegetale. Hachette, Paris. 1968.

Met collegiale groeten,

W. Deconinck

Antwoord op vraag 2-b

Maak oplossingen van verschillende concentratie (vb. NaCl) door te verdunnen. Start bijvoorbeeld met een 1M NACl oplossing (maak daarvan 10ml), verdun tien keer (dus 1ml + 9ml water), dat nog 10keer enz... totdat je zo een 10 verschillende verdunningen (concentraties heb).

Neem nu 10 stukjes aardappel. Weeg elk van de stukjes en stop ze in de oplossing. Weeg opnieuw na een half uur. Als de aardappel in een hypertonische oplossing zat, dan zal het gewicht afgenomen zijn. Zat ze in een hypotonische oplossing, dan zal het gewicht zijn toegenomen. Als het gewicht gelijk is gebleven, dan betekent dit dat de oplossing isotonisch is, of met andere woorden, de concentratie van de oplossing is dezelfde als het celplasma.

Groeten,
Diederik D'Hert

Terug naar inhoud


Beste,

In het kader van onderzoek naar een zoetwaterbiotoop stootte ik op een aantal termen, waarvan de relatie mij niet altijd even duidelijk was. Na een intensieve zoektocht op het internet, is eigenlijk niets opgehelderd.

Wie kan mij hoger genoemde termen (zuurbindend vermogen - acid neutralizing capacity, alkaliniteit/alkalinity, carbonaathardheid/carbonate hardness) duidelijk definiëren, en eventueel hun verband aantonen (is het mogelijk de ene uit de andere te berekenen ?).

Bepaalde bronnen vermelden dat zuurbindend vermogen = carbonaathardheid = alkaliniteit. Andere stellen dat alkaliniteit en carbonaathardheid niet dezelfde begrippen zijn, of dat het zuurbindend vermogen = 2.8 x carbonaathardheid. Weer andere vermelden dat zuurbindend vermogen = carbonaathardheid, maar verschillend is van alkaliniteit.

Hoe zit de vork nu aan de steel (+ eventueel bronvermelding als dat mogelijk is).

Mvg,
Diederik D'Hert

Voorlopig antwoord (graag reacties hierop!)

Je hebt gelijk, de begrippen worden nogal vaak door elkaar gehaald en alles hangt natuurlijk af van de manier waarop men de diverse termen definieert.
Persoonlijk geef ik de voorkeur aan volgende interpretaties:
zuurbindend vermogen: de mogelijkheid van het water om een zekere hoeveelheid waterstofionen te binden. In deze optiek kan de aanwezigheid van om het even welke (Brönsted)-base (al dan niet in opgeloste toestand) bijdragen tot het zuurbindend vermogen.
alkaliniteit : is een maat voor de concentratie aan diverse opgeloste basen en dus tevens ook een directe maat voor het zuurbindend vermogen van het water
carbonaathardheid : hardheid van het water, uitsluitend te wijten aan de aanwezigheid van carbonaten.
Het ligt voor de hand, dat de aanwezigheid van (waterstof)carbonaten zal bijdragen tot de alkaliniteit en het zuurbindend vermogen van het water, maar er zijn nog verschillende andere verbindingen die dit ook doen, zodat ik het niet wenselijk vind alkaliniteit gelijk te stellen aan carbonaathardheid.

http://water.usgs.gov/owq/FieldManual/Chapter6/section6.6/

V. Rasquin

Terug naar inhoud

 



Hoe DNA kleuren voor microscopisch onderzoek?

Vandaag voerde mijn klas 6° jaar MW-WW een experiment uit waarbij ze het DNA extraheerden uit kiwi.
Ze waren allemaal heel enthousiast en ze bekwamen prachtige resultaten.

Is het mogelijk ommdat DNA te kleuren voor microscopisch onderzoek ? Zo ja, welke kleuringen ?
Kan het DNA-staal op één of andere manier bewaard worden ?

heeft iemand een oplossing voor dit probleem ?

hartelijk dank

Rita Struys
Grintweg 113
8400 Oostende

059/26 61 84

Antwoord

Ik ben geen lid van uw organisatie maar kwam toevallig langs uw site, waar ik de vragen van uw leden las.
Ik heb hier een antwoord op de vraag van Rita Struys uit Oostende over het bewaren van DNA.
Ik ken het experiment waarin DNA wordt geisoleerd uit kiwi. De 'prut' die het resultaat is, bestaat deels uit DNA en deels uit allerlei andere dingen, waaronder eiwitten, restjes van de celwanden, etc. Men bewaart het DNA meestal in oplossing, maar ik neem aan dat dat niet uw bedoeling is, omdat daar nu eenmaal weinig aan te zien is. Een idee is om het eens met ethanol te proberen (96% of 70%). Normaal gesproken wordt dat gebruikt om DNA neer te slaan (in uw experiment wordt daar geloof ik spiritus voor gebruikt of iets dergelijks). Ik weet niet hoe lang het neerslag goed blijft, maar in ieder geval lang genoeg zodat uw leerlingen het spul thuis kunnen laten zien.
Nu nog iets over kleuringen: DNA zichtbaar maken onder een school microscoop kan door de kernen van (planten)cellen te kleuren. Ik weet helaas alleen niet zo uit mijn hoofd waarmee er dan gekleurd kan worden, maar daar weet iemand anders misschien wel antwoord op.

N.

Terug naar inhoud


Waar kan ik een antwoord vinden op volgende vragen:

- hoe vindt glucose transport plaats van de bladgroenkorrel naar celmembraan en verder naar floeemvat?
- waar juist en onder welke omstandigheden wordt glucose omgevormd tot zetmeel?

Zoé Vanhellemont

Antwoord:

In een vereenvoudigde uiteenzetting over de fotosynthese wordt het monosacharide glucose als een van de eindproducten beschreven. In werkelijkheid zijn dat hexosefosfaten, zoals gefosforyleerde glucose- en fructosemoleculen.
In het cytoplasma – de cytosol – van de mesofylcellen wordt uit glucose-1-fosfaat en fructose-6-fosfaat sacharose gesynthetiseerd, een proces dat energie kost (één ATP-molecule per molecule sacharose).

Vanuit de mesofylcellen komt water met sacharose in de fijnste zeefvaten van de bladeren terecht. Dat kan rechtstreeks gebeuren ofwel via enkele mesofylcellen ofwel via de zustercellen. En meer in detail gezien kan dat op twee manieren: ofwel van cel tot cel via de plasmodesmen (vervoer via de symplast), ofwel via de celwanden (vervoer via de apoplast).
De sacharide die in planten als reserve opgestapeld wordt is zetmeel. Zetmeel wordt bijvoorbeeld al gesynthetiseerd in de bladgroenkorrels (chloroplasten). En er worden ook grote hoeveelheden zetmeel opgeslagen in amyloplasten (de voorlopers van de zetmeelkorrels) van twijgen, van floëem- en xyleemcellen en van parenchymcellen van de schors van stengels, wortels, knollen, bollen, e.d.

Zetmeel is een mengsel van amylose en amylopectine, vertakte ketens die uit glucose-eenheden bestaan. Zetmeel kan gesynthetiseerd worden uitgaande van glucose-1-fosfaat, een proces dat energie kost. Deze synthese vindt bijvoorbeeld plaats in de bladgroenkorrels waarin zetmeel aangetroffen wordt.

Het vervoer van sachariden vanuit het blad naar andere delen van een plant gebeurt via de zeefvaten. Het in het floëemsap aanwezig mengsel van opgeloste stoffen bestaat meestal voor 90 % uit het disacharide sacharose. Er zijn slechts sporen van de monosachariden glucose of fructose in het floëemsap aanwezig. Als de sacharosemoleculen bijvoorbeeld via het floëem in een wortel aangevoerd worden, worden ze eerst gehydrolyseerd tot gefosforyleerde hexosen en, zoals hiervoor al aangehaald, uit glucose-1-fosfaat wordt dan in de amyloplasten zetmeel gesynthetiseerd. Het gefosforyleerd fructose kan omgezet worden in gefosforyleerd glucose.

Voor het middelbaar onderwijs kan je bijvoorbeeld de bespreking van de hiervoor vermelde processen makkelijk toelichten aan de hand van de zetmeelvorming in aardappelknollen. Vereenvoudigd kan dan de volgende uitleg gegeven worden. In de bladeren wordt door het fotosyntheseproces glucose en fructose gevormd. In de bladgroenkorrels wordt uit glucose zetmeel opgebouwd. In het cytoplasma van de bladcellen wordt uit glucose en fructose sacharose gesynthetiseerd dat opgelost in water in de zeefvaten van het floëem terechtkomt. Via deze zeefvaten wordt het sacharose met het floëemsap naar de aardappelknollen vervoerd en daar wordt sacharose weer ontbonden in glucose en fructose. In de amyloplasten wordt dan tenslotte uit glucose zetmeel gesynthetiseerd. Voor de synthese van sacharose en zetmeel is telkens energie nodig die geleverd wordt door de ademhalingsprocessen. Dit laatste gegeven is misschien wel het vermelden waard, omdat het niet altijd makkelijk is aan jonge leerlingen duidelijk te maken waarvoor de energie die de plant uit energierijke verbindingen haalt nodig is.

Walter Deconinck

Terug naar inhoud


Beste,

Ik ben op zoek naar educatief materiaal betreffende het sociale insect
de hommel. Hebben jullie goede ideeën om daar aan te geraken?

Vele groeten,

Sara Goyvaerts

Antwoord

Dag Sara

Hieronder enkele links die je informatie geven over de hommel

http://ourworld.compuserve.com/homepages/henkmerts/hommels.htm

http://www.bombus.de/hummel/
http://www.nhm.ac.uk/entomology/bombus/groups.html
http://www.mearns.org.uk/mrssmith/bees/bees.htm
http://hgic.clemson.edu/factsheets/HGIC2500.htm
http://www.mearns.org.uk/mrssmith/bees/terr.htm

http://www.cedarcreek.umn.edu/insects/album/025070002ap.html

http://www.holoweb.com/cannon/bumblebe.htm

Groetjes

Vic

Terug naar inhoud


Informatie over CD-roms bruikbaar in het bio-onderwijs

Als leraar biologie in het lager secundair onderwijs ben ik zo vrij U te schrijven om nuttige informatie betreffende CD-roms te bekomen.

We krijgen op de vraag van de leraars biologie van de inrichtende macht jaarlijks een budget. Daar wij vorig jaar een computer voor het lokaal mochten aanschaffen zouden we stilaan graag in het bezit komen van CD-roms die zeer interessant zijn voor de leerlingen en ook een goede verhouding prijs/kwaliteit hebben.

Ik zou het ten zeerste waarderen mocht U kunnen bezorgen
1 de titels van de CD-roms
2 aankoop(bestel)adres
3 eventueel prijsopgave.


Etienne Melis
Korte Mermansstraat 68
2300 Turnhout
014/41.52.93

Voorlopig antwoord:

Je kan alvast eens je licht opsteken op volgende sites:

VIDEO-_CD-ROMmateriaal.html
http://www.biodisc.com


Terug naar inhoud


Wat bedoelt men met de omschrijvingen 'sociale ecologie', 'fysische ecologie' en 'geo-ecologie' ?

Karen Meyers

Antwoord

Voor de omschrijving van ‘sociale ecologie’ kan je terecht op http://en.wikipedia.org/wiki/Social_ecology
Wat meer uitleg over fysische ecologie vind je op http://www.uoguelph.ca/~ackerman/physecollab.htm
Met geo-ecologie bedoelt men dat aspect van de ecologie dat zich bezig houdt met de studie van b.v. kringlopen van stoffen zoals de fosforcyclus, de N-cyclus, de zwavelcyclus...

V. Rasquin [email]

 

Terug naar inhoud


Hoeveel soorten tellen de diverse plantenfamilies?

Wanneer ik de leerlingen van de Wetenschappelijke richtingen de familiekenmerken van vijf grote plantenfamilies laat leren wil ik hen graag een overzicht geven van het aantal plantensoorten die deel uitmaken van die familie. Bijvoorbeeld het aantal soorten Composieten, Schermbloemigen, Kruisbloemigen, enz... Ik wou dat eigenlijk in een taartdiagram weergeven...
Ik ben al een tijdje op zoek naar cijfers hieromtrent, maar heb deze nog niet gevonden. Heb jij, of andere VOB'ers een idee?

Dank!

Walter
walter.deraedt@advalvas.be

Op de voortreffelijke Angiosperm Phylogeny Website van de Missouri
Botanical Garden
( http://www.mobot.org/MOBOT/Research/APweb/welcome.html ) vind je
recente omschrijvingen van de bloemplantenfamilies, met schattingen van
aantal soorten en genera en in een fylogenetische context.
Beste groeten
Jan De Laet
American Museum of Natural History
Division of Invertebrate Zoology
New York, 10024 NY USA

Terug naar inhoud


 

De Nederlandse schrijfwijze van plantennamen

Amper in mijn bezit, heb ik vandaag vol jeugdig (?) enthousiasme het frisgeboren standaardwerk Planten en andere niet-dierlijke organismen doorbladerd. Mijn decennialange, zorgvuldig opgebouwde 'wereldorde' brokkelde daarbij systematisch (taxonomisch?) af - niet zo helemaal onverwacht trouwens. Geen nood, het vertrouwen in mijn eigen flexibiliteit blijft. Waar ik toch even bij verstarde was de schrijfwijze van de plantennamen: over de wetenschappelijke invulling hiervan geen onvertogen woord, maar oh die Nederlandse namen! In mijn naïviteit schreef ik het soortbijvoegsel nog steeds met een hoofdletter en de geslachtsnaam met een kleine letter, bv. Klein hoefblad. Blijkt nu dat ik ook hier dwaal. Bestaan er ergens dwingende richtlijnen in verband hiermee?

Eric Vos

Antwoord 1

Wij hebben in Planten gewoon afgesproken dat alle namen van planten met een kleine letter geschreven werden en omdat de plantentuin er geen bezwaar tegen had zijn we dus zo blijven schrijven.

Groetjes

Michel Asperges

 

Antwoord 2

Vorig jaar heb ik in verband met het al of niet gebruik van hoofdletters bij het schrijven van planten en dierennamen een stevige discussie gevoerd met een aantal vrienden. Ik was er heilig van overtuigd dat de nederlandstalige namen inderdaad met een hoofdletter geschreven dienen te worden. Een aantal van de discussiepartners waren overtuigd van hun mening.
Ik heb toen een aantal taaldeskundigen geraadpleegd en zij bevestigden mijn ongelijk.
Hieronder het antwoord dat ik destijds van hen heb gekregen.

We schrijven soortnamen met een kleine letter en eigennamen met een hoofdletter. Deze regel geldt ook voor
het planten- en dierenrijk. Toch schrijven sommige biologen alle namen van dier- en plantensoorten met een
hoofdletter, omdat de Latijnse benamingen die ook hebben. Dit strookt evenwel niet met de algemene regel. Het is
beter soortnamen consequent klein te schrijven.
Het doet er niet toe of het gaat om een overkoepelende soortnaam (eik, zwaluw) of een meer specifieke
(wintereik, gierzwaluw). We schrijven bijgevolg geen hoofdletter in populier, els, ijsvogel, huismus, forel, makreel,
paarlemoervlinder, sint-bernardshond, foxterriër, eekhoorntjesbrood, tulp, madeliefje, appel, citroen, enzovoort.
We schrijven ook geen hoofdletters bij soortnamen die door een of meer bijvoeglijke naamwoorden worden
voorafgegaan zoals blauwe knoop, gele lis, rode beuk, wilde kastanje, vale gier, wilde eend, blauwe vinvis, ruwe groene russula. Het gaat nog steeds om soortnamen; we schrijven ze dus met een kleine letter. We schrijven uitzonderlijk wél een hoofdletter in soortnamen als Vlaamse gaai, Japanse ceder en Duitse herdershond, omdat Vlaams, Japans en Duits afleidingen zijn van aardrijkskundige eigennamen, die hun hoofdletter behouden.


Dus samengevat: het is klein hoefblad en niet Klein Hoefblad of Klein hoefblad. Wanneer je een klein exemplaar bedoelt, dan is het een klein klein hoefblad...

Mvg,
Diederik D'Hert

 

Terug naar inhoud


Hoe verloopt het transport via de endodermis?

Graag had ik een gedetailleerde uitleg over de manier waarop het transport van water en ionen via de endodermis verloopt.

Leen Van Hoecke

Antwoord:

De endodermis vormt een eenlagige, volledig gesloten cilinder tussen aan de ene kant de schors en aan de andere kant de centrale cilinder met het geleidingsweefsel. Bij een jonge wortel die nog via de wortelharen water opneemt en horizontaal vervoert is elke endodermiscel omringd door een band van Caspary die loopt over de radiale en de dwarse wanden. Deze banden bevatten naast cellulose ook het voor water ondoordringbare suberine (kurkstof). Dat heeft tot gevolg dat het gehele systeem van alle banden van Caspary van alle endodermiscellen geen transport van water met ionen via de celwanden toelaat. Via oudere wortels wordt geen water meer uit de bodem opgenomen en daar kunnen de verdikkingen op de celwanden van de endodermiscellen uitgebreider zijn en bijvoorbeeld op doorsnede U-vormig.
Het transport van water met daarin opgeloste ionen vanuit het milieu over de wortelharen en de schorscellen tot aan de endodermis kan op twee manieren verlopen. Ofwel gebeurt dat van cytoplasma tot cytoplasma via de plasmodesmen. Het cytoplasma van alle cellen vormt dus een geheel dat symplast heet. Men mag daarbij niet vergeten dat het aantal plasmodesmen zeer groot is, tot één miljoen per vierkante mm! Het vervoer kan ook gebeuren en is kwantitatief het grootst via de met elkaar verbonden celwanden; het geheel van die celwanden heet de apoplast. Via de zoekmachine www. Google.com en intikken van de term endodermis kom je op enkele webstekken waarin die twee wegen aangeduid staan. Soms wordt evenwel een oudere wortel afgebeeld waarbij de celwanden van de endodermiscellen volledig verdikt zijn; deze cellen laten op geen enkele manier nog water door.
Als het water met de erin opgeloste ionen zich via de celwanden verplaatst kunnen deze stoffen niet dezelfde weg blijven volgen als ze aankomen bij de endodermiswanden want het suberine van de banden van Caspary belet dat. Water en ionen zijn a.h.w. verplicht het cytoplasma van de endodermiscellen binnen te dringen.
De rol van de endodermis is nog niet goed gekend. Ter hoogte van de endodermiscellen zouden drie processen plaatsvinden:
  1. De ondoorlaatbare banden van Caspary laten vermoeden dat binnen de endodermiscellen een controle op de aard en de hoeveelheid ionen uitgeoefend wordt.  Waarschijnlijk worden dan ongewenste ionen opgeslagen in de vacuolen van deze cellen.
  2. Door de hoge osmotische waarde van het celsap van de endodermiscellen zou water door het osmosemechanisme aangetrokken worden vanuit de cellen en de celwanden  van de schors. Alhoewel het kwantitatief grootste transport van water plaatsvindt dankzij de transpiratie-cohesiekrachten.
  3. In de endodermis zouden ionen vanuit het cytoplasma weer in de celwanden van de cellen van de centrale cilinder (pericykel, parenchymcellen, wanden van jonge en dode xyleemelementen) gepompt worden, wat uiteraard energie vereist. Een wortel zou o.m. voor die activiteit zuurstof nodig hebben. Daardoor zou een vloeistof met een relatief hoge osmotische waarde verder water aantrekken vanuit de schors en zo de worteldruk veroorzaken waardoor water a.h.w. naar boven geperst wordt.
Deze drie processen hebben nog het karakter van verder te onderzoeken hypothesen, maar het kan geen kwaad om dat zo aan leerlingen mee te delen, integendeel zelfs. In een in 1992 verschenen uitvoerig leerboek over plantenfysiologie is geen meer uitgebreide uitleg te vinden. Maar voor jonge leerlingen denken we dat deze informatie ruim kan volstaan.

 

Terug naar inhoud


Hoe giftig is de giftigste pijlgifkikker?

De pijlgifkikker is een beestje dat via de huid het tot nu toe meest gevaarlijke gif afscheidt. In een artikel, overgenomen uit een of andere editie van het "Guiness-book of records (afdeling het dierenrijk) stond vermeld dat 1 exemplaar van voornoemd kikkerbeest voldoende gif kan afscheiden om 2 200 mensen te doden. Een collega vond dit nogal een krasse uitspraak en faxte mij een artikel waarbij de gifkwaliteit herleid wordt tot "slechts" het doden van 10 mensen. Welke gifmenger(ster) kan de knoop doorhakken?

Luc Heylen

Antwoord

Een uitvoerig antwoord van onze collega Frans Desfossés vind je HIER.

Terug naar inhoud


 

Hoe komt het dat bloedgroep O de meest voorkomende bloedgroep is terwijl het allel voor bloedgroep O een recessief allel is?

Lut De Ridder
Putte-Kapellen

Antwoord

Het antwoord op de vraag waarom bloedgroep O, ondanks het recessief zijn van dit gen, de meest voorkomende bloedgroep is ligt begrepen in de populatiegenetica.

De wet van Hardy-Weinberg is hier -in uitgebreide versie- van op toepassing.

Laten wij eerst deze regels toepassen op een eenvoudiger voorbeeld: de resusfactor.

Neem dat 16% van de bevolking resusnegatief is en 84% resuspositief. De 16% heeft als genotype dd. De 84% heeft als genotype Rr.

Als de frequentie voor het allel d voorgesteld wordt door q, dan is de frequentie voor D p en er geldt dat p + q = 1

De frequentie voor genotype dd is dan q2, voor genotype Dd = 2pq en voor genotype DD = p2

Als het genotype rr (resusnegatief) 16% van de bevolking beslaat geldt: q2 = 0,16 en q = 0,4

Dus moet de frequentie voor p gelijk zijn aan 1 en q = 1 - 0,4 = 0,6

De frequentie voor heterozygote resuspositieven Dd is dan 2pq= 2 x 0,6 x 0,4 = 0,48

De frequentie voor de homozygote resuspositieven kan berekend worden op twee manieren :

1) p2 = (0,6)(0,6) = 0.36 en

2) p2=1 - 2pq - q2 = 1 - 0,48 - 0,16 = 0,36.

36% van deze populatie is dus homozygoot resuspositief.

Bij het ABO-bloedgroepensysteem kan men de wet van Hardy-Weinberg als volgt uitbreiden.

Maar ook (p + q + r)2 = 1 of p2 + q2 + r2 + 2pq + 2pr + 2qr = 1

waarbij

Laten wij de volgende waarden aannemen voor de Belgische populatie (er bestaan andere tabellen) :

bloedgroep A = 42%, bloedgroep B= 9% , bloedgroep AB = 3 % en bloedgroep 0 = 46%

Na het doorworstelen van een kwadraatsvergelijking met discriminant komen wij dan tot de volgende allelverdeling: p voor A = 0,26 , q voor B =0,06 en r voor O = 0,68.

De formules van Hardy-Weinberg gelden onder de volgende voorwaarden

1. Er mogen geen mutaties optreden.

2. Toevallige gebeurtenissen - bij voorbeeld de dood van enkele personen - mogen de genfrequenties niet wijzigen. De populatie zou daarom eigenlijk oneindig groot moeten zijn.

3. Paringen moeten volkomen volgens het toeval gebeuren. Partnerkeuze mag dus op geen enkele manier door het genotype worden beïnvloed. De populatie moet panmictisch zijn.

4. Elk genotype moet gelijke overlevings- en voortplantingskansen hebben. Er mag dus geen selectie optreden.

5. Er mag geen genenuitwisseling zijn met een andere populatie.

Wat het ABO-systeem betreft is de Belgische populatie voldoende groot, het hebben van A of B heeft geen selectief voordeel op O en de bloedgroep is wellicht het allerlaatste wat ons bezig houdt bij het kiezen van een partner.

Als er verschuivingen optreden in de nationale populatie dan is dat enkel het gevolg van het feit dat wij geen gesloten populatie vormen (voorwaarde 5). Ook op dat gebied wordt de wereld stilaan één groot dorp.

Samengevat:

De frequentie waarmee een allel voorkomt in een populatie is dus onafhankelijk van het al dan niet dominant zijn van dat allel. De regels van de kansberekening zorgen ervoor dat de bestaande allelverdeling van generatie op generatie behouden blijft, zolang er geen selectief voordeel is voor één der mogelijke fenotypen.

Jozef Punie

 

Terug naar inhoud


Komt het vastleggen van zonne-energie door Anabaena de rijstplanten rechtstreeks ten goede?

Met mijn leerlingen was ik op de website van VOB de voorbeeldvragen van de olympiade aan het doornemen en bij vraag 31 hadden ze volgende opmerking: het vastleggen van zonne-energie door Anabaena is toch niet iets dat rechtstreeks aan de rijstplanten ten goede komt. Of toch ?...

Cecile Vanderschaeve (Atheneum Pitzemburg Mechelen)

Antwoord

Ter verduidelijking nog even de vraag :

31. Het gebruik van Anabaena (een cyanobacterie) op rijstvelden is voordelig door

  1. de fixatie van atmosferische stikstof
  2. het vastleggen van energie uit zonlicht
  3. het in symbiose leven met de wortels van de rijstplant

Het juiste antwoord is

A. alleen 1
B. alleen 2
C. alleen 3
D. 1 en 2

Het voorgestelde antwoord is D hoewel we in eerste instantie natuurlijk aan A denken. Een mogelijke verklaring voor het kiezen van D is de volgende :

Anabaena is het klassieke voorbeeld van een stikstofbindende cyanobacterie. In rijstvelden vormt ze vaak een associatie met Azolla, een watervaren. Anabaena bindt luchtstikstof en vormt ammonia. Deze verbinding wordt vervolgens opgenomen door Azolla, die de N uit deze anorganische verbinding gebruikt bij de synthese van aminozuren en eiwitten. Na het afsterven van de varen worden deze N-verbindingen opnieuw gemineraliseerd door micro-organismen, waarna de zo gevormde nitraten door de rijstplanten als N-bron worden opgenomen.

 

Anabaena sp.

 

Azolla sp. met in de holte van
het blad een kolonie Anabaena

Ook het vastleggen van energie uit zonlicht (onder de vorm van energierijke verbindingen in Anabaena) is indirect interessant voor de rijstplanten.Wanneer Anabaena sterft wordt deze bacterie gemineraliseerd, waarbij de heterotrofe micro-organismen die zo'n belangrijke rol spelen bij de mineralisering van Azolla, dankbaar energie putten uit de oxidatie van de aanwezige energierijke C-verbindingen.

Doordat dit tweede luik mij nogal ver gezocht lijkt, hebben we hier een mooi voorbeeld van een vraag waar het niet makkelijk is een ondubbelzinnig antoord op te formuleren...

V. Rasquin [email]

Terug naar inhoud


Wat betekent Ether BP5?

In het labo vond ik een fles ether waar op staat "ETHER BP5". Is er iemand die weet wat BP5 hier zou kunnen betekenen? Hartelijk dank bij voorbaat.

grieten@skynet.be

Antwoord:

Ether verwijst naar de grondstof ether.

PB V verwijst naar de Belgische Farmacopee editie 5, die gebruikt wordt in de apotheek. Dit is een boek waar onder andere scheikundige identificatieproeven staan om een grondstof te onderzoeken op zijn identiteit, zuiverheid...

Het is eigenlijk een farmaceutisch wetboek.

Inge Strijbos

Terug naar inhoud


 

Welk is de meest recente indeling van de mensapen ?

Naar ik vernomen heb zou de orang oetan in een aparte orde ingedeeld zijn. De Afrikaanse soorten zouden wel samengebleven zijn. Onder welke namen ?

Waar vind ik meer informatie over deze indeling ?

Jos Punie

Antwoord

Het is zeer onwaarschijnlijk dat de orang-oetan zou ondergebracht zijn in een afzonderlijke orde. Immers een orde is een vrij hoge categorie. Zo heeft men de orde der Primaten (apen), Rodentia (knaagdieren), Carnivora (roofdieren), enz. Deze hogere classificaties zijn zuiver gebaseerd op afspraken. Enkel de soort is min of meer duidelijk gedefinieerd en afgelijnd.

Op dit ogenblijk gebruikt men internationaal als referentie voor de systematiek van de zoogdieren het werk Mammal Species of the World, uitgegeven door het Smithsonian Insti-tution en de American Society of Mamma-logists. De recentste editie stamt uit 1993.

Hierin is nog de zeer klassieke onderverdeling van de mensapen opgenomen.

Familie Hominidae
Genus Gorilla
Gorilla gorilla
Genus Homo
Homo sapiens
Genus Pan
Pan paniscus
Pan troglodytes
Genus Pongo
Pongo pygmaeus

Toch al een stuk realistischer dan de vorige classificatie waarbij de mens ondergebracht werd in een afzonderlijke familie. Nochtans weet men ondertussen dat de mens en de mensapen zeer sterk verwant zijn aan elkaar. De verschillen tussen mens en chimpansee liggen op het niveau van de verschillen tussen tweelingsoorten. Het zou dan ook veel meer met de werkelijkheid overeenkomen indien de vijf Hominidae ondergebracht werden in hetzelfde genus. Dus Homo gorilla, Homo paniscus en Homo troglodytes. Waarschijnlijk is de orang-oetan de enige mensaap die eventueel kan ondergebracht worden in een afzonderlijk genus. Indien het zou gaan over ongewervelden dan had men deze stap al lang gezet. Maar ja, de gedachte alleen al, de mens en de gorilla in hetzelfde genus!

Het is mogelijk dat bepaalde wijzigingen in de classificatie van de zoogdieren onvoldoende bekend zijn. De orde van de Marsupialia (buideldieren) bestaat niet langer maar werd vervangen door zeven nieuwe ordines. Bij de Eutheria werden de olifantsspitsmuizen onder-gebracht in de orde der Macroscelidea en de toepajas in de orde der Scandentia.

Prof. Dr. Erik Van der Straeten (Wilrijk)

 

 

Terug naar inhoud

 


Hoe smaakt fenylthiocarbamide?

De proef met fenylthiocarbamide doe ik niet omdat het om een giftige stof gaat. Maar nu vroegen de leerlingen mij tijdens de lessen genetica (zij hadden hierrond iets gelezen in het handboek) wat de smaak is van fenylthiocarbamide ?

Kan iemand mij dit doorgeven ? Dank U.

Anne De Vleeschouwer

Antwoord

Fenylthiocarbamide (FTC of PTC) heeft een uitgesproken bittere smaak. Uitgebreide informatie i.v.m. PTC vind je op een webpagina van OMIM (Online Mendelian Inheritance in Man)

V. Rasquin [email]

 

Terug naar inhoud


Bij chemische bepaling van waterkwaliteit wordt in sommige Nederlandse publicaties een onderscheid gemaakt tussen ortho- en totaalfosfaat. Welke chemische betekenis zit er achter deze twee termen?

Katrien en Dirk Barbez

Antwoord

Bij de analyse van watermonsters kan op twee manieren de hoeveelheid fosfaat worden bepaald die in het water aanwezig is. Met de ene methode wordt de totale hoeveelheid in het water aanwezige fosfaat bepaald. Met de andere methode wordt de hoeveelheid fosfaat bepaald die reageert met molybdaat en een verkleuring veroorzaakt die te meten is (J. Murphy and J.P. Riley (1962). A modified single solution method for the determination of phosphate in natural waters. Anal.Chim. Acta, 27:31-36).
Dit laatste type fosfaat wordt reactief fosfaat of ortho-fosfaat genoemd. Er wordt in het algemeen vanuit gegaan dat dit anorganisch fosfaat is (P. Haygarth (1997). Agriculture as a source of phosphorus transfer to water: sources and pathways. SCOPE Newsletter, number 21. Brussels: Scientific Committee on Phosphates in Europe).

De hoeveelheid niet-reactief ofwel organisch fosfaat wordt berekend door van het totaal-fosfaat (bepaald met de eerste methode) de hoeveelheid reactief fosfaat (bepaald met de tweede methode) af te trekken. Het ortho-fosfaat wordt gezien als de indicator voor de door menselijk handelen veroorzaakte belasting van het grond- en oppervlaktewater.

Met vriendelijke groet,

Margot.Groot@rivm.nl

 

Terug naar inhoud


Poster biotische index?

Om de kwaliteit van oppervlaktewater te bepalen kan men de biotische index opsporen. Hierbij maakt men gebruik van een tabel die blijkbaar ook op posterformaat (98 x 64 cm) bestaat. Op deze poster worden de organismen geïllustreerd door kunstige pentekeningen. De ontwerpster is onderzoekster aan het Limburgs Studiecentrum voor Toegepaste Ecologie (LISEC) te Bokrijk-Genk. Zijn er collega's die weten of deze poster nog te verkrijgen is en zo ja, waar men hem kan bestellen?

Katrien en Dirk Barbez

Antwoord

De poster van macro-invertebraten en biotische index : die was 10 jaar terug te bekomen door 250 fr. over te schrijven op rekening nr. 455-7140121-96 van de ontwerpster Neven B. uit Hasselt (nadere gegevens heb ik niet).

V. Rasquin [email]

 

Terug naar inhoud


Afdruk huidmondjes?

Veel collega's kennen waarschijnlijk het experiment om een afdruk te maken van huidmondjes van bladeren, door er collodium op te strijken en het opgedroogde collodiumvliesje daarna los te trekken. Met deze vliesjes kan men micropreparaatjes maken waarop de bouw van de huidmondjes duidelijk te zien is. Door plantjes in enerzijds zeer vochtige en anderzijds zeer droge milieu-omstandigheden te plaatsen kan men met deze methode ook de openingsgraad van de huidmondjes nagaan. Met welke plantjes levert dit experiment goeie resultaten op?

Katrien en Dirk Barbez

Antwoord

I.v.m. de huidmondjes geef ik je een tip van op onze webpagina (onderde rubriek "tips") : bij het bestuderen van de epidermislaag en huidmondjes lukt het dikwijls niet om een vliesje los te krijgen van een blad, zonder dat de onderliggende lagen mee afgetrokken worden. Ziehier een middel om toch op een eenvoudige manier iets aan de leerlingen te laten zien. Als je het blad dat je gaat onderzoeken bestrijkt met een laagje doorzichtige nagellak, eventjes wacht en dan het vliesje lak er met een pincetje weer afneemt, kan je onder de microscoop een afdruk zien van de epidermiscellen en de huidmondjes. Op deze manier kan je zonder veel tijd te verliezen laten zien : onderscheid tussen één- en tweezaadlobbige plant, verschil in aantal huidmondjes tussen boven- en onderkant van een blad bij tweezaadlobbigen, verschil in celvorm tussen de epidermiscellen bij één- en tweezaadlobbigen.

Een alternatieve methode bestaat erin i.p.v. nagellak hobbylijm te gebruiken (d.i. lijm die dient om plastieken bouwmodellen te kleven). Men brengt op de te onderzoeken plaats een dun laagje lijm aan en laat drogen. Met doorzichtig kleefband kan die afdruk dan verwijderd worden en geobserveerd onder de microscoop.

Materiaal dat makkelijk kan bestudeerd worden : narcis & klimop.

 

Terug naar inhoud


Een klein vraagstukje : twee roodharigen krijgen kinderen, hoe groot is de kans dat hun eerste kind rood haar heeft ? M.a.w. hoe erft de haarkleur over ?

Lisa Duchatelet

Antwoord

De haarkleur wordt veroorzaakt door de afzetting van pigmenten in het haar. Hiervan onderscheidt men twee groepen : de eumelaninen, die verantwoordelijk zijn voor de zwarte en bruine kleur en de pheomelaninen die een rode kleur veroorzaken. De genen die voor de vorming van deze twee types pigmenten verantwoordelijk zijn zouden op verschillende loci gelegen zijn (zo zou het gen voor pheomelanine op chromosoom 4 liggen).

Momenteel vermoedt men dat het gen voor rood haar autosomaal dominant is t.o.v. blond haar en hypostatisch t.o.v. donker haar. In deze optiek zullen alleen heterozygote roodharige ouders kinderen kunnen krijgen met blond haar. Zijn beide ouders roodharig en is de vader of de moeder homozygoot voor de eigenschap rood haar, dan zullen alle kinderen roodharig zijn.

V. Rasquin [email]

 

Terug naar inhoud


Wie heeft informatie over determinatiewerken i.v.m. waterorganismen (flora & fauna)?

Al een poosje ben ik tevergeefs op zoek naar degelijke boeken (bruikbaar voor determinatie, maar liefst met veel ruimere info) i.v.m. waterplanten en waterdieren (zowel macro- als micro-organismen). Kent iemand interessante boeken?

Goedele Slembrouck

Antwoord

1.

- Venen, plassen en poelen - W. Engelhardt - Thieme : beknopt naslagwerkje i.v.m. flora en fauna; wel goede uitleg en mooi geïllustreerd

- Ik meen te weten dat er ook iets bestaat van uitgeverij Kosmos : "Das Leben im Wassertropfen" (of zoiets!). Ik heb dit rijk geïllustreerd boekje eens in mijn handen gehad en het gaf wel goede informatie i.v.m. micro-organismen.

- Hydrobiologie van Nederland - Dr. H. C. Redeke - De Boer (Amsterdam) : zeer uitgebreid naslagwerk i.v.m. waterfauna en fytoplankton. Toevallig heb ik dit werk eens op de kop kunnen tikken en met wat geluk kun je het nog terugvinden in de één of andere universiteitsbibliotheek. Hoogst waarschijnlijk is het niet meer te verkrijgen (mijn exemplaar dateert van 1945!)

- Veel recenter, hoewel ook niet meer uitgegeven, zijn de Veldwerkbladen van de werkgroep veldbiologie : "Zoet water" en "Slikken, schorren en wad" - Uitgeverij de Nederlandse boekhandel. (Ik heb nog exemplaren kunnen vinden bij de Slegte . Dit zijn goede determinatiewerkjes en werkbladen voor flora en fauna.)

Verder werden ook nog referentiewerken en determinatietabellen uitgegeven bij de jeugdnatuurverenigingen Jeugd & wetenschap en Natuur & wetenschap.

V. Rasquin [email]

2.

Zoals in het antwoord 1 al is gegeven is het boek venen, plassen en poelen zeer bruikbaar. Welke boeken misschien ook wel geschikt zijn laat ik hierna weten:

- Waterplanten en waterkwaliteit, uitgever-stichting uitgeverij Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging , schrijvers Bloemendaal en Roelofs, ISBN nummer 90-5011-014-2 (1988)

- Macro-invertebraten en waterkwaliteit, uitgever-dossiers stichting leefmilieu in Antwerpen in samenwerking met Jeugdbond voor natuurstudie en milieubescherming (1991)

- Das leben in Wassertropfen (mikroflora und mikrofauna des Susswassers, schrijvers Heinz Streble/ Dieter Krauter, uitgever kosmos, ISBN nummer 3-440-05909-X.(1988)

- Libellen en andere netvleugeligen, uitgever Elmar b.v., ISBN nummer 906120 190x (1977)

- Vliegen en muggen, uitgever Elmar b.v., ISBN nummer 906120 1918 (1979)

Boeken waarvan ik zeker weet dat ze niet meer te koop zijn:

De levensgemeenschappen van sloot en plas, uitgever wolters noordhof (1960) en

Wat vind ik in sloot en plas, uitgever Thieme.

Hopend u hiermee van dienst te zijn geweest. Met vriendelijke groet

Erik Rem TOA biologie

 

Terug naar inhoud


Help! Mijn lantaarnplantje heeft kleine okselknopjes!

Wat kan er de oorzaak van zijn dat mijn lantaarnplantje (Ceropégia woódii) geen of slechts uiterst kleine okselknolletjes vormt, terwijl de moederplant grote knollen vormde?

Goedele Slembrouck

 

 

Terug naar inhoud


Kiele, kiele, kiele... Hoe zit dat juist met dat gekittel?

Kan iemand mij helpen met informatie over 'kriebels'? Wat zijn het, hoe komt het dat de gevoeligheid ervoor zo verschilt en dat je jezelf niet kunt kriebelen... Ik herinner me er onlangs iets over gelezen te hebben maar ik kan deze informatie niet meer terugvinden. Daarom probeer ik het even via VOB.

Bedankt!

Arne Peleman.

Antwoord

Een antwoord op bovenstaande vraag kregen we toegestuurd van drs. Gerda Hartman, stafmedewerker van de Informatieservice van de Nederlandse Stichting Bio-Wetenschappen en Maatschappij.

Het betreft het artikel "Een zinvolle schijnaanval" van Simone De Schipper in Elseviers Magazine (5 september 1998).
Gemakshalve geven wij hieronder het integrale artikel (zonder de bijgaande illustratie)

Die vreemde mengeling van leuk en akelig, spannend en eng, stop roepen en meer willen, van lachen en willen dat het ophoudt. Serieus onderzoek naar kietelen lijkt een lachertje. Wetenschappers liepen daarom altijd schoorvoetend om het onderwerp heen, maar ze hebben zich er eindelijk aan overgegeven.

Hoe komt het dat we lachen, ook als we het niet leuk vinden? Psychologen ontdekten dat het een samenspel is van sociale en lichamelijke factoren. Als niet de leukste secretaresse je zij prikkelt, maar een oude onderzoeker je voetzool aanraakt, ga je ook lachen. Zie daar, het gelach is niet alleen van plezier. Uit beleefdheid dan? Nee, als de onderzoeker vervangen wordt door een kietelmachine, dan lach je net zo hard. Conclusie: het hulpeloze gelach is een mechanische reflex die niet per se van plezier of sociaal gedrag getuigt. De rest van het lichaam reageert zelfs alsof het in gevaar is. Spieren spannen zich, bloeddruk stijgt, hartslag schiet omhoog, zenuwen worden gevoeliger en het lijf wringt zich in vreemde bochten om de dader te ontwijken.

Als zelfs een simpel apparaat zo'n sterke reflex kan uitlokken, hoe kunje dan zo stoïcijns blijven wanneerjezelfje nek kriebelt? Sarah Blakemore (24) en haar collega's aan het Instituut voor Neurologie in Londen besloten dit uit te zoeken met een hersenscanner en een apparaatje op de handpalm. Wanneer Blakemore vanuit de controleruimte het grijpertje bestuurde, werden de hersenen van de proefpersoon niet alleen actiever in het gebied dat signalen van huidzintuigen ontvangt, maar ook in het gebied dat wordt geassocieerd met plezier: de proefpersoon voelt waar hij wordt gekieteld en het voelt grappig. Wanneer de persoon zélf het apparaatje bestuurde, hadden de signalen van de huidzintuigen veel minder effect in de hersenen. Het 'plezier'-gebied werd bovendien niet actief, een stukje in de kleine hersenen - een bolletje net boven de nek - betrokken bij het plannen van bewegingen, juist wél ' Blakemore en collega's veronderstellen dat de kleine hersenen de grote hersenen waarschuwen. Als het gekietel overeenkomt met de voorspelling, worden de grote hersenen niet extra gestimuleerd en zetten ze geen reflex in gang. Die voorspelling is heel nauwkeurig, ontdekten de Britten. Als het apparaatje pas eenvijfde seconde ná de opdracht bewoog, was de reactie weer net zo groot als bij andermans gekietel.

De kleine hersenen gooien dus roet in het eten als we onszelf willen kietelen. Jammer, maar wel praktisch. Stel je voor dat we continu schrikken, gillen en opspringen door eigen onbedoelde aanrakingen. Zo'n reflex komt beter van pas bij aanrakingen van enge beestjes die je moet afschudden, of van iemand voor wie je moet vluchten.

Lachen en willen vluchten, die twee lichamelijke reflexen lijken zo tegenstrijdig. Toch zijn mensen niet als enigen behept met zo'n rariteit. Ook chimpansees krijgen het van kietelen op hun heupen. Als ze stoeien en elkaar najagen, dan is het overduidelijk dat ze spelenderwijs leren vechten, zichzelf beschermen,jagen en vluchten. Waarschijnlijk is kietelen ook leerzaam: snelle reacties op ongedierte worden getraind door het kriebelen in de nek of onder de voet. Een groot 'kieteloffensief' oefent het verweer tegen belagers of roofdieren. Kietelen is een gespeelde aanval - let maar eens op de geluiden die de 'aanvaller' produceert.

Stoeiende dieren, en mensen, maken elkaar met lichaamshouding en gezichtsuitdrukkingen steeds duidelijk dat het niet menens is en dat ze het een leuk spelletje vinden. Dat we kietelen eveneens vaak leuk vinden, en voor de zekerheid een lachreflex hebben, heeft ons in de evolutie geholpen: de ouder wordt gestimuleerd om het kind te kietelen - wat is tenslotte leuker dan een kind dat al gilt van plezier alsje alleen al dreigendje vingers kromt -, het kind oefent belangrijke reflexen en bovendien versterkt het samen lachen de band. Het moet wel duidelijk een schijnaanval zijn, bij voorkeur van iemand die niet echt bedreigend is. Je moeder bijvoorbeeld, of de secretaresse.

 

 

Terug naar inhoud


Hoe gebeurt de groei van de pollenbuis?

Pollen (stuifmeelkorrels) zijn de mannelijke voortplantingscellen of microsporen, het mannelijke haploïde stadium in de levenscyclus van zaadplanten.De pollenkorrel wordt omgeven door een binnenste celluloselaag (intine) en een buitenste cutinelaag (exine). Na de bestuiving kiemt de stuifmeelkorrel op de stempel en er wordt een stuifmeelbuis gevormd, welke binnengroeit door de stempel en het stijlkanaal en tenslotte het vruchtbeginsel bereikt.
Hoe gebeurt nu precies de groei van de stuifmeelkorrel? Is dat door middel van celdeling, celrekking, of iets anders? Wat? En hoe?

Dirk Janssen (Mol)

Antwoord 1

Uit Moderne Plantkunde (Bossier et al.) en Atlas bij de biologie (Vogel et al.) volgend antwoord.

Nog voor de bestuiving deelt de kern van de stuifmeelkorrel zich in een spermatogene kern (= generatieve kern) en een buiskern (= vegetatieve kern).

Onder invloed van het stempelvocht groeit de intine, langs een porie van de exine, uit tot een stuifmeelbuis. De buiskern en de spermatogene kern bevinden zich steeds vooraan in de groeiende stuifmeelbuis. De spermatogene kern deelt zich in twee langwerpige spermakernen, die als mannelijke gameten fungeren.

Wanneer de top van de stuifmeelbuis in de embryozak doorgroeit, worden de celwand en de buiskern geresorbeerd (door enzymatische werking van de helpstercellen). De celwanden van de helpstercellen en van de eicel worden eveneens opgelost. Eén van de spermakernen dringt, langs het cytoplasma van een helpstercel, in de eicel en gaat tegen de eicelkern liggen, waarna versmelting gebeurt en een zygote ontstaat. De tweede spermakern versmelt met de kiemwitkern (of de twee poolkernen). Bij de bedektzadigen gebeurt dus een dubbele bevruchting. Uit de bevruchte eicel zal zich de nieuwe plant ontwikkelen, uit de bevruchte kiemwitkern het kiemwit (endosperm).

Herman Snoeck (Antwerpen)

Antwoord 2

De vraag is ongelukkig en foutief geformuleerd: "Pollen (stuifmeelkorrels) zijn de mannelijke voortplantingscellen of microsporen" Sinds wanneer hebben sporen een geslacht? Dit is tegen de definitie dat het cellen zijn die niet met andere versmelten. Sticht complete verwarring tussen gameten en sporen die bij Unief-studenten blijft doorwerken.

Betreffende het gegeven antwoord: de boeken die geciteerd worden staan minstens 10 jaar achter. Minstens 10 jaar geleden zijn elektronenmicroscoopfoto's verschenen van de gameten. Daarop was duidelijk zichtbaar dat er rond die kernen een membraan zit en een kleine hoeveelheid cytoplasma, dus dat het cellen zijn. Sindsdien worden ook bij de bedektzadigen de gameten zaadcellen of spermacellen genoemd. Zo staat het ook in de huidige cursussen. Bij mijn weten noemt men nog wel het kiemwit van de bedektzadigen secundair kiemwit of endosperm (3n na bevruchting ontstaan) en bij de naaktzadigen kiemwit of endosperm (n) dat de vrouwelijke gametofyt vertegenwoordigt.

Jan Staes (Leuven)

Antwoord 3

Er is inderdaad veel verwarring rond deze mechanismen, maar ik denk dat de gestelde vraag toch zinvol is: sporen versmelten inderdaad niet met elkaar maar groeien uit tot een haploide mannelijke of vrouwelijke gametofyt (op die manier kun je dus wel een geslacht toekennen aan een spore, wanneer er sprake is van heterosporie). In dit geval ontwikkelt de microspore zich binnen de pollenkorrel tot een mannelijke gemetofyt die echter maar uit één cel bestaat, de mannelijke gameet. Dus kun je ook zeggen dat de pollenkorrel de mannelijke voortplantingscel of gameet is. De twee fertiele kernen van deze mannelijke gametofyt gaan dan versmelten (na uitgroei van de pollenbuis) met de twee kernen van de vrouwelijke gameet, de eicel die gelegen is in de vrouwelijke gametofyt. De uitgroei van de pollenbuis gebeurt niet door celdeling.

Pieter Provoost

 

Terug naar inhoud


 

 Wie helpt me aan informatie i.v.m. een combistoof (broestoof/droogstoof)?

Ik zoek voor het practicum microbiologie in techniek-wetenschappen een combistoof (broed- en droogstoof) met een gunstige prijs (ongeveer 40 000 BEF?), die aan de volgende eisen moet voldoen:
- een tijdschakelaar
- een temperatuursinstelling van 20°C tot 220°C
- een inhoud van ongeveer 40 l
- een regelbare knop voor luchtverversing

Wie heeft positieve ervaringen met een combistoof en kan mij de volgende gegevens doorspelen: type (+ codenummer) + firmanaam (+ adres in België)?

Lutgarde Vandensande at lutvandensande@planetinternet.be

Antwoord:

Naar aanleiding van de vraag van Lutgarde Vandensande over een brood- droogstoof het volgende. Alhoewel ik hier vanuit Nederland de site bezoek heb ik bij de firma waar ikzelf altijd mijn spullen bestel de volgende firma in Belgie doorgekregen. de Firma Vincent Leermiddelen in Antwerpen, vanden Nestlei 32, B 2018 Antwerpen. Misschien is het mogelijk dat u het telefoonnummer erbij zoekt en even controleert of het klopt. Deze firma levert broed- en droogstoven van het merk Memmert als ik goed ben geinformeerd. Het handigst is denk ik om een catalogus aan te vragen. Hopend u voldoende te hebben geinformeerd groet ik U.

Erik Rem TOA biologie Zevenaar (Ned.)

 

Terug naar inhoud


Welke reactie veroorzaakt de verkleuring van galappelsap bij contact met ijzer?

Inkt maken uit galappels die groeien op eikenbladeren kan als volgt: pers het sap uit een tiental galappels in 100 ml water. Leg daar enkele verroeste spijkers in. Na korte tijd kleurt de oplossing diepzwart. De vloeistof is perfect bruikbaar als inkt.

Kan iemand me de chemische reactie bezorgen (tussen looizuren en ijzer of ijzeroxide) die voor deze kleuromslag zorgt?

Luc Daniëls (Mortsel)

 

Terug naar inhoud


Bestaan er pitvruchten die geen schijnvruchten zijn?

Bij de appel en de peer neemt de bloembodem deel aan de vruchtvorming, het zijn dus schijnvruchten. Is dit bij andere pitvruchten ook het geval ? Bestaan er dus pitvruchten die geen schijnvruchten zijn ?

Rudy Hendrickx

Antwoord

Bij schijnvruchten groeit niet alleen het vruchtbeginsel uit, maar ook andere (bloem)delen van de plant nemen aan de vruchtvorming deel. Zo zijn aardbei, rozenbottel en vijg uit de bloembodem ontstaan, de bes van de Physialis is omgeven door de kelk, de bloemdekbladen vormen de vlezige moerbei, elzenproppen zijn schutblaadjes en de ananas ontstaat uit vlezig geworden hoofdas, schutbladeren en bloembodems.

De geslachten Appel, Peer, Mispel, Kwee, Krentenboompje, Lijsterbes, Vuurdoorn en Meidoorn horen alle tot de Appelfamilie. Deze planten hebben een onderstandig vruchtbeginsel, de bloembodem is om het vruchtbeginsel heen gegroeid en er mee vergroeid. Hun vruchten zijn pitvruchten. De binnenste laag van de vruchtwand is vlezig (klokhuis) of hoornig. De dikke laag van het buitenste vruchtvlees bij appel, peer, kwee en mispel ontstond uit de bloembodem. Vele auteurs rekenen deze vruchten niet bij de schijnvruchten, omdat bloembodem en vruchtbeginsel vergroeid zijn en de bloembodem dus wel moet meegroeien. Indien toch, denk ik dat we de pitvruchten van lijsterbes, krentenboompje, vuurdoorn en meidoorn geen schijnvruchten kunnen noemen want ze hebben niet zulke dikke buitenste vruchtvleeslaag. Hier groeit de bloembodem waarschijnlijk ook wel mee, maar waar ligt dan de grens?

Herman Snoeck (Antwerpen) 

 

Terug naar inhoud


Waar vind ik goede foto's van de dissectie van een oog?

Het wordt steeds moeilijker om aan ogen ( rund, varken, schaap) voor een dissectie te geraken.
Wie heeft goede foto's of kent website met goede foto's van de dissectie?

Geert Verwilligen, Koornaarstraat 6, 9190 Stekene

Antwoord

Hieronder heb je een tweetal webadressen waarop je de gevraagde informatie kan vinden; op het eerste adres krijg je een video te zien van de dissectie, terwijl op het tweede adres de dissectie stap voor stap wordt weergegeven met foto's. Het tweede adres refereert naar een webpagina van The Exploratorium in San Francisco; dit is een reusachtige wetenschappelijke doe-expositie, waar op een heldere manier kennis wordt gemaakt met vnl. biologie en fysica. Als je ooit eens in San Francisco geraakt mag een bezoek aan dit museum niet op je lijstje ontbreken!
http://www.exploratorium.edu/learning_studio/cow_eye/

V. Rasquin [email]

 

Terug naar inhoud


Hoe (met kans op succes) het watertransport via houtvaten aantonen?

Ik slaag er maar niet in om de geleiding van (kleur)stoffen doorheen de stengel van een bloem d.m.v. kleurstof aan te tonen.

Ik deed pogingen met Vlijtige Lies, Kamillebloemen, Witte Anjers, Madelieven. Ik onderwierp hen aan biologische-, chemische-, voedingsmiddelenkleurstoffen, blauwe en rode inkten. In "de boekskes" is het resultaat overweldigend, terwijl mijn pogingen in het beste geval een zeer flauw kleurtje doen verschijnen op de witte kelkblaadjes.Zelfs op de video lukt deze proef wonderwel. Toch zeker niets in de handen en de mouwen???

Wie kan mij helpen?

Luc Heylen

Antwoord

Als kleurstoffen gebruik je best vitale kleurstoffen die zeer goed oplossen in water (bv. 1-procent oplossingen van methyleenblauw of eosine). Ik heb indertijd de experimenten uitgevoerd met witte anjers en de resultaten waren duidelijk merkbaar. Je riskeert bovendien minder problemen, wanneer je de stengel van de anjer in de kleurstofoplossing met een scheermesje een paar cm inkort; zo worden de houtvaten minimaal samengedrukt en verkrijg je een ononderbroken waterketting.

V. Rasquin [email]

 

Terug naar inhoud


Waar vind ik informatie over lipoproteïnen?

Micellen , chylomicronen, cholesterol, vetzuren, ……Meer en meer stellen leerlingen specifieke vragen over voeding en gezondheid.
Waar kan ik een voor het ASO bruikbaar en goed gedocumenteerd overzichtsartikel vinden over lipoproteïnen in ons lichaam?


Leen Van Hoecke

Antwoord

Dag Leen,
Probeer eens op
http://www.homepages.hetnet.nl/~b1beukema/lipiden2.html

V. Rasquin [email]

 

Terug naar inhoud


 

Waar vind ik informatie over roken en nicotineverslaving?

 

Beste,

Ik ben op zoek naar een goed en degelijk artikel omtrent roken en nicotineverslaving, liefst in het Nederlands, maar Engels is ook goed. Het zou een artikel moeten zijn - als het kan met fotomateriaal (rokersvoet, zwarte longen, e.d.) - dat 'vrij volledig' is, en alle mogelijke gevolgen aanhaalt, illustreert of bespreekt ... Het moet begrijpend zijn voor gewone leerling (dus eos-niveau), maar liefst wel vrij aangrijpend ...

Groeten


Diederik D'Hert

Antwoord

Op het net vind je heel wat informatie over roken en de gevolgen ervan. Met de gegevens op de volgende drie sites, moet je probleemloos een degelijk artikel kunnen brouwen, dat volledig voldoet aan jouw criteria :
http://www.stivoro.nl/nieuw.html (Nederlands – veel informatie – minder illustraties)
http://www.nlm.nih.gov/medlineplus/ency/article/001994.htm#visualContent (Engelstalig, zeer uitgebreid, talrijke illustraties)

V. Rasquin [email]

 

Terug naar inhoud



P
roblemen i.v.m. het bepalen van de BOD

Geachte heer,

In het kader van GIP, geïntegreerde proef in 6 Techniek Wetenschappen wordt de proef 'Kleinschalige waterzuivering door planten' uitgevoerd. We volgden de werkwijze beschreven in het jaarboek 2000 VOB door Sophie De Schepper, die hiermee de eerste prijs van de 'Dirk Frimout'- wedstrijd won. We hebben veel problemen met het bepalen van de BOD. De oplossingen in de Winkler flessen kleuren geel, wat vermoedelijk wijst op de aanwezigheid van dijood, maar bij toevoeging van de zetmeeloplossing kleurt de oplossing niet blauw zodat verdere titratie zinloos is. Meestal is er ook een neerslag die geel of roze is.

De gevolgde werkwijze was toevoeging van:
- 1 ml MnSO4 en 2 ml KOH + KI-oplossing (fixeren)
- 2 ml geconcentreerd H2S04
- 1 ml zetmeeloplossing
Zelfs bij het pas gemaakte afvalwater was er slechts 1,4 mg/l 02 aanwezig. Er werden Winklerfiessen gebruikt van 250 ml, misschien is dit de oorzaak van de problemen. Nergens in het werk staat het volume van de Winklerflessen vermeld. De hoeveelheid zwavelzuur werd opgevoerd in een poging de neerslag op te lossen; maar dit bracht geen verbetering.

Er was geen nitriet in het afvalwater; de fosfaten en nitraten waren omgezet. Zou het mogelijk zijn om een volledige beschrijving van de proef te krijgen of een verklaring van onze foute resultaten en werkwijze. In januari bij het begin van de tweede trimester wordt de proef opnieuw uitgevoerd met hopelijk betere resultaten. Zou het mogelijk zijn om tegen dan een antwoord te ontvangen.

Veel dank bij voorbaat.

Lut Doms
Kerkhofstraat 30
8800 Rumbeke
056/501390

Antwoord

Beste collega

Het mislukken van het experiment zou wel kunnen te maken hebben met de grootte van de gebruikte Winkler-flessen t.o.v. de hoeveelheid gebruikte reagentia. Het ontstaan van een rozebruin neerslag bij het fixeren van het zuurstofgas is normaal (te wijten aan de vorming van MnO2.2 H2O).
Misschien heb je meer kans op slagen, wanneer je op volgende gegevens steunt:

Materiaal

1. Voor het fixeren van O2:
- 48 % oplossing van MnSO4
- 15 % KI in een 70 % KOH-oplossing
– 5 winklerflessen van 25 ml

2. Voor het bepalen van de O2-concentratie:
- 50% H2SO4-oplossing
- 0,31 % Na2S2O3-oplossing
- buret
- 10 ml pipet
- erlenmeyer van 100 ml
- blad wit papier

Werkwijze

1. Fixeren van zuurstofgas:

vul voorzichtig elk van de 5 winklerflessen met het waterstaal
- doe in één flesje 0,1 ml MnSO4, sluit het flesje en meng zorgvuldig
- doe nu in dit flesje 0,2 ml van de basische iodide-oplossing, sluit en meng opnieuw. Er ontstaat een rozebruin neerslag.
- in dit stadium kan het flesje bewaard worden in een koelkast tot het ogenblik waarop de O2-concentratie zal bepaald worden.
- herhaal na 1 dag het fixeerproces voor flesje 2
- herhaal na 2 dagen het fixeerproces voor flesje 2
- herhaal na 3 dagen het fixeerproces voor flesje 3
- herhaal na 4 dagen het fixeerproces voor flesje 4
- herhaal na 5 dagen het fixeerproces voor flesje 5

2. Bepalen van de zuurstofgasconcentratie op dag 5
- voeg bij elk flesje 0,3 ml van de zwavelzuuroplossing toe en meng
- laat de stalen gedurende twee minuten staan
- indien het neerslag niet oplost, nog 0,1 ml zwavelzuuropl. toevoegen
- doe de natriumthiosulfaatoplossing in de buret
- doe 10 ml van staal 1 (van dag 1) in de erlenmeyer en voeg enkele druppels van de zetmeeloplossing toe. Er ontstaat een blauwe kleur.
- titreer het staal met de natriumthiosulfaatoplossing totdat de blauwe kleur verdwijnt. Dit is het best merkbaar als je de erlenmeyer op een blad wit papier zet.
- noteer de hoeveelheid uitgelopen Na2S2O3-oplossing
- herhaal de werkwijze met nog eens 10 ml van het staal 1.
- Ga nu op dezelfde manier te werk voor de stalen, waar het O2 gefixeerd werd op dag 2, dag 3 enz..

3. Bepalen van het zuurstofgasverbruik

- elke ml toegevoegde Na2S2O3-oplossing stemt overeen met 0,1 mg zuurstofgas in het 10 ml staal.
- voor het bepalen van de BOD, doet men de meting gewoonlijk na 5 dagen, maar indien na 5 dagen de zuurstofgasconcentratie niet meetbaar zou zijn, kan men terugvallen op de andere stalen.

Hopelijk lukt het experiment nu. Alvast veel succes!

V. Rasquin [email]

Terug naar inhoud


Is een grote dosis glucose schadelijk/giftig?

Ik heb een aantal dagen terug ergens gelezen dat glucose in hoge concentraties schadelijk is. Ik ben nu al een paar uur aan het zoeken maar vind het niet meer terug.
Ik zou graag weten waarom dat zo is. Ik weet dat hoge glucoseconcentraties leiden tot een verhoogde urineafscheiding, met overmatig vochtverlies en zoutverlies, maar daar gaat het niet om. Glucose op zich zou in hoge concentraties schadelijk/giftig zijn. Hoe komt dit ? Wat brengt ze teweeg ?

Groeten,
Diederik D'Hert

antwoord

glucose vormt sterke covalente bindingen met eiwitten. Dat proces heet glycatie en gebeurt zonder tussenkomst van enzymen, wat uitzonderlijk is in biochemische processen. Die binding gebeurt vooral op vrije aminogroepen van
naar buiten stekende aminogroepen als lysine. Deze aantasting van eiwitten gebeurt traag. Toch kan dit in het lichaam leiden tot permanent aangetaste eiwitten met als gevolg cristallines (eiwitten op ooglens), glycatie van eiwitten in de myelineschede ...

meer info : natuur en techniek, 58,6 (1990)

Luc Daniëls
Bremveldlaan 29
Mortsel

Terug naar inhoud


Invloed van de temperatuur op het geslacht van bepaalde reptielen
Waarom zijn XYY mannen niet steriel?

Vandaag ben ik opnieuw twee problemen tegen gekomen. Kun jij me hierbij
helpen ?

Het geslacht van een aantal reptielen wordt bepaald door de temperatuur.
Incubatie van eieren bij een lagere temperatuur levert vooral wijfjes, een
iets hogere temperatuur mannetjes. Ik ben in mijn zoektocht al zover dat er
wel degelijk XX en XY individuen bestaan, maar dat het tot expressie komen
van die mannelijke genen afhankelijk is van de temperatuur. Dus sommige
wijfjes zijn in feite niet tot ontwikkeling gekomen mannetjes. Hun gameten
moeten echter ofwel een X, ofwel een Y chromosoom bevatten. Maar wat als een
gameet van een XY-wijfje, die het Y-chromosoom draagt, versmelt met een
gameet van het mannetje die ook het Y-chromosoom draagt ? Ik vermoed dat dit
om een of andere manier niet zal optreden, maar
- gebeurt dit wel maar sterven deze zygoten af
- of is er een mechanisme die zorgt dat een XY-wijfje enkel X-gameten vormt?
- of nog iets anders ?

Tijdens de les over genoommutaties behandelde ik een aantal gevallen van
aneuploidie bij de mens:
XXX: triple X - steriel
XO: Turner - steriel
XXY: steriel

Dat bovengaande drie gevallen steriel zijn ligt voor de hand, tijdens meiose
vinden niet alle chromosomen een partner, met het mislukken van de
reductiedeling als gevolg.

Er bestaat ook
XXYY: wel vruchtbaar
XYY: wel fertiel (maar iets minder).

Hoe kun je verklaren dat XYY mannen wel fertiel zijn, er is immers een Y
chromosoom teveel, die geen homoloog vindt ....


Diederik D'Hert

Antwoord (graag verdere reacties!)

Op onderstaande site vind je heel wat informatie i.v.m. de invloed van de temperatuur
op de geslachtsbepaling bij sommige reptielen:
http://www.deancloseprep.gloucs.sch.uk/chelonia/testudo/articles/v2n3sex.html
Bij deze reptielen zou de geslachtsbepaling uitsluitend afhangen van de expressie
van één welbepaald gen. Zij zouden geen verschillende geslachtschromosomen vertonen.
Een goede pagina over de menselijke geslachtschromosomen is:
http://users.rcn.com/jkimball.ma.ultranet/BiologyPages/S/SexChromosomes.html
Informatie over diverse vormen van afwijkingen in het aantal geslachtschromosomen vind je op
http://www.aaa.dk/TURNER/ENGELSK/DOWNLOAD.HTM
Dat XYY mannen niet steriel zijn heeft te maken met het feit dat het Y-chromosoom geen
noemenswaardig effect heeft op de fertiliteit (dit hangt af van het X-chromosoom).
Verder heeft men ook vastgesteld dat XYY mannen niet meer XYY kinderen krijgen dan normale mannen,
wat doet veronderstellen dat zaadcellen met een XY-combinatie niet voorkomen
(of indien dit toch het geval zou zijn, dat het X-chromosoom hierin zou geïnactiveerd zijn?)

V. Rasquin [email]

Terug naar inhoud


 

Hoe definiëren we het beste "mineralen" in de voeding?

Ik zit met een vraag in verband met mineralen. Mineralen worden gedefinieerd als anorganische ionen die een belangrijke functie vervullen in de stofwisseling. Hier en daar vind ik ook dat het metaalionen zijn, maar ik vind het nogal vreemd, P en Cl zouden dan geen mineralen zijn.

Ca2+, Na+, Cl- etc... worden allemaal als mineralen beschouwd, maar zijn polyatomische ionen zoals NO3-, SO4 2- dit ook ? Of is het beter te stellen dat mineralen chemische elementen zijn, die in anorganische verbindingen voorkomen ?

Groeten,


Diederik D'Hert

Antwoord

Wanneer we het over mineralen in de voeding hebben, denk ik dat het het veiligst is te spreken van “elementen die een belangrijke rol vervullen in de stofwisseling”. We moeten er wel bij vermelden, dat deze elementen uit de omgeving worden opgenomen via ons voedsel en in dat voedsel voorkomen onder de vorm van
- monoatomische ionen
- als covalent gebonden element in moleculen of in polyatomische ionen
- als component van eiwitten (denken we aan ijzer in myoglobine)
Ik zie niet direct een voorbeeld waar mineralen voorkomen in elementaire vorm.
Voor de tweede graad zal het waarschijnlijk volstaan te stellen, dat mineralen in ons voedsel voorkomen in verbindingen.

V. Rasquin [email]

Terug naar inhoud


 

Waar vind ik materiaal om bloedgroepen te bepalen?

Bij welke firma kan je anti-A en anti-B kopen voor bloedgroepbepaling? Blijkbaar is dit niet meer te verkrijgen bij de meeste firma's. Toch wil ik bloedgroepbepaling in de klas blijven doen (gezondheids- en welzijnswetenschappen); vanzelfsprekend met de juiste voorzichtigheid i.v.m. besmettingen en enkel bij leerlingen die bereid zijn het onderzoekje te ondergaan.

Luc Daniëls

Antwoord

De firma die deze antistoffen in 2006 nog verkocht was DIAMED, Hertoginstraat 82, 2300 Turnhout, tel 014 47 08 90.
Zij leveren onmiddellijk.

Lut De Ridder